In gesprek (1)
1993-11-19
Een hulpverlener op het gebied van taalstoornissen vertelde dat ouders van kinderen met een taalachterstand geneigd zijn om de taal van hun kind voortdurend te 'verbeteren'. Dat is natuurlijk begrijpelijk; je wilt graag dat je kind goed verstaanbaar leert te spreken. Dus corrigeer je verkeerd uitgesproken woorden en je doet nadrukkelijk voor het het wél moet. Is dat wel zo verstandig? vroeg de hulpverlener zich af. Deze houding blijkt namelijk soms geen goed effect te hebben op het gedrag van kinderen. Het kan zelfs een averechts effect hebben. Hoe komt dat? Omdat ouders op zo'n moment op de stoel van de leerkracht gaan zitten. In plaats van gesprekspartner worden de ouders opeens docent.- Jaargang 37
- nummer 24
Ouders leren hun kind een taal door op een speelse wijze met het kind in gesprek te zijn. Daarmee geven ze ook het goede taalvoorbeeld door. Opvoeding is geen lesstof, maar gespreksstof.
Ik moest aan de geloofsopvoeding denken. In een tijd waarin alles snel verandert, zijn ouders zich soms ook nadrukkelijker bewust van hun opdracht om de kinderen christelijk op te voeden. Gelukkig maar, want zulke ouders hebben we hard nodig. En toch schuilt er een gevaar in. Het gevaar dat je als ouder in de rol van de leermeester gaat zitten. Het speelse, het alledaagse van de gewone omgang met het kind zou wel eens verloren kunnen gaan. In plaats van te spreken met het kind ga je preken tegen het kind. De christelijke opvoeding wordt dan loodzwaar, want het móét, het rnóét, het móét.
Blijf maar gewoon in gesprek met het kind. In het alledaagse leven, in de omgang met elkaar. Met een stevige dosis humor. Christelijke opvoeding kan heel gewoon zijn, niet' al te nadrukkelijk, soms wat zijdelings, maar wel helemaal geïntegreerd in het dagelijkse leven.