De omlijsting van 1 Cor. 14, 34.35 (1)
1993-11-19
AI weer enige tijd geleden is op onze kerkenraadstafels het studierapport neergelegd van de commissie 'Openstelling diakenambt voor de zusters der gemeente'. Daarin is o.a. aandacht geschonken aan de bekende 'zwijgtekst', 1 Cor. 14,34.35. Nu had ik in een van de bijdragen die ik destijds leverde in de discussie rond 'de vrouw in het ambt', vrij uitvoerig over deze tekst qenenaeki', Gezien wat de genoemde commissie in dit rapport met mijn tekstkritische suggestie t.a.v. deze tekst doet, lijkt het me goed daarop nog eens terug te komen. Een tweede aanleiding mij nogmaals over deze tekstkritische kwestie te buigen vond ik in een vraag van een broeder uit de redactie van Opbouw.- Jaargang 37
- nummer 24
De kwestie
Zoals bekend, zijn de verzen 34 en 35 van 1 Cor. 14 in een bepaalde groep handschriften niet tussen v. 33 en v. 36 overgeleverd, maar na v. 40. M.i. nu waren er sterke argumenten van inhoudelijke aard aan te voeren voor déze positie. Zonder op de door mij aangevoerde argumenten ook maar met een woord in te gaan heeft nu ds. Moggré het oordeel van prof. Aland gevraagd. Deze schreef: "Sicher ist im 1 Kor. 14, 34-35die Bezeugung für die Umstellung interessant (vgl. die Kommentare), aber sie reicht einfach nicht aus, um sie in einer Ausgabe des Neuen Testaments nachzuvollziehen. Denn die entgegenstehende Bezeugung ist überwaltigend stark, so dass man mit Sicherheit sagen kann, dass in dem Exemplar des ersten Korintherbriefes die Verse an der Stelle standen, wo sie jetzt wiedergegeben werden. Alle inhaltlichen Ueberlegungen können an diesem Tatbestand nichts ändern.” 2 Daarmee is voor ds. Moggré de kous af: "Het antwoord uit Münster nam de laatste aarzelingen weg en overtuigde van het feit dat het uitgangspunt van Holwerda's studie verkeerd gekozen is. 3 .
Ook de genoemde commissie legt zich kennelijk bij dit oordeel neer. Ze schrijft nl.: "... het past ook volstrekt niet in de context om het (bedoeld is: het 'spreken' in vv . 34.35, D.H.) te laten slaan op het spreken in tongen...".
Deze uitspraak is alleen te verklaren vanuit het feit, dat de commissie de vv, 34.35 na v. 33 blijft lezen; waarom de commissie hier dan ook in een noot het antwoord van Aland aan Moggré vermeldt, daarbij niet nalatend prof. Aland aan te dienen als "erkend deskundige op het gebied van de,handschriften van het Nieuwe Testament" (p.77).
In rooms vaarwater
Zo'n 'roomse' opstelling had ik noch van ds. Moggré noch van onze commissie verwacht. Moeten wij naar het model van het bekende adagium 'Roma locuta est, causa finita est' (Rome heeft gesproken, daarmee is het geding beslist) in onze kerken nu in tekstkritische vragen voortaan leven bij de stelregel 'Alandius locutus est, causa finita est' (Aland heeft gesproken, daarmee is het geding beslist)?
Monopolisering
Allereerst zou ik dan willen vragen: Sinds wanneer heeft Aland het monopolie van nieuwtestamentische tekstkritiek?
Zoals ik nl. in mijn vorig artikel reeds opmerkte, hebben de United Bible Societies de derde editie van het Greek New Testament laten verzorgen nièt door één man, maar door een Editorial Committee (in het vervolg door mij aan te duiden met EC), waarin behalve Aland nog vier tekstkritiek i zitting hadden. Dit EC nu, heeftzoals ik reeds memoreerde in mijn vorig artikel - een toelichting op de getroffen beslissingen - en met name op plaatsen van een zekere zwaartelaten schrijven door Bruce M. Metzger, een van de leden van het EC. Daarenboven is aangegeven, welke mate van zekerheid het EC meende te hebben t.a.v. een bepaalde door hem gedane keuze. Nu, bij 1 Cor. 14,34.35 is een B genoteerd, wat betekent: "dat er een zekere mate van twijfel is betreffende de lezing die voor de tekst werd gekozen'": Als nu het EC twijfel openlaat, waarom moet dan Aland, die toch maar één van de vijf leden van het EC is, gelijk hebben, als hij géén twijfel openlaat? Zijn de overige leden van het EC volgens Moggré en onze diakenambtcommissie tekstkritisch dan soms nullen? Maar ik wil nog verder gaan: zelfs het oordeel van het EC is voor ons toch niet beslissend en bindend? Ik noemde in mijn vorig artikel al de kritiek van Van Bruggen en Sturz op de opstelling van het EC ten opzichte van de 'byzantijnse' tekst. Zonder het nu dadelijk met collega Van Bruggen in alles eens te zijn, meen ik toch, dat zijn kritiek hout snijdt en goede aandacht verdient.
En hetzelfde geldt van de kritiek van Sturz. Maar als ik Moggré goed begrijp, moeten deze heren a priori ongelijk hebben, omdat zij zich tegen Aland - met of zonder de zijnen - keren.
Dat is toch te dol om los te lopen?
Het uitwendig getuigenis
Bij dit soort beslissingen worden, zoals ik al zei, twee soorten criteria gehanteerd: a) uitwendige (het getuigenis van de handschriften en van de indirecte bronnen); (verklaarbaarheid van een fout; neiging van overschrijvers toevoegingen te maken; met name ook: taalgebruik). Wat nu de tekstgetuigen betreft: de steun voor de plaatsing na v. 40 is niet zozeer zwak" als wel eenzijdig. Die komt nl. van de 'westerse' kant. Terwijl de andere plaatsing gevarieerder steun heeft.
Moet dit gegeven nu een absolute verhindering betekenen voor het kiezen vóór het 'westers' getuigenis en tegen de (grotere) rest? Nee, zeker niet! Ik kan een geval noemen waarin hetzelfde EC op basis van nagenoeg dezelfde handschriftelijke steun in dezelfde zin gekozen heeft als ik hier. Hier in 1 Cor. 14,34.35 heeft de door mij voor juist gehouden plaatsing nl. de steun van
a) DFG (drie unciaal-handschriften met naast de oorspronkelijke Griekse tekst een Latijnse vertaling); benevens minuskel 88 (oorspronkelijke hand);
b) twee oud-latijnse getuigen;
c) een vulgaat-handschrift;
d) een patristische bron (Ambrosiaster);
e) den dichter en Paulus-commentator Sedulius Scotus.
Nu, in 2 Cor. 5, 3 variëren de getuigen tussen de lezing 'uit-kleden' en de lezing 'aan-kleden'. (Het verschil betreft in het Grieks maar één letter: ekdusamenoi/endusamenoi). En daar heeft het EC- en dat terecht m.i.sgekozen voor eerstgenoemde lezing, hoewel die slechts gesteund wordt door a) DFG 7;
b) twee oud-latijnse getuigen;
c) twee patristische bronnen (Tertullianus en het Speculum).
Aland contra Aland
Meer gewicht dan aan uitwendige iszo zei ik al in mijn vorig artikel - toe te kennen aan inwendige criteria. Mijn bezwaar tegen wat Moggré van Aland citeert is, dat deze het bij een verwijzing naar het' "überwaltigend starke' uitwendige getuigenis laat, en dat dit voor hem zonder meer beslissend is: "... ist überwaltigend stark, so dass man mit Sicherheit sagen kann...".
Over de 'inhaltlichen Ueberlegungen' krijgen we verder niets te horen. Ik heb, aanstonds toen hij mij - vóór de publicatie van zijn boek - van Alands oordeel op de hoogte bracht, Moggré op dit zwakke punt gewezen. Maar deze heeft mijn reactie kennelijk genegeerd. In 2 Cor. 5, 3 nu is het getuigenis dat vóór de lezing 'aankleden' pleit niet minder 'überwaltigend stark' dan in 1 Cor. 14,34.35 voor de plaatsing n.a.v. v. 33. Toch hebben kennelijk dáár 'inhaltliche Ueberlegungen' ook Aland ertoe gebracht toch maar vóór de eenzijdig westerse lezing te kiezen. Immers: het is alleen Bruce M. Metzger die uitdrukkelijk zich van deze keuze distantiëert.
Openheid
Laat nu niemand denken, dat ikAland aan de schandpaal wil zetten of zelfs maar enige afbreuk wil doen aan zijn naam. Ik heb voor Aland groot respect; een dieper respect misschien dan ook maar iemand anders in onze kerken.
Waarom? Omdat ik de moeiten van zijn vak, de tekstcritiek, uit eigen ervaring ken. Het is formidabel wat deze man gepresteerd heeft. En zelfs wanneer ik, zoals hier, van hem zeg: ik meen een zekere inconsistentie te bespeuren tussen zijn stellingname hier en die t.a.v. 2 Cor. 5, 3, dan nog oordeel ik niet uit de hoogte, maar ga naast hem staan. Niet in die zin, dat ik mij verbeeld van hetzelfde formaat te zijn, maar in deze zin: ik maak me sterk, dat, wanneer iemand de vele tekstcritische beslissingen die ik in de loop der jaren heb moeten nemen, zorgvuldig zou natrekken, hij best eens tot de ontdekking zou kunnen komen: die gevallen lijken als twee druppels water op elkaar, en toch beslist H. hier anders dan daar. Ook wij, textcritici, zijn aan schommelingen onderhevig; stellen ook onze criteria in de loop der jaren wel eens bij op grond van onze groeiende ervaring8. Dit besef moge ons behoeden voor al te stellige beweringen, en de gebruikers van door ons geconstitueerde teksten ertoe prikkelen ons veeleer critisch na te rijden dan klakkeloos na te volgen. Men moet goed beseffen, dat wij, door een tekstcritisch apparaat op te nemen in onze edities, deskundige gebruikers a.h.w. juist uitnodigen mee te denken en een betere keuze te maken dan wij. Het sympathieke in het werk van Metzger is, zoals ik in een vorig artikel al zei, dat hij er rustig voor uitkomt, dat het EC af en toe met de handen in het haar zat en uiteindelijk slechts kwam tot "de minst onbevredigende keuze" - ik herken dat volkomen! - ook, dat elk EC-lid de gelegenheid krijgt zich openlijk uitdrukkelijk van de uiteindelijk gemaakte gemeenschappelijke keuze te distantiëren. 9 Nu, als de EC-Ieden elkaar onderling die ruimte gunnen, waarom mag ik dan van Moggré niét de ruimte van twijfel die het EC mij geeft, benutten voor geargumenteerde tegenspraak?
Op dit terrein, waar zoveel en zo diverse subtiele afwegingen moeten worden gemaakt, blijft openheid geboden; openheid voor heroverweging. Zeker, als er inhoudelijke argumenten op tafel komen. En eens te meer, als deze nieuw zijn.
Het inwendig getuigenis
Nu dan 'die inhaltlichen Ueberlegungen' achter mijn stellingname. Boven dit artikel zette ik als titel: De omlijsting van 1 Cor. 14,34.35. Dat _ houdt in, dat ik nu eerst iets ga zeggen over v. 33, en straks iets over v. 36.
Voor- of nazin?
De laatste zin van v. 33 ("zoals in alle gemeenten der heiligen") wordt vrijwel algemeen bij v. 34 getrokken: "Zoals in alle gemeenten der heiligen, moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen". Ik heb daartegen allereerst als bezwaar, dat we dan te maken krijgen enerzijds met een overtolligheid, andererzijds met een manco. De woorden 'in de gemeenten' (34) zijn nl. overbodig, als vlak daarvoor - in de vergelijkingszin aan het slot van v. 33 - al sprake was van 'in alle gemeenten'. Aan de andere kant mist men de woorden 'ook bij u'. Niet waar: als Paulus begint met te zeggen: "zoals in alle gemeenten der heiligen, moeten de vrouwen zwijgen", dan is die laatste zin en de vergelijking toch pas volledig, als er zou staan: "moeten ook bij u de vrouwen zwijgen".
Maar dat is nog niet alles. Ik heb aangetoond10, dat deze verbinding van de 'zoals...'-zin met wat erop volgt tegen Paulus' spraakgebruik ingaat. Laat ik nog maar eens herhalen, hoe deze apostel dit soort zinnen pleegt te construeren.
Wanneer Paulus een periode begint met een vergelijkingszin ("Zoals..., ...") en daarbij - zoals hier - voor 'zoals' het enkelvoudige 'hoos' gebruikt, dan pleegt hij in de apodosis (d.w.z. in de na deze bijzin volgende hoofdzin) een expliciete aansluiting op dat 'hoos' te geven met 'houtoos' ('zo') of met 'kal' ('ook') of met die beide woorden samen: 'houtoos kai' ('zo ook'). Om dit met een voorbeeld duidelijk te maken: Paulus zou zeggen: "Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen" of "Zoals de ouden zongen, piepen de jongen ook" of "Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen ook" 11, Op die regel lijkt één uitzondering te zijn, nl. de eerste zin van Rom. 5, 16 (letterlijk: "en niet zoals door één die gezondigd had, het geschenk"). Toch is deze uitzondering slechts schijn. Deze zin loopt nl. parallel aan de zin waarmee het voorafgaande vers (15) begint: "Maar niet zoals de overtreding, zo ook het genadegeschenk". In zulke gevallen is het heel gewoon, dat men elementen uit de eerste zin die ook in de tweede zin functioneren, niet opnieuw uitschrijft. Die elementen moeten dan, zoals dat in de vaktaal heet, 'apo koinou' (d.i. gemeenschappelijk) worden genomen. Ze bestrijken behalve de eerste zin, waarin ze uitdrukkelijk genoemd zijn, ook de tweede. (Overigens blijkt hier ook reeds uit de rést van de zin, hoe brachylogisch Paulus zich uitdrukt.) Laat Paulus in de apodosis deze woorden weg, dan vervangt hij in de protasis (d.w.z. in de voorzin, die met 'zoals' begint) het 'hoos' door het samengestelde 'kathoos " dat dezelfde betekenis heeft 12. Wanneer wij dus bij Paulus te maken krijgen met een 'hoos'-zin waarop geen apodosis met 'houtoos', 'kai' of 'houtoos kai' volgt, dan moeten we aannemen, dat deze vergelijkende bijzin geen protasis is, d.w.z. niet aan de hoofdzin waarbij hij hoort, voorafgaat, maar dat we hier met een na-zin te maken hebben; met een vergelijkingszin dus die bij een voorafgaande hoofdzin hoort. In de onderhavige tekst moeten we, om die aansluiting te vinden, alleen teruggaan achter de verzen 31-33a. Deze bevatten nl. een motivering ('want') van het voorafgaande gebod.
En zo'n motivering moet men in parenthese (d.w.z. tussen gedachtestreepjes) lezen. De vergelijkende zin ("..., zoals (dat pleegt te gebeuren) in alle gemeenten der heiligen" of "..., zoals (ik dat voorschrijf) in alle gemeenten der heiligen") sluit aan bij de in de verzen 26-30 gegeven voorschriften.
v.33b inhoudelijk bekeken
Ook als wij op de inhoud van v. 33b letten, nl. het beroep op wat in de overige gemeenten voorschrift (Of gebruik) is, blijkt, dat wij zo'n beroep na een door Paulus gegeven voorschrift mogen verwachten, niét daarvóór.
Wij hebben daarvan nl. drie voorbeelden, alle in deze zelfde brief: 1) 4,17. In v. 16 heeft de apostel gezegd: "Ik vermaan u dus: wordt navolgers van mij". Dan volgt in parenthese (d.w.z. tussen gedachtenstreepjes) 13 een toelichting op dit bevel: "Daarom heb ik u Timotheus gestuur ...; dan kan hij u voor de geest halen, hoe ik mij in Christus gedraag" (m.a.w. u precies duidelijk maken, wat dat navolgen van mij (v. 16) inhoudt). Daarna komt, aansluitend bij het bevel van v. 16: ".., zoals ik overal in elke gemeente leer"14. (De parenthese is vergelijkbaar met die in 14, 31-33a.) 2) 7, 17 "Behalve dan: zoals de Heer ieder heeft toebedeeld, zoals God ieder geroepen heeft, zo moet hij zijn weg gaan." En na dit bevel volgt: "En zo verorden ik het in alle gemeenten".
3) 11, 16. Na de voorschriften over de hoofdbedekking van de vrouw, als ze profeteert (vv. 3-15) sluit de apostel af met een wat vinnige opmerking aan het adres van mensen die altijd tegen de draad in willen gaan: "En als iemand meent toch zijn eind te moeten vasthouden: "wij hebben zo'n gewoonte niet, en Gods gemeenten evenmin".
Het samengaan van zoveel argumenten die pleiten voor het betrekken van de woorden 'zoals in alle gemeenten der heiligen' op het voorafgaande geeft toch te denken. Ik zou echt mijn filologisch geweten geweld moeten aandoen, wilde ik deze zin op wat vólgt betrekken.
Noten
Zie de brochure De plaats van de vrouw in de gemeente, Heemstede, z.j., 8-16.
2. A.J. Moggré, Adam eerst..., Amsterdam, 1988,33, noot 5. 3 a.w.. 28
4. Bruce M. Metzger, A Textual Commentary on the Greek New Testament, United Bible Societies, 1971, XXVIII.
5. D en G worden - b.v. in de bespreking van Rom. 6, 11- gerekend onder de 'weighty witnesses'.
6. Zie Opbouw, 10e jrg., p. 358.
7. Als ik hier DFG als getuigen voor de lezing 'ekdusamenoi' opvoer, is dat een tikje geflatteerd. Als puntje bij paaltje komt, heeft nl. alleen D 'ekdusamenoi'. F en G geven 'eklusamenoi', een fout die verklaarbaar is uit de unciale vormen van de griekse Den de griekse L, die verwarrend veel op elkaar lijken. Maar goed: op het essentiële punt ('ek-', en nièt 'en-') staan F en G toch aan de kant van D.
8. Dat geldt met name ook de inwendige criteria. Zo ben ik pas tegen het einde van onze arbeid aan de uitgave van de Basilica, waarover wij gedrieën veertig jaar hebben gedaan, ertoe gekomen een bepaalde aanhef van scholia eens nauwkeuriger onder de loep te nemen. Dat kwam doordat in het laatste door mij te bewerken deel deze aanhef met grotere frequentie voorkwam, en daardoor mijn aandacht trok. Dit heeft geleid tot een studie over alle plaatsen waar deze aanhef voorkomt. Deze leidde tot de conclusie, dat wij in eerster instantie deze aanhef niet als vaste formule hadden onderkend en dientengevolge in een aantal gevallen onjuist hadden geïnterpreteerd (als inleiding op een bewerking i.p.v. op een vraag) en het eerste woord daarvan van een verkeerd accent hadden voorzien. Zie D. Holwerda, Eine Stileigenheit des Thalelaios?, Subseciva Groningana I, Groningen 1984, 11-41. Een van de moeilijkheden bij de tekstuitgave van met name een gróót werk is, dat men pas langzamerhand voldoende diep doordringt in het taaleigen ervan. Het gevolg is, dat men tekstcritisch wel eens ad hoc beslissingen neemt die naderhand bij een dètailonderzoek onjuist blijken te zijn geweest. Het alternatief is: met de publicatie van de tekstuitgave wachten, tot men alle taalfinesses heeft onderzocht. Maar dat betekent in de praktijk: uitstel van de uitgave tot Sint Juttemis.
9. Bij 2 Cor. 5, 3 is dat Metzger, eveneens bij Col. 1, 22; bij 2 Cor. 1, 10 en Hebr. 12,3 Wikgren; en zo zouden er meer plaatsen zijn te noemen.
10. Opbouw, 22ste jrg., p. 35.
11. Zo in Rom. 5,15.18; 2 Cor. 1,7; 7, 14; Gal. 1,9; Filipp. 1,20; 1 Thess. 2, 7; 5,2.
12. Zo in 1 Cor. 11,2; 1 Thess. 2,13; 4, 1. Overigens volgt ook bij het gebruik van het samengestelde 'kathoos' toch nog wel eens 'houtoos kai' in de apodosis: 2 Cor. 1, 5; 8, 6; 10,7; Col. 3, 13; of 'kai': 1 Cor. 15,49.
13. De indeling van de tekst in de NBG-vertaling is hier niet correct. Ten onrechte geeft v. 17 een nieuwe alinea te zien. Ook is in de slotzin van v. 17 ("zoals ik die overal in elke gemeente leer") het 'die' ingevoegd. Laat men het weg, dan blijft er geen goede zin over: "Hij zal u mijn wegen in Christus indachtig maken, zoals ik overal in elke gemeente leer". De onzin die men zo krijgt, is al een aanwijzing, dat de 'zoals ...'-zin niet bij v.-17 aansluit.
14. Dat Paulus ook aan andere gemeenten het gebod, hem na te volgen, op het hart bindt, kunnen we nog verifiëren: om te beginnen herhaalt hij in déze brief in 11, 1 nog eens deze opdracht met de toevoeging, dat hij op zijn beurt weer in het voetspoor van Christus gaat. Zie verder Filipp. 3, 17; 2 Thess. 3, 7.9. Vgl. ook 1 Tim. 4, 12; Tit. 2, 7. Eveneens 1 Thess. 1,6, waar het om een constatering gaat, niet om een gebod.