De eerste en de laatste

1993-11-19
  • Jaargang 37
  • nummer 24
In ballingschap
Bij sommige mensen maakt gevangenschap heel wat los. Hun leven kan er nieuwe impulsen en inspiratie door krijgen. Een goed voorbeeld daarvan is de Engelse ketellapper John Bunyan die vele jaren terwille van het evangelie in gevangenschap doorbracht en in de gevangenis zijn wereldberoemde boek 'De pelgrimsreis' schreef, dat grote invloed heeft uitgeoefend. Een ander voorbeeld is Dietrich Bonnhoeffer wiens gevangenschapsaantekeningen na zijn dood heel de theologische wereld een ander gezicht gaven. Ook de apostel Johannes, de schrijver van het boek Openbaring, hoort in dit rijtje thuis. Want hij schreef zijn boek in ballingschap. Negentien eeuwen lang heeft dit boek de aandacht van de mensen al gevangen gehouden. En nog steeds fascineert en inspireert het tallozen. Ik herinner me nog goed dat ik als jongen mateloos door dit bijbelboek geboeid werd. Ik las het en herlas het. Ik begreep er helemaal niets van, maar het had mij wel in zijn greep. En eigenlijk is dat zo gebleven. In de loop van de jaren heb je er iets meer zicht op gekregen, maar je blijft het gevoel houden dat je er geen grip op krijgt, dat het telkens weer tussen je vingers doorglipt en voortdurend verstoppertje met je speelt.
Een geschrift uit een ballingschap die je wel als een soort gevangenschap kunt zien, want het eiland Patmos was niet groot en Johannes mocht het niet verlaten. We zijn geneigd gevangenschap en ballingschap uitsluitend negatief te beoordelen en louter als een kwaad te zien. Natuurlijk is het ook een kwaad. Het zou er niet moeten zijn en niet mogen vóórkomen. Maar God zou God niet zijn als Hij met zulke kwalijke zaken geen grote dingen kon doen en er niet op een indrukwekkende wijze positief gebruik van zou kunnen maken. Johannes krijgt een reeks visioenen.

Visioen
Het gebeurde op een zondag. Misschien stond hij op het moment waarop het gebeurde, wel uit te kijken over de zee, die onoverbrugbare barrière die hem scheidde van de gemeenten op het vaste land, waar hij in zijn gedachten en gebeden voortdurend mee bezig was. Misschien dacht hij op deze zondag wel aan die andere zondag, lang geleden al weer, waarop de meest ingrijpende gebeurtenis van alle tijden had plaatsgevonden: Jezus' opstanding uit de doden. Maar waar hij ook aan dacht, in ieder geval gebeurde het op die zondag. Wie een visioen krijgt, ziet wat een mens normaliter niet kán zien. Of hij ziet dingen die hij met zijn normale gezichtsvermogen ook wel kan zien, maar die er in het visioen heel anders uitzien. In een visioen zie je niet alleen meer dan anders maar ook anders dan anders. Dat was ook bij Johannes het geval. Achter zich hoort hij een stem met een indrukwekkend volume, die hem opdracht geeft alles wat hij nu gaat zien en horen op te schrijven.
Achteraf weet Johannes die krachtige stem niet beter te karakteriseren dan als het geluid van vele wateren. Als hij zich omdraait om te zien waar dat geluid vandaan komt, ziet hij zeven gouden kandelaren die zeven gemeenten in Klein Azië aanduiden.
Nu kun je gemeenten ook wel met gewone ogen zien. Als je 's zondags in de kerk om je heen kijkt, zie je een gemeente. Maar die zie je niet in de vorm van een kandelaar, maar gewoon als een verzameling mensen met handen en voeten en gezichten.
De een schuifelt wat met zijn voeten, een ander sabbelt op een pepermunt en een derde fluistert iets tegen zijn buurman of buurvrouw. Er is niets bij dat je aan een kandelaar doet denken.
Een samengekomen gemeente kun je dus zien. Maar in een visioen kunnen gemeenten er heel anders uitzien dan normaal. In dit geval zien ze er uit als kandelaars. Dat wil zeggen dat een gemeente een lichtdraagster is.

Tussen de kandelaren
Dat is typerend voor een gemeente van Christus. Een gemeente behoort licht te verspreiden: het licht van Gods genade en verlossing. Een gemeente die dat niet doet, die de ramen en deuren naar buiten heeft geblindeerd en uitsluitend aandacht heeft voor interne aangelegenheden, is een gemeente die niet aan haar roeping beantwoordt. Wanneer we het licht van het evangelie niet uitstralen naar buiten en het alleen voor onszelf houden, is er iets grondig mis.
Een zaklantaarn die geen licht geeft, is nutteloos. Een kandelaar die geen licht geeft, is onbruikbaar en dient hoogstens nog als ornament. Er is een tijd geweest (en misschien is die nog niet helemaal voorbij), waarin veel christenen dachten dat kerklid zijn en geloven strikt persoonlijke zaken waren. Dat gaat alleen mezelf aan, dacht men. Buitenstaanders hebben daar niets mee te maken. Het gevolg daarvan was, dat een gemeente waar een dergelijke gedachte heerste, nauwelijks of geen licht verspreidde. Daarmee was een wezenlijk element van het gemeente zijn verloren gegaan. Een gemeente van Christus behoort naar haar aard lichtdraagster te zijn. Midden tussen de zeven kandelaren ziet Johannes iemand als eens mensenzoon.
Het is een indrukwekkende verschijning, blinkend en stralend in volle luister, bijna dodelijk in majesteit.
Bij de uitdrukking 'mensenzoon' denken we natuurlijk onmiddellijk aan Christus. Dat is terecht. Christus verschijnt aan Johannes. En dat doet Hij tussen de kandelaren. Dat wil zeggen: die kandelaren zijn van Hem. Ze behoren Hem toe. Hij draagt er zorg voor. Hij is hun centrum, hun middelpunt.

Wees niet bang
Als Johannes de gestalte van Christus ziet, valt hij als dood aan diens voeten neer. Precies zoals de soldaten bij het graf van Christus als doden werden toen ze een engel zagen verschijnen in blinkende majesteit, zo kan ook Johannes de aanblik van de hemelse luister die van Christus afstraalt, niet verdragen.
Dat is wel een heel verschil met de situatie vóór Christus' dood. Als de discipelen toen naar Hem keken, zagen ze niets bijzonders. Ze zagen een gewoon mens bij wie geen spoortje van die luister te ontdekken viel. Hij had geen gestalte noch luister, om de woorden van Jesaja te citeren. Er was in zijn uiterlijk niets dat aandacht trok of indruk maakte. Alleen die ene keer, op de berg der verheerlijking, werd die luister plotseling even zichtbaar.
Maar dat was ook zo weer voorbij. Dat is het enige moment geweest waarop de discipelen aangegrepen werden door vrees vanwege hemelse luister bij Jezus. De rest van de tijd die ze bij . Hem waren, is er nooit een moment geweest, waarop ze als doden voor Hem dreigden neer te vallen. Maar diezelfde Christus met wie ze dagelijks normaal omgingen, was na zijn hemelvaart zo doorstraald van hemelse luister, dat Johannes zijn aanblik niet verdragen kan en als dood aan zijn voeten neervalt. Maar Christus legt zijn rechterhand op hem en zegt: wees niet bang. Iemand die ontredderd en bang is, aanraken kan heel kalmerend en geruststellend werken. Het is een gebaar dat zegt: je bent niet alleen, niet aan jezelf overgelaten. Er staat iemand naast je, iemand op wie je kunt rekenen.
In zulke omstandigheden hebben mensen vaak behoefte aan een dergelijk gebaar. Christus weet dat. En zijn woorden onderstrepen wat zijn gebaar wil zeggen: wees niet bang. Jezus in zijn hemelse luister en majesteit komt niet om Johannes de stuipen op het lijf te jagen, maar om hem en de gemeente van alle tijden en plaatsen te bouwen in het geloof en voor te bereiden op wat haar te wachten staat.

Overeenkomst en verschil
Opvallend is de overeenkomst met wat we lezen in Dan. 10. Ook aan Daniël verschijnt een man in linnen kleren.
Hij is met goud omgord, heeft ogen als fakkels, voeten als gepolijst koper en een stem als het gedruis van een menigte.
Evenals Johannes valt ook Daniël voor deze majesteitelijke verschijning buiten bewustzijn op de grond.
Maar dan raakt een hand hem aan en een stem zegt: wees niet bang, Daniël. Ik ben gekomen om je te vertellen wat er in de toekomst zal gebeuren. De overeenkomst met wat Johannes overkomt, is frappant. Dat geldt ook ten aanzien van de bedoeling van deze verschijningen. Het gaat er in beide gevallen om door te geven wat betrekking heeft op de toekomst. Zowel aan Daniël als aan Johannes wordt meegedeeld wat in de toekomst gebeuren zal. Beiden ontvangen een openbaring aangaande de toekomst. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat het boek Openbaring tal van elementen bevat, die we ook tegenkomen in de profetieën van Daniël en andere profeten. Er is geen ander boek in het Nieuwe Testament, dat zo stikvol zit met verwijzingen naar en zinspelingen op oudtestamentische profetieën als juist het boek Openbaring.
Er is dus een grote mate van overeenstemming tussen Daniëls ervaring en die van Johannes. Maar er is één belangrijk punt van verschil. In Dan. 10 maakt degene die eruit ziet als een mens zich niet aan Daniël bekend. We blijven in het duister tasten omtrent zijn identiteit. Die blijft verborgen. Maar in Openbaring geeft Degene die eruit ziet als een mensenzoon zijn identiteit wel prijs. En de manier waarop Hij dat doet, is bijzonder veelzeggend. Zijn woorden zijn niet alleen voor Johannes maar ook voor Christus' gemeente in deze wereld van levensbelang.

Gasbelletjes in het zwarte water
In deze wereld valt alles ten prooi aan de dood. De grijnslach van de dood staart je van alle kanten aan. Een oud lied zegt het zo: Middenin het leven zijn wij door de dood omvangen. Het boek Openbaring staat er ook vol van hoe de dood in deze wereld huishoudt en tekeer gaat. Je zou het leven kunnen vergelijken met de gasbelletjes die je soms ziet opborrelen in het zwarte, stilstaande water van een poel. Die belletjes komen naar boven, drijven even als een licht vlekje op het zwarte oppervlakhet ene iets langer dan het andere en spatten dan uit elkaar. Ook al komen er nog zoveel van die belletjes naar boven, toch wordt het zwarte water er niet door veranderd. Het bi ijft even donker als het was. Het blijft dominerend en lijkt onaantastbaar te zijn.
Dat is zo in de kleine kring van het persoonlijke leven, maar ook in het groot: bij natuurrampen, in hongergebieden. in oorlogen. En nog eens: Openbaring weet daar alles van. Er is geen bijbelboek waar de dood zo massaal toeslaat als in het boek Openbaring. In deze wereld waarin de dood zo dominant is, zijn Jezus' woorden van levensbelang. Wees niet bevreesd, zegt Hij, Ik ben de eerste en de laatste. Ik. Niet de dood. Het lijkt wel alsof die aan het begin en het eind staat, maar dat is niet waar. Ik sta aan het begin en aan het eind. Ik omsluit alles. Ik, de levende.

De eerste en de laatste
Ik ben de eerste en de laatste: die aanduiding komen we in de bijbel al eerder tegen, en wel in Jes. 44:6; 48:12. Daar zegt Jahwe dat van zichzelf tot de ballingen in Babel. Zij verwachtten niets meer van Hem. Voor hen was Hij een God van het verleden, een God die wás. Zijn bevrijdende en verlossende werk was voor hen al evenzeer iets van het verleden. Toén had Hij grote dingen gedaan: de wereld geschapen, de Israëlieten bevrijd uit Egypte, hun het land Kanaän gegeven.
In het verleden werkte Hij in de geschiedenis. Toen dééd Hij iets.
Maar dat was allemaal verleden tijd. Ach, ze geloofden nog wel in zijn bestaan.
Ze lazen nog in de oude boeken en baden nog tot Hem. Maar iets van Hem verwachten was er niet meer bij.
Voor hun besef was Hij van een God die voor zijn volk uittrok en diepe sporen trok in de wereldgeschiedenis ineengeschrompeld tot een God die alleen nog maar voorwerp van verering was en slechts betekenis had voor particuliere vroomheid in de binnenkamer. Tot dat volk dat geen enkele verwachting meer van Hem had, komt God zelf zeggen: Ik ben de eerste en de laatste. Met andere woorden: Ik ben nog steeds dezelfde die Ik in het verleden, van het begin af, geweest ben en Ik zal dat blijven ook. Wie Mij opsluit in het verleden, kent Mij niet. Hij heeft Mij verminkt tot de God van de dode orthodoxie, vacuüm verpakt in het plastic van fraaie formules en dogma's. Van zo'n God kun je ook niets meer verwachten.

Geen gemummificeerde God
Er bestaan tegenwoordig technieken waarmee je insecten in een stuk glas of in doorzichtig plastic kunt conserveren.
Zo blijven ze prachtig gaaf, schitterend om te zien. Ze komen zo uit in al hun pracht en je kunt ze van alle kanten goed bekijken. Maar je kunt van zulke insecten niet meer verwachten dat ze iets doen, op een gegeven ogenblik wegvliegen en neerstrijken op een bloem. Dat kunnen ze niet, want ze zijn dood. Zo had Israël Hem behandeld. En veel westerse christenen hebben ook iets dergelijks gedaan. Ze hebben God opgesloten in het verleden en zo irrelevant gemaakt voor onze eigen tijd.
Ze hebben Hem gemummificeerd, Hem strak ingewikkeld in de windsels van een systematiek. Ach ja, zo is Hij goed geconserveerd gebleven. Maar Hij is zo ook tot niets meer in staat, als een opgeprikte vlinder: mooi om naar te kijken, maar vliegen kan hij niet meer. Dat hadden de ballingen met Hem gedaan. Maar de HERE pakt hen als het ware bij de kraag, schudt hen flink heen en weer en zegt tot hen: Ik ben geen verleden tijd. Mijn verlossingsdaden behoren niet tot een voorgoed afgesloten tijdperk. Ik ben geen geconserveerde God in een glazen vitrine, maar de eerste en de laatste. Ik ben nog steeds dezelfde die Ik vroeger was en dat zal Ik altijd blijven ook. Jullie mogen iets van Mij verwachten.

Dood geweest
Die woorden van de HERE neemt Christus in zijn mond en Hij past ze toe op zichzelf. Daarmee zegt Hij impliciet dat Hij zelf ook God is. Er ligt ook in opgesloten: we mogen iets van Hem verwachten, nu, vandaag. Want Hij is de levende.
Toen Christus stierf, had het er alles van weg dat Hij voorgoed tot het verleden zou behoren. Dat is immers de betekenis van de dood. Dood zijn wil zeggen: het is voorbij; je bent verleden tijd. Zo reageren we ook onmiddellijk als iemand gestorven is. Dan beginnen we onmiddellijk over hem of haar te spreken in de verleden tijd. Dan zeggen we niet meer: hij is zus of zo; maar: hij wás zus of zo. Zo spraken ze ook al over Jezus in de verleden tijd.
De Emmaüsgangers deden dat bijvoorbeeld. Ze zeiden: we dachten nog wel dat deze het was, die Israël verlossen zou.
Verleden tijd. Ja, want Jezus was echt gestorven. Johannes was er zelf bij geweest. Hij had bij het kruis gestaan.
Hij had gezien hoe Jezus' lichaam zich kromde en zijn gezicht vertrok van pijn. Hij had de woorden gehoord die nog over Jezus' verdroogde en gebarsten lippen kwamen. Hij had gezien hoe Jezus tenslotte de geest gegeven had en dat een van de soldaten met zijn speer in Jezus' zij gestoken had. Hij was erbij geweest toen Jezus van het kruis afgenomen en in het graf van Jozef van Arimathea gelegd werd. Dat was allemaal echt gebeurd. Jezus was echt gestorven.
Maar, zegt Jezus tot Johannes op Patmos, Ik ben dood gewéést. Letterlijk staat er: Ik was een dode. Ik ben geen verleden tijd meer. Voor Mij is de dood verleden tijd geworden.

Sleutelbos
Dat is wel een heel bijzondere uitspraak. Iemand die dat kon zeggen, hebben wij nog nooit ontmoet. We zijn wel vaak met gestorvenen geconfronteerd. Meer dan ons lief is hebben we bij sterfbedden en op kerkhoven gestaan. Maar nog nooit hebben we iemand ontmoet, die tot ons zei: ik ben dood geweest. Op Patmos staat er iemand voor Johannes die het kan zeggen: Jezus. Ik ben dood geweest, zegt Hij. maar zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden. Mijn dood is in de volle zin voltooid verleden tijd. Dat is voorgoed voorbij. De dood heeft geen vat meer op Me. Nooit meer.
Dat is natuurlijk een opzienbarende, ingrijpende uitspraak. Maar het is nog niet alles wat er gezegd kan worden.
Het wordt nog geweldiger. Ik heb, zegt Jezus tot Johannes, de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Wie de sleutels van een huis heeft, beschikt over dat huis. Zo beschikte de dood over het dodenrijk. Hij was als een cipier van een gevangenis, die met zijn sleutelbos de gevangenen achter slot en grendel kon zetten. Hij had het daar helemaal voor het zeggen, want hij had de sleutels. Maar daar is verandering in gekomen. De sleutels van die gigantische gevangenis 'Dodenhage' zijn niet meer in het bezit van de dood. Ze zijn hem ontfutseld door Jezus. Hij heeft de cipier overweldigd, hem zijn sleutelbos afhandig gemaakt en zijn cel verlaten.
Hij is naar buiten gelopen, het leven in, met de sleutelbos van de dood in zijn hand.

Alle letters van het alfabet
Als Jezus alleen maar voor zichzelf de dood overwonnen had, zou dat natuurlijk al iets geweldigs, iets ongehoords, geweest zijn. Maar het is nog veel ingrijpender en verstrekkender. Want Hij is in het bezit gekomen van de sleutels van de dood. En dat is van levensbelang voor ons. Het geeft ons in dit bestaan dat door de dood omvangen is, perspectief en uitzicht, zodat we met Muus Jacobse de woorden van dat lied ook kunnen omdraaien: Midden in de dood zijn wij in het leven.
Ogenschijnlijk heeft de dood nog alle macht. Hij heeft nog de macht om de mensen te arresteren, hen in de cellen van het dodenrijk te gooien en de deur achter hen in het slot te laten vallen. En van die macht maakt hij driftig gebruik. Hij arresteert er maar op los, op individueel niveau maar ook massaal: door vliegtuigongelukken, overstromingen, aardbevingen en oorlogsgeweld. Hij laat er niets van merken dat hij zijn sleutels kwijt is. Maar dat is wel zo. Christus heeft ze. En straks komt Hij in al zijn luister. Dan heeft Hij de sleutelbos bij zich. Hij opent alle celdeuren van de gevangenis 'Dodenhage' wagenwijd en zegt: kom maar naar buiten, de vrijheid in, het leven in. En dan kunnen allen die in Hem ontslapen zijn, ongehinderd naar buiten gaan en hun ogen uitkijken in de straten van het nieuwe Jeruzalem. Zo zal Christus laten zien dat Hij het laatste woord heeft. Niet de dood is het begin en het eind, maar Jezus. Hij is de Alpha en de Omega, de A en de Z. Hij heeft A gezegd toen Hij opstond uit het graf. En Hij zal niet alleen maar B zeggen maar alle letters van het alfabet afwerken. En dan is het zover.

Dan zal, gelijk er is geschreven,
Gods volk in volle vrede leven.
De boze vijand is verslagen.
Prijst 's HEREN welbehagen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief