Reis door Turkije (10)
1993-11-19
Van Izmir naar Ankara- Jaargang 37
- nummer 24
Ik wil nog iets vertellen over het oude Smyrna. Ongeveer 650 voor Christus werd de stad verwoest door de Lydiërs.
De stad lag toen op een wat andere plaats dan tegenwoordig.
Vanaf de 4de eeuw, nadat er weer eens een verwoesting had plaatsgevonden, lag Smyrna op de plaats van het huidige Izmir. Daarna werd de plaats nog steeds geteisterd door aardbevingen, branden en verwoestingen, maar steeds weer vond herbouw plaats. Echt tot bloei kwam de stad in de 3de en 2de eeuw voor Christus. Ook in de Romeinse tijd had de stad nog een bloeiende haven en ook tijdens het ontstaan van de eerste christengemeente nam Smyrna een belangrijke positie in. Omdat de stad steeds herbouwd werd op het door welke oorzaak ook overgebleven puin waren er voor onderzoekers niet zoveel mogelijkheden om opgravingen te verrichten. Toch zijn· met name in het museum van Izmir een groot aantal vondsten ondergebracht. Voor het gebouw zijn een aantal prachtige sarcofagen (stenen 'grafkisten') te zien, alsmede enkele onthoofde beelden. De oude stadswijk moet je zoeken achter een plein bij de haven, waar een heel mooi moskeetje is te zien. Daarna kun je door de smalle straatjes met al maar winkeltjes dwalen om tenslotte uit te gaan rusten, voordat je de 'klim' naar de oude vesting Kadifekale onderneemt, die bovenop de Pagosberg ligt. Je hebt daar een prachtig uitzicht over de baai en de omgeving. Op de berg is ook nog een restant te zien van de oude Romeinse agora (markt). Later is op deze plaats een begraafplaats ingericht. Er zijn christelijke grafstenen met kruisen, graven van kruisvaarders met wapenschilden en moslimzerken met mooie versieringen.
Polycarpus
Een leerling van de apostel Johannes, Polycarpus, was opziener van de gemeente in Smyrna. Hij werd ongeveer 155 gevangen genomen en de stadhouder wilde, dat de oude Polycarpus Christus zou vervloeken. In het boek 'Historie der Martelaren' van Adrianus Haemstedius (uitg. 1671; in 1881opnieuw uitgegeven) staat hierover het volgende:
"Met groote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: "Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en Hij heeft mij nimmer eenig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?" Toen de stadhouder hem dreigde met wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: “"Laat hen voorkomen, want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeeren van het goede tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hunne boosheid volharden.” Vervolgens zeide de stadhouder: "Houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." - "Gij dreigt mij met vuur", dus hernam Polycarpus, "dat in een oogenblik ontstoken en weder uitgebluscht wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de boozen treffen zal in den dag des oordeels. Wat vertoeft gij nog? Doe aan mij, wat gij van beide goedvindt." Toen nu het volk zijn dood eischte, werd hij door den stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor den brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden volgens hun gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zeide hij: "Laat mij zoo als ik ben; Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook helpen om op dezen brandstapel te blijven staan". Daarop werd hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zoo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd gedoofd."
In hoeverre dit verhaal - ik heb het maar in de oude spelling overgenomen - helemaal juist is, kan ik niet beoordelen.
Naar Ankara
Na Izmir verbleven we nog enkele dagen aan de kust in het plaatsje Foca. Foca is een vissersdorp, vlakbij een militaire post van de NAVO. Dit laatste heeft tot gevolg, dat er de hele dag door helikopters boven de omgeving patrouilleren. Het leven in zo'n dorpje is geheel anders dan in een grote plaats. De eigenaar van ons hotel kondigt in een folder aan, dat zijn hotel een stuk eigen strand bezit, maar dit bleek niet juist te zijn. Het 'eigen strand' bestond uit een stel rotsblokken en wat zwart zand. Maar de zon scheen boven Foca en elke ochtend dronken we niet al te. lekkere koffie op een terrasje. Toen waren er inmiddels drie weken om en gingen we de Westkust verlaten. We vlogen naar Ankara - een uurtje slechts - en kwamen toen in het gebied, dat wel Galatië wordt genoemd.