Gods warande
1993-12-03
Als je er nu langs rijdt, staat haar huisje er niet meer. Niets herinnert nog aan haar.- Jaargang 37
- nummer 25
"Zelfs haar plaats kent haar niet meer", zegt psalm 103.
Ook haar tuin is weg. Gewoon een stuk grasveld geworden. En het was nog wel zo'n mooie tuin! In biologisch evenwicht. Met bloemen en planten, overal vandaan. Zelfs uit Zwitserland.
Die tuin had de liefde van haar hart.
Wat was ze daar graag! Alleen. Samen met anderen.
Samen met God. Zouden Gods warandes er straks zó uitzien?
Ze hield van mooie dingen.
Ze hield ook van kinderen, misschien wel omdat zij ze zelf nooit gehad had.
Als onze dochter Carien, toen ze nog klein was, soms met me mee ging naar haar toe, dan werd ze bijna plat gedrukt van liefde. Het was dan 'Carlientje' vóór en 'Carolina' ná, want namen onthouden kon ze niet.
Maar van lieverlede ging haar gezondheid achteruit. Ze ging dementeren. Achterdochtig werd ze. Ze verstopte het geld op de meest vreemde plekken. Het eten liet ze op het vuur staan.
Ze werd een gevaar voor zichzelf.
Toen, op een morgen, stond er een auto voor de deur. Twee mensen zaten er in. Een broeder en zuster van de gemeente. Ze hebben haar in de auto gekregen. "Uit! Goed voor u!" En zo reden ze haar naar Nieuw-Toutenburg.
Het was de enige uitweg die nog bleef, al deden ze 't met een bezwaard hart.
't Was een moeilijk moment haar achter te laten in dat vreemde gebouw. Samen met anderen in één kamer.
Vreemden voor haar. Ze miste haar vrienden: De vogels in de tuin, de vlinders en de bijen. En was Gód er nog wel? Nooit kon ze meer op haar knieën liggen om te zien hoe de sneeuwklokjes haar kopjes boven de sneeuw uitstaken.
Soms dwaalde ze door de lange gang en prevelde ze: ,,'t Is goed voor me... 't Is goed voor me... " En als ze bij de tafel zat, staarde ze maar. Wie kon haar nog bereiken?
Ze was voor ons te ver. Haar gedachten waren verrafeld en verward. Als ik bij haar zat, kon ik alleen maar bidden: "Here God, hoor haar roepen, luister naar haar zuchten".
Wanneer ze met anderen in de kamer zat, ging ik met ze zingen. "Er ruist langs de wolken." En "Waarheen, pelgrims, waarheen gaat gij?" Ook zij zong dan mee.
En daarna deed ze de mantel aan en zette de hoed op.
Zij ging op weg.
"Naar Gods huis, in 't Vaderland."
Zou ze in haar geest Gods warandes hebben gezien?
Gods tuinen, met haar vrienden daarin?