De omlijsting van 1 Cor. 14, 34.35 (2)
1993-12-03
In het eerste artikel heb ik het gehad over wat aan 1 Cor. 14,34.35 voorafgaat; in 't bijzonder over v. 33b. Nu, in het tweede artikel, zal het gaan over wat op de verzen 34.35 volgt; in 't bijzonder over v. 36.- Jaargang 37
- nummer 25
Was het eerste artikel goeddeels een herhaling van wat ik al eerder had gepubliceerd, wat ik nu ga schrijven berust op een onderzoek dat ik enige tijd geleden deed naar aanleiding van een vraag van een redactielid van dit blad. De resultaten daarvan onderbouwen eens te meer wat ik in eerster instantie reeds over de aansluiting van v. 36 op v. 33 gezegd had.
Aangehechte retorische vragen
We stoten in v. 36 op een zin van een speciaal type, nl. op een met 'of' beginnende retorische vraag. Zo'n zin heeft de vorm van een vraag; maar die vraag draagt een retorisch karakter; d.w.z.: de spreker (schrijver) zelf suggereert in zijn vraag al een bepaald antwoord. Het is dus niet een open vraag, waarvan het antwoord niet te voorspellen valt.
Een voorbeeld: als ik in een gezelschap van kinderen één de boventoon hoor voeren en de anderen hoor afbekken, dan kan ik vragen: "Ben jij hier soms de baas?" Dat is een retorische vraag. Ieder die mij dat hoort zeggen, begrijpt dat ik bedoel: "Jij bent hier niét de baas". Ik geef mijn terechtwijzing aan dat kind alleen maar een milde vorm. En dat met een bedoeling: ik wil, dat hij zelf zich bezint op een antwoord, en zo tot het besef komt: 0 nee, ik mag hier niet de baas spelen. Ik doe een beroep op een besef dat ik bij hem aanwezig acht, maar dat voor een ogenblik wat lijkt weggezakt te zijn.
Nu, dat zien we Paulus ook nogal eens doen. En niet Paulus alleen. We vinden dit soort vragen ook elders in het NT wel.
En het 'of, waarmee dit type vragen vaak begint, vormt de aanhechting aan het voorafgaande. Het legt de verbinding met wat de spreker (schrijver) vlak vóór deze vraag heeft beweerd". In zo'n met 'of beginnende retorische vraag brengt hij zijn overtuiging tot uitdrukking, dat zijn hoorders (lezers) de juistheid van zijn pas ingenomen standpunt ten diepste wel beseffen, ook al lijkt dit besef voor het moment wat verflauwd te zijn en een opfrisser nodig te hebben.
“..Of weten jullie niet...”
Dit laatste, dat hij om hen van de juistheid van een pas gedane uitlating te doordringen, appelleert op een bij hen aanwezig geacht besef, op iets wat zij naar zijn overtuiging wel moeten weten, komt meermalen al aanstonds hierin uit, dat hij dit soort vragen laat beginnen met de woorden "of weten jullie niet..". Zo'n vraag betekent immers in feite "jullie weten toch wel..."
Hij hoopt dan op de reactie "Ach ja, natuurlijk weten we dat. Goed dat u ons eraan herinnert. We dreigen het zo gemakkelijk te vergeten". We vinden deze aanvang bij Paulus maar liefst zes maal: Rom. 6, 3; 7, 1; 11,2; 1 Cor. 6, 2.16.19.
Daarmee gelijkwaardig is wat we in Mt. 26, 53 vinden: "Of denk je, dat Ik niet...". Ook dat betekent zoveel als: "Je weet toch wel, dat Ik...".
Woordelijke overeenstemming
De onmiddellijke aansluiting van de 'of-vraag bij het voorafgaande wordt in veel gevallen aanstonds zichtbaar, doordat de schrijver in de 'of-vraag woorden gebruikt die hij ook in de voorafgaande stelling had gebezigd: Rom. 6, 2 "... hoe zullen wij, die voor de zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen die in Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?"
In het Grieks is de overeenstemming nog duidelijker te zien: apethanomen/ thanaton. Beide woorden hebben dezelfde stam. Paulus stelt hier, dat wij voor de zonde gestorven zijn. Hij veronderstelt dat 'voor de zonde gestorven zijn' (waarop hij zijn appèl, niet langer in de zonde te leven, laat rusten) bij hen bekend.
Dat blijkt uit de 'of-zin die hij in v. 3 laat volgen. Hij zegt daarin: jullie weten toch, dat 'gedoopt zijn in Christus' betekent 'deel hebben aan zijn dood'? Wel, op die notie berustte zijn stelling van v. 2, zoals hij vervolgens nader uit de doeken doet: "wat die dood van Christus betreft: Hij is voor de zonde gestorven (v. 10)...Zo moet het ook voor jullie vaststaan, dat jullie dood bent voor de zonde..." (v. 11). 1 Cor. 6, 1 "Durft iemand van jullie, als hij een geschil heeft met den ander, zijn recht zoeken bij de onrechtvaardigen, en nièt bij de heiligen?" (N.B. Dit is dan zo'n geval, waarbij ook de bewering in de vorm van een suggestieve vraag is gegoten.) 2 "Of weten jullie niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen".
Opnieuw is in de werkwoorden de overeenstemming in het Grieks nog iets duidelijker dan in de Nederlandse vertaling: krinesthai (v. 1) / krinousin (v. 2).
1 Cor. 6, 15 "Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden van een hoer van te maken?" (Opnieuw een suggestieve vraag. Maar ditmaal gevolgd door een afwijzing: "Volstrekt niet!".) 16 "Of weten jullie niet, dat wie zich aan een hoer hecht, één lichaam met haar is?" Kort daarop krijgen we in hetzelfde hoofdstuk nog een derde 'of'-vraag:
18 "...door hoererij bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.
19 Of weten jullie niet, dat je lichaam een tempel is van den Heiligen Geest...?"
Nóg een voorbeeld uit deze zelfde brief: 1 Cor. 10, 21 "Jullie kunnen niet de beker van den Heer drinken én de beker van de boze geesten; jullie kunnen niet aan de tafel van den Heer deel hebben èn aan de tafel van de boze geesten.
22 Of willen wij den Heer tot naijver wekken?"
Ook bij Mattheüs vinden we een tweetal voorbeelden: Mt. 7, 8 "Want ieder die vraagt, krijgt (wat hij vraagt)...
9 Of wie is er onder jullie, die, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen zal geven?"
20, 14 " ... ik wil dezen laatste hetzelfde geven als u.
15 Of staat het mij niet vrij met het mijne te doen wat ik wil?"
Hier wordt bij den knecht niet alleen bekendheid, maar ook instemming verondersteld met de regel, dat je met je eigen bezit doen mag wat je wilt. En eenzelfde geval vinden we ook bij Paulus in Rom. 9, 20 "Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: 'Waarom hebt gij mij zo gemaakt?' ?" (Hier weer de stelling in een suggestieve vraag gegoten!)
21 "Of staat het den pottenbakker niet vrij uit dezelfde klomp klei het ene voorwerp te maken voor een fraaie bestemming, het andere voor een ordinaire?"
Zakelijke overeenstemming
In de tekst die we het laatst noemden is er natuurlijk inhoudelijk evenzeer overeenstemming tussen het 'vrijgemaakt' van 6, 22 en het 'ontslagen' van 7, 2, al zijn de woorden dan niet dezelfde (of althans van dezelfde stam).
Die gevallen doen zich meer voor, dat er niet een letterlijke overeenstemming bestaat tussen de stelling en de daarbij aansluitende retorische vraag, maar wel een zakelijke: Rom. 11, 2 "God heeft zijn volk niet van zich weggeduwd" (zo staat er eigenlijk).
3 "Of weten jullie niet, wat het schriftwoord zegt: ...
4 'Ik heb Mijzelf zevenduizend man doen overblijven' ...?"
Als de Heere zoveel mensen voor zichzelf doet overblijven, dan is dat zakelijk hetzelfde als dat Hij ze vasthoudt, ze dus niet van zich wegstoot.
2 Cor. 11,5 "Volgens mijn taxatie doe ik helemaal niet onder voor die apostelen van de bovenste plank...
7 Of heb ik een fout begaan door mijzelf te vernederen om jullie omhoog te krijgen?"
Weer zo'n typisch paulinische ironische opmerking. Ik meen, zo zegt hij, op dezelfde hoogte te staan als die andere apostelen. Of vinden jullie soms, dat ik aan 'hoogte' verloren heb door 'af te dalen' om jullie 'hogerop' te krijgen? Ne~ toch?
2. Cor. 13,5 "Neemt jullie zélf de proef maar eens af, of je in het geloof bent; toetst jezelf daarop maar eens. Of kunnen jullie niet vaststellen, dat Jezus in jullie is?"
'Toetsen, of je in het geloof bent' is zakelijk hetzelfde als 'vaststellen, dat Jezus Christus in je woont'.
Mt. 26, 52 "Breng je zwaard weer op zijn plaats...
53 Of denk je, dat ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, en Hij me dan niet meteen meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zal stellen?"
'Zwaard' en 'legioen' corresponderen op elkaar als wapen en wapendragers.
Terug naar 1 Cor. 14
Nu we het desbetreffende tekstmateriaal hebben onderzocht, kan het duidelijk zijn, hoe nauw en direct de aansluiting is van de met 'of' beginnende retorische vraag bij wat in het vlak voorafgaande is gesteld.
Dan vraag ik nu: ziet u zo'n aansluiting tussen de verzen 35 en 36 van 1 Cor. 14? Ik kan die met de beste wil niet vinden. Beoordeeld naar het doorgaand gebruik van dit type zinnen, is m.i. van v. 36 niet anders te zeggen, dan dat het op v. 35 slaat als een tang op een varken. Wèl echter is die te verwachten aansluiting er tussen de verzen 33 en 36. Niet in de woorden, maar wel zakelijk. Paulus had nl. van zijn voorschriften over de orde in de samenkomsten gezegd (v. 33b), dat hij het zo voorschreef in alle gemeenten der heiligen. Dáárbij sluit v. 36 aan met de vraag die zich inhoudelijk zó laat weergeven: "Of zijn jullie soms de moedergemeente? Of de énige dochtergemeente ?" Als één van die twee suggesties juist was, zouden ze nl. öt zich met recht kunnen permitteren zélf hun regels te stellen, öf zich om geen zustergemeenten behoeven te bekommeren.
Nu dat echter nièt zo is, dienen ze met alle gemeenten der heiligen in de pas te lopen.
Deze aansluiting tussen v. 33 en v. 36 lijkt mij evident. En ze is voor mij een dwingend argument voor de conclusie, dat v. 36 onmiddellijk na v. 33 hoort te staan. De verzen 34.35 horen hiertussen niet thuis. Ik weet wel, dat deze auteur soms een zinnetje inlast; zo b.v. een korte motivering, zoals we eerder in deze artikelen vonden 2.
Maar het aansnijden van een volkomen nieuw onderwerp, zoals VVo 34.35 behelzen, tussen twee steeds zó nauw aaneensluitende elementen in het betoog, als vv, 33b en 36 bevatten, acht ik ondenkbaar.
v.37
Nu ik na v. 33b ook v. 36 heb besproken, kom ik nog even terug op wat ik zei over de positie van de zin "zoals in alle gemeenten der heiligen". Ik wees erop, dat Paulus met een opmerking van dit type in deze brief voorafgaande verordeningen nogal eens afsluit. In de laatste door mij aangevoerde parallel, nl. 11, 16, vonden we daaraan nog toegevoegd een wat vinnige opmerking aan het adres van mensen die altijd hun eind vasthouden en zich niet willen schikken naar Paulus' instructies: "En als iemand meent toch zijn eind te moeten vasthouden: wij hebben zo'n gewoonte niet, en Gods gemeenten evenmin". M.a.w. als iemand dan eigenzinnig meent ánders te moeten doen, laat hij dan goed beseffen, dat hij tegen mijn voorschrift en tegen de orde in andere gemeenten ingaat. Nu, een soortgelijke opmerking treffen we ook hier aan het slot van 1 Cor. 14 aan. Alleen: wat in hoofdstuk 11 in één zin stond, is hier in hoofdstuk 14 over twee zinnen verdeeld. In v. 33b had de apostel van zijn in de vv . 27-33a gegeven verordeningen gezegd: "zo (schrijf ik dat voor) in alle gemeenten".
En dan volgt in v. 37/38: "Als iemand meent profeet of be-Geesterde te zijn, dan moet hij wel erkennen, dat wat ik schrijf een gebod is van den Heer. Mocht iemand dat niet erkennen, dan wordt hij niet erkend".
"Als iemand meent": men lette op de overeenkomst in aanhef met 11, 16. En hoe kortaf de apostel in de slotzin is, merkt men pas goed, als men het origineel leest: "ei de tis agnoei, agnoeital". Een schot voor de boeg! (Vgl. ook wat na 4, 17 volgt: vv . 18-21!!)
"Profeet of be-Geest-erde": voor het optreden van dié twee figuren in de gemeentelijke samenkomsten had Paulus in vv . 27-33a instructies gegeven. Dié pericoop sluit hij onmiskenbaar af met de verzen 33b. 36-38, op een soortgelijke manier als hij in 11'-16 een pericoop afsluit.
Uiteen vergelijking met 11, 16 blijkt dus nog eens ten overvloede, hoe nauw VVo 36-38 met v. 33b samenhangen.
De verzen 33b.36.37.38 vormen één ondeelbaar complex. De verzen 34.35 zijn daar als een 'Fremdkörper' tussen gedrongen.
De oorzaak van de verplaatsing
Wat de oorzaak is van de verplaatsing van de verzen 34.35? Daar kunnen we alleen maar naar gissen.
Opzet lijkt mij niet waarschijnlijk. (Daarom sprak ik ook van 'oorzaak', en niet van 'reden'.) Daaraan moet men trouwens in het algemeen niet te gauw denken, zou ik op grond van mijn ervaring willen zeggen. Zeker niet, als het gaat om langere stukken tekst 3. Zulke verplaatsingen zijn trouwens in 'normale' teksten tamelijk sporadisch. Vaker komen ze voor in scholia-teksen. Scholia zijn verklarende aantekeningen bij een oude tekst. En deze plegen in de marge te staan. (Deze lay-out is in onze Statenbijbel overgenomen uit de middeleeuwse handschriften.) In zulke scholia zijn nogal eens kortere verklarende aantekeningen die samen met de tekst - en dus eerder - waren afgeschreven, per ongeluk in de later daaromheen geschreven langere schol ia opgenomen en zo bij een volgend afschrift op een verkeerde plaats terecht gekomen.
(In de Scholia op Aristophanes' Lysistrata, die ik momenteel onderhanden heb, kom ik deze gevallen nog wel eens tegen; meermalen bij clusters, wat erop wijst, dat op een bepaalde bladzijde van het handschrift dat men overschreef, de lay-out - als ik dat 'dure' woord in dit verband mag gebruiken - aan duidelijkheid te wensen overliet.) In het algemeen kan men zeggen, dat het vóórkomen van een tekstgedeelte op een verkeerde plaats nog wel eens te wijten wil zijn aan de omstandigheid dat het desbetreffende tekstgedeelte in een eerder stadium in de marge heeft gestaan zonder dat duidelijk was aangegeven, op welke plaats het ingelast diende te worden. In dat geval kan het b.v. gaan om een gedeelte dat door een scriba bij het overschrijven van de tekst bij vergissing was weggelaten, maar later door hemzelf of door een corrector opzij van de tekstkolom was bijgeschreven 4. Maar eventueel ook wel om een latere toevoeging van den auteur. Dat laatste is, als het een brief betreft - zoals in het onderhavige geval - wel een van de meest aannemelijke oorzaken.
Als men nu bedenkt, hoe vv, 39.40 een generale conclusie uit-en een afronding van de pericoop over profeet en be-Geest-erde bevatten, dan lijkt het waarschijnlijk, dat Paulus bij het overlezen van zijn brief gemeend heeft over een ander punt - t.w. het optreden van de vrouw in de samenkomsten - nog iets te moeten toevoegen.
En dat zijn scriba dit in de marge heeft bijgeschreven, waarbij de verwijzing naar de plaats waar het hoorde aan duidelijkheid te wensen overliet 5. Maar nogmaals: wéten doen we hier niéts.
Het taaleigen en nóg eens het taaleigen
Ziedaar mijn inhoudelijke overwegingen, deels oud, deels nieuw (of op z'n minst verfijnd). Men zal hebben be bemerkt, dat ik met name aandacht schenk aan het taaleigen van een auteur, en dát vooral in rekening breng bij het maken van een keuze in een tekstkritisch probleem. En ik ben er vrijwel zeker van, dat dát in de onderhavige tekstkritische kwestie tot dusver nauwelijks is gewogen. Wellicht is het zelfs onvoldoende bekend geweest. (Ik ken bij lange na niet de hele Paulus-literatuur. Maar een feit is wel, dat ik in dit geval de zaken zélf heb uitgeplust). Ik zal ook niemand zijn onwetendheid op dit punt kwalijk nemen.
De verfijnde kennis van het taaleigen van een auteur verwerf je doorgaans pas in de loop van vele jaren. Ik moet zelf op dit punt nog elke dag leren. Van harte hoop ik, dat én ds. Moggré én onze diakenambtcommissie nog eens zorgvuldig kennis willen nemen van mijn in het bovenstaande breder ontvouwde inhoudelijke tekstkritische overwegingen.
Noten
1. Overigens kan die bewering op haar beurt ook weer de vorm hebben van een suggestieve vraag, zoals straks zal blijken.
2. Zie het vorige artikel, even boven de kop 'v. 33b inhoudelijk bekeken'.
3. Anders ligt het bij de frequentere verplaatsing van woorden binnen een zin. Ook daar is lang niet altijd opzet aanwezig. Een.overschrijver maakt ook onnadenkend van 'panta tauta' ('al dat') gemakkelijk 'tauta panta' ('dat al'); zo b.v. Mt. 19,20. En meermalen kan niemand achteraf met zekerheid zeggen, welke volgorde de oorspronkelijke is. Maar er zijn ook andere gevallen. In het handschrift C van Plato's Timaeus komt op de eerste 32 bladzijden Budé-tekst 16 maal een woordorde voor die afwijkt van die in de andere handschriften. Toen ik - als referent bij een promotie aan de VU - deze gevallen eens vergeleek, bleek, dat ze allemaal op één noemer zijn te brengen: opheffing van het zg. hyperbaton. Dan kan men niet anders denken dan dat hier opzet in het spel is; dat een redactor erop uit was een vereenvoudigde, voor leken beter leesbare, tekst te maken.
4. Ik kan het niet laten hier een geval te noemen, dat, ofschoon niet geheel gelijk aan het onderhavige, daarmee toch op een aantal punten overeenkomst vertoont. (Op mijn college Tekstkritiek en tekstgeschiedenis heb ik het nogal eens besproken.) In de pseudoplatonische dialoog Alcibiades I komt een passage van tien regels voor die in geen enkel handschrift te vinden is. Wij kennen die alleen uit de indirecte traditie (met name uit Stobaeus, een citatenverzamelaar uit de 5de eeuw na Chr.). Dat deze passage wel degelijk authentiek is, blijkt uit het feit dat er verderop in de dialoog naar terugverwezen wordt. Bij nader toezien blijkt hij echter bij Stobaeus op een verkeerde plaats te staan. Waar hij wél thuishoort, is met vrijwel 100% zekerheid vast te stellen op grond van de lijn van het betoog en de rhetorische structuur in de desbetreffende context.
Hier hebben we nu kennelijk het gevai. dat een stuk tekst bij het overschrijven per ongeluk werd overgeslagen. En op het exemplaar met déze lacune gaat heel onze handschriftelijke traditie terug! Naderhand zal iemand de lacune hebben opgemerkt en het ontbrekende gedeelte uit een ander - inmiddels verloren gegaan - handschrift in de marge hebben bijgeschreven. Toen van de zo aangevulde tekst opnieuw een copie werd gemaakt, isbij gebrek aan verwijsteken of door onduidelijke verwijzing - de bewuste passage op een verkeerde plaats in de tekst opgenomen. Waarom ik dit geval hier noem, zal duidelijk zijn.
1) Wie in het geval van deze Alcibiadespassage zich louter zou baseren op het uitwendige getuigenis, zou moeten besluiten het bewuste stuk niet in zijn tekstuitgave op te nemen. Immers: geen enkel handschrift heeft het overgeleverd. Een zwakker uitwendig getuigenis is nauwelijks denkbaar! Dáárbij vergeleken is in 1 Cor. 14 het getuigenis voor de positie van vv, 34.35 na v. 40 riant te noemen.
2) Hier is een duidelijk geval waarbij naar alle waarschijnlijkheid een verkeerde positie te wijten is aan invoeging in de tekst van een in een vroeger stadium in de marge bijgeschreven stuk.
3) De gang van het betoog en de retorische structuur van de context wijzen ook hier uit, wat de juiste plaats van het omstreden gedeelte is.
5 Heel voor de hand liggend zou de invoeging op de foutieve plaats zijn, als de bijgeschreven verzen niet in de smalle zij-, maar in de brede bovenmarge - 'in fastigio' heet dat in de vaktaal - waren toegevoegd op de pagina - of juister misschien: op de papyrusstrook - die met v. 36 begon. Een overschrijver heeft dan na het afschrijven van de 'pagina' die met v. 33 eindigde, van boven af aan de volgende 'pagina' afgeschreven, daarbij het verwijsteken bij vv . 34.35 over het hoofd ziende.