In gesprek (2)
1993-12-03
Het verhaal ging over tweetaligheid. De spreker kwam uit Brussel. Ik dacht een lezing te horen over kinderen die èn Frans èn Vlaams spreken. Daar ging het dus niet over, aankondiging verkeerd begrepen.- Jaargang 37
- nummer 25
Het verhaal ging over tweelingen. Een videoband liet zien en horen hoe sommige tweelingen hun eigen taal ontwikkelen.
Een taal met volledige zinnen, passend bij hun leeftijd, maar voor ons onbegrijpelijk. Opvallend was dat de beide jongetjes tegen hun moeder heel kinderlijk spraken. Dan waren ze geen 4,5 jaar, maar opeens maar 2,5 jaar...
De spreekster legde uit hoe dat nu kwam. In het dagelijkse 'verkeer' hebben jonge kinderen volwassenen nodig om zich de taal eigen te maken. Deze tweelingen waren zó op elkaar ingesteld, dat ze die volwassene niet nodig hadden. Ze waren wel met elkaar, maar veel minder met hun ouders in gesprek. Ze leerden een eigen kindertaal, maar liepen fors achter bij het leren van de taal van de volwassene. Het voorbeeld lijkt een beetje op wat er gebeurt in de christelijke opvoeding.
Kinderen hebben belangrijke, betekenisvolle volwassenen nodig om te ervaren wat het geloof betekent. In de eerste plaats zijn dat de ouders in het gezin. Daar ervaart het kind voor het eerst de 'intimiteit' van het geloof.
Er zijn ouders die denken dat ze bij de christelijke opvoeding nauwelijks een rol hoeven te spelen. Dat leren de kinderen later wel. We sturen ze naar een christelijke school, ze gaan straks naar catechisatie. Zulke kinderen maken een slechte start. Al in het begin van hun leven hebben ze geen 'gesprek' met hun ouders. Geen gesprek thuis, de opvoeding wordt gedelegeerd aan anderen; christelijke opvoeding wordt lesmateriaal. Deze kinderen lopen dus al vroeg in hun leven achter. Daar waar andere kinderen de christelijke 'nestgeur' als vanzelf meenemen, gaan deze kinderen alleen de wereld in. Met een achterstand. Het zal moeilijk zijn om ze later nog voldoende 'bij te praten'.