Een kerk ging stuk (II)

1993-02-26
  • Jaargang 37
  • nummer 5
Zo was dan in 1965 ds. Van der Ziel afgezet. Wat moeten we van dat oordeel zeggen? Ds. W.G. de Vries heeft in zijn boekje 'De vrijmaking in het vuur' het geduld geprezen dat de kerkeraad van Groningen-Zuid in de zaak tegen ds. Van der Ziel aan de dag heeft gelegd. Het is waar dat de kwestie lang heeft gesleept, maar dat is nog geen teken van geduld. De kernvraag is ook niet waarom het allemaal zo lang geduurd heeft, maar waarom ds. Van der Ziel moest worden afgezet.
Dat is gebeurd omdat hij met leden van de synodaal gereformeerde kerken in gesprek was, op zoek naar herstel van de eenheid. Je kunt zulke gesprekken nutteloos noemen, of onverstandig; je kunt zeggen dat ze de rust in de kerk niet bevorderen, en daarom gevaarlijk zijn.
Maar wie een dominee uit zijn ambt zet, verklaart hem onwaardig het evangelie te bedienen. Hij zegt niet dat de man wat lastig is, of dat er spanningen zijn tussen hem en zijn gemeente.
Dat kan in het ernstigste geval reden zijn het dienstverband tussen hem en die gemeente los te maken, maar afzetting is heel iets anders. Dat is niet een maatregel van wijs beleid of goede orde. Wie afgezet wordt, verliest zijn eer. Een predikant wordt afgezet, zegt de Dordtse kerkorde in artikel 80, om alle zonden die de bedrijver voor de wereld eerloos maken.
Het vrijgemaakte kerkboek laat die woorden in artikel 80 weg, maar dat verandert niets aan de ernst van de handeling. Ontzetting uit het ambt betekent verlies van eer en waardigheid.

De afzetting van ds. Van der Ziel was dan ook misbruik van kerkelijke macht.
De vraag is niet, schrijft ds. Van der Kwast (p. 48), of ds. Van der Ziel in alles wijs en recht gehandeld heeft. De vraag was of hij afgezet moest worden.
Wie de kerkorde ernstig neemt, kan daar moeilijk een bevestigend antwoord op geven.
In de vrijgemaakte kerken ontstond dan ook grote onrust. Een deel van de Groninger gemeenteleden bleef zich achter ds. Van der Ziel scharen, in de zogenaamde Tehuis-gemeente. Ze zochten steun bij hun kerkgenoten. Die oproep werd ook beantwoord. Vijfentwintig kerkleden, voor het grootste deel predikanten, lieten in oktober 1966 een Open Brief verschijnen, waarin zij de kant van de Tehuisgemeente kozen. Die brief heeft veel kritiek opgeroepen. Ook ds. Van der Kwast, zelf ondertekenaar, erkent dat een enkele term gelukkiger geformuleerd had kunnen worden. Ik denk niet dat het veel verschil gemaakt zou hebben. De indruk die dit boek ons geeft is dat de zaken al op scherp stonden.
De schrijvers waren nauw bij het conflict betrokken, en laten ons niet in twijfel over hun engagement. Het één zowel als het ander geldt eveneens voor het reeds genoemde geschrift van ds. De Vries. De posities die de twee boeken innemen verschillen radicaal. Maar beide laten dezelfde indruk achter: er was in 1966geen weg terug. De meerderheid wilde geen verzoening. Ze wilde zuivering. Het conflict werd niet bijgelegd, maar aangescherpt.
Beide boeken bevestigen dat met tal van voorbeelden. We beperken ons tot het belangrijkste: de gevolgen van de Open Brief.
Dat stuk heeft in de kerken veel bestrijding ondervonden. Maar bij geen enkele kerkelijke vergadering is een klacht in behandeling genomen tegen de ondertekenaars. Op de synode van Amersfoort echter verscheen in april 1967 één van de vijfentwintig, ds. Schoep van Amstelveen, als afgevaardigde van Noord-Holland. Met al de anderen betuigde hij bij de opening van de synode zijn instemming met de belijdenis. Maar toen kwamen de afgevaardigden van Drente met bezwaren.
Zij stelden voor ds. Schoep niet toe te laten, omdat hij de belijdenis der kerken had bestreden. Het bewijs daarvoor was de Open Brief.
Kan zo'n bezwaar ontvankelijk zijn?
Wie gelooft dat een predikant ontrouw geworden is, moet een klacht overleggen bij diens kerkeraad. Toen de synode in Amersfoort bijeenkwam, waren er sinds de publikatie van de Open Brief vijf maanden verstreken. Tegen geen van de vijfentwintig ondertekenaars is in die tijd enige actie ondernomen.
Ook de synode zelf had de Open Brief niet op de agenda staan.
Ze mocht dus niet anders doen dan de klacht terugwijzen, en Drente vragen zich te richten tot de kerkeraad van Amstelveen. Wat ze deed, was de klacht aanvaarden en ds. Schoep buiten sluiten.

Daarom zeggen we niet te veel, als we spreken van onwil tot verzoening. De meerderheid wilde de tegenstellingen binnen de kerken niet langer aanvaarden.
Ze was ook niet bereid tegen de predikanten van de minderheid op te treden naar de regels van de kerkorde.
Dat was geprobeerd met ds. Van der Ziel, en het had jaren geduurd. Nu moest er liever snel gewerkt worden.
Hoe dat gedaan is, hebben de schrijvers van dit nieuwe boek precies beschreven.
Het is een onthutsend verhaal.
Wel zelden zal kerkrecht in zulke zonderlinge kronkels gewrongen zijn.
Recht heette alles wat bij meerderheid van stemmen beslist was. Het is een beschamende episode in de geschiedenis van de gereformeerde gezindte.
Waarin ligt nu eigenlijk de grondfout van 1967? Er is in die tijd een zuivering uitgevoerd. Zo is het ook toen al gezegd, door de christelijke gereformeerde ds. J.H. Velema in de Wekker.
Hij zag zelfs weinig verschil met politieke processen in communistisch geregeerde landen. Dat gaat nogal ver, maar een vergelijking met de politieke sfeer dringt zich haast vanzelf aan ons op. Als er een revolutie heeft plaats gevonden, zien we dikwijls dat de revolutionairen vervallen in de fouten waar ze zelf tegen hebben gestreden. Ze hebben gevochten tegen onderdrukking en als ze gewonnen hebben, leggen ze ieder hardnekkig het zwijgen op, die hun mening niet wil delen. Het zijn dan juist hun vroegere medestrijders, die om een afwijkende opvatting als verraders van de revolutie terecht gesteld worden.
Dat patroon is in veel revoluties te herkennen. Er bestaat geen ijzeren noodzaak, die mensen dwingt zo te handelen. Ze behouden hun vrijheid te kiezen tussen goed en kwaad. Maar meestal zijn de omstandigheden de revolutionairen te machtig. Ze slagen er niet in weerstand te bieden aan het gevaar dat in de revolutie zelf besloten lag.
Een kerkscheuring is geen revolutie.
Als we in de politieke geschiedenis kunnen constateren, dat gelijke oorzaken gewoonlijk gelijke gevolgen hebben, en dat mensen zich niet aan de druk van de omstandigheden kunnen onttrekken, dan hoeft dat nog niet te gelden voor de kerk. Het mag zelfs niet. Geschiedenis gaat over zondige mensen. Wat we dan natuurlijke oorzaken en natuurlijke gevolgen plegen te noemen, zijn in werkelijkheid meestal de acties en reacties die onder invloed van de zonde plaats vinden. Als de keten van oorzaak en gevolg in de kerkgeschiedenis er net zo uit ziet als in de politieke geschiedenis, dan is dat een veeg teken. Dan zal ook daar de ene zonde de andere uitlokken.
Het was 'natuurlijk', dat de synodaal gereformeerde kerken na 1944 onder geen voorwaarde een nieuwe scheuring wilden. Daardoor misten ze de moed tot kiezen toen het er werkelijk op aan kwam, en hielden ze op belijdende kerk te zijn. Het was 'natuurlijk', dat de vrijgemaakten hun eenheid zouden zoeken in de gezamenlijk doorleefde vrijmaking. Zo werd een historisch feit tot geloofsartikel. En zo is het ook 'natuurlijk' dat de angst voor nieuwe bindingen de Nederlands gereformeerden huiverig maakt besluiten te nemen, die ook maar één kerklid onwelgevallig zouden kunnen zijn, waardoor ze de grenzen van de confessionele vrijheid soms zeer dicht benaderen.

Al deze ontwikkelingen zijn voorspelbaar geweest, en daarom bedenkelijk.
Een kerk moet over haar eigen scha duw heen kunnen springen. Als haar gedrag precies beantwoordt aan de verwachtingen van de wetenschap, dan is ze er waarschijnlijk niet in geslaagd, werkelijk kerk te zijn. Een kerk moet in staat zijn te ontsnappen aan sociologische wetmatigheden, zoals dat de afgescheidenen in 1854 is gelukt, toen ze braken met de zonde van de partijschap.

Kan 1854 een voorbeeld zijn? Kunnen de vrijgemaakten binnen en buiten verband de crisis van hun jeugd te boven komen? Ds. Van den Brink en ds. Van der Kwast halen aan het einde van hun boek met instemming een uitspraak van Schilder aan, gedaan in 1944: "het zal niet aan ons mogen liggen, als er één man of één vrouw of ook één kind buiten blijft, waarvan God zegt: het moet er binnen wezen" (p. 215). Ook ds. De Vries citeert Schilder, uit 1939: zou de hervormde kerk dè gereformeerde belijdenis ten volle aanvaarden, "dan zouden we dadelijk moeten samenleven", ook al gaven de hervormden geen oordeel over afscheiding en doleantie (p. 105). Als dat de geest is die beide kerken bezielt, dan is er werkelijk hoop.

Een christelijke, oecumenische hoop.
Dat is niet hetzelfde als hoog gespannen verwachting. Ds. De Vries voegt aan zijn Schilder-citaat dadelijk toe, dat aanvaarding van de belijdenis natuurlijk afwijzing van de Open Brief inhoudt. Zolang we zulke dingen zeggen, is het verleden ons nog te sterk.
We kunnen de geschiedenis echter ook niet wegpraten. Als ooit aan weerszijden het vertrouwen wordt hersteld, schrijft ds. Van den Brink (p. 228), dan "zou men het verleden aan de Here kunnen overlaten". Ja, dat kunnen we, zoals we het ook kunnen met de natuur, zonder dat we daarmee ontheven zijn van de zorg voor het milieu. De geschiedenis is ons niet gegeven om haar te vergeten. De heiligen die in den lande zijn, zijn de heerlijkheid in wie al mijn welbehagen is. Dat geldt van onze broeders en zusters nu, en even goed van de broeders en zusters in 1967, in 1944 en in 1854. We moeten van hen weten hoe ze hebben geleefd en geloofd, en hoe ze in het geloof hun keuzen hebben gedaan en hun beslissingen genomen.
Die keuzen hebben in 1967 verschild.
Ds. Van den Brink en ds. Van der Kwast leggen verantwoording af van de hunne. Ze doen dat overtuigend. De Nederlands gereformeerde, die dit boek gelezen heeft, weet waarom zijn kerk bestaat. Daarom moet hij het ook lezen. Als hij weet wat er gebeurd is, zal hij zich vervolgens kunnen afvragen of 1967 een definitieve breuk geweest is, dan wel een tijdelijk opgetrokken brug. Kiest hij voor het laatste, dan kan dit boek hem nog één ding leren. De kerk is stuk gegaan op haar onwil verschillen van mening te accepteren.
Ze kan alleen hersteld worden als we juist dat van elkaar willen aanvaarden, ook in de omgang met ons eigen verleden. Dan is deze tweede crisis der jeugd te overwinnen.

G. van den Brink en H.J. van der Kwast, Een kerk ging stuk. Relaas van de breuk die optrad binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in de jaren 1967-1974. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 1992, 245 pagina's, f 39,75

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief