'Jezus, wetende ... ' (2)

1993-03-12
  • Jaargang 37
  • nummer 6
Ik wil nog even verder spinnen aan de draad van mijn vorig artikel. AI was het alleen maar om een verschrikkelijke drukfout recht te zetten. Ik schreef over de godsverlating van Jezus op Golgota en laat me nu dat woord 'godsverlating' als 'godslastering' in de krant terecht gekomen zijn! Vierde kolom, tweede helft. Echt, ik schrok me wild. Men heeft het wel eens over een zet-duiveltje en men bedoelt daarmee dat het bij sommige drukfouten wel lijkt of de duvel ermee gespeeld heeft maar hier had ik zoiets van: Dit is het werk van de overste der boze geesten zelf. Stel je voor, Jezus in verband gebracht met blasfemie!
Gelukkig zal het zinsverband de lezer over deze reuze hindernis hebben heengeholpen, maar een ellendige fout was het wel.

De verzoeking
Maar goed, dat is natuurlijk niet de enige reden om met een vervolgartikel over hetzelfde onderwerp te komen.
We hadden het de vorige maal hoofdzakelijk over het verschil tussen Johannes en de andere evangelisten in de weergave van het lijdensbericht.
Mij schoten zo achteraf nog wat voorbeelden te binnen van hoe de vierde evangelist in onderscheiding van de anderen te werk gaat. De verzoeking in 'de hof ontbreekt bij hem, liet ik al zien. En ik wees in dat verband op een passage in hft. 12 waaruit blijkt dat Johannes van een verzoeking van Jezus eigenlijk niet wil weten. De gehoorzaamheid ten dode van de Heiland had voor hem iets vanzelfsprekends.
"Laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan", bidt Jezus volgens Matteüs, Markus en Lukas, maar bij Johannes lezen we (en dat is dan zo'n nagekomen plaats uit zijn evangelie waar ik nu mee kom): "De beker die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?" (Johannes 18 : 11). Ik omschrijf: Natuurlijk, ga Ik die drinken!
Nee-zeggen tegen iets dat de Vader Mij geeft? Dat kan toch niet? Geen sprake van! Mijns inziens vinden we hier bij Johannes opnieuw een zeer duidelijke toespeling op het door hem niet verhaalde verzoekingsgebeuren in de hof, vanwege dat woord 'beker'.
Vanwege ook de plaats waar Jezus het 'beker'-woord sprak: in diezelfde hof.
Maar Johannes laat daar een heel ander licht op vallen. Johannes' visie doet je denken aan de woorden van Gezang 398 : 3 van het Liedboek (oorspronkelijk van Dietrich Bonhoeffer): "En wilt Gij ons de bittre beker geven met gal gevuld tot aan de hoogste rand,ldan nemen wij hem dankbaar zonder beven aan uit uw goede, uw geliefde hand." Dit is wat Jezus volgens Johannes doet. Tussen haakjes: Ik was eens in een kerkdienst waarin de dominee geweldig stond af te geven op de bekende regels uit: 'Een vaste burcht': "Delf vrouwen kindren 't graf, neem goed en bloed ons af..."
Brallende taal noemde hij dat. Aan het eind van de dienst gaf hij (zonder erg, natuurlijk) dit lied van Bonhoeffer op.
Het couplet dat ik eruit citeerde doet mijns inziens voor die regels uit het Luther-lied niet onder. De bittere met gal gevulde beker dankbaar en zonder beven aannemen? Is dat niet een beetje teveel van het goede? Maar ja, Bonhoeffer is een heilige van onze tijd terwijl de reformator zijn heiligheid in het stukgezongen 31 oktober-lied allang verspeeld heeft. Hoe dat nu verder ook zij, wat Bonhoeftér ons daar in dat oudejaarsavond-lied laat zingen is voor ons gewone mensen wel heel hoog gegrepen. Maar Johannes zou zeggen: Voor de Eniggeboren Zoon van God niet! "De beker die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?"
En, zou Bonhoeffer toevoegen, als Hij het kan dan wij ook - door Zijn Geest. En dat is ook weer waar.

De Godsverlating
Voorts nog iets over de godsverlating van Jezus. De geweldig indrukwekkende beginregel uit Psalm 22 komen we in het lijdensverhaal van Johannes niet tegen. "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?", wij vangen het bij Johannes uit Jezus' mond niet op. Daaro.pwijzend de vorige keer vroeg ik aandacht voor Johannes 8 : 29 waar we lezen: "En die Mij gezonden heeft is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt". De godsverlating lijkt hier wel, zei ik toen, ontkend te worden en wel voor de hele duur van Jezus' dienst op aarde. Zonder daarvan terug te komen wil ik nu opmerken dat ik nog dichter bij huis had 'kunnen blijven. Ik hoefde niet eens zover terug te gaan in Johannes' beschrijving, want vlak vóór de ingang van zijn lijden horen we Jezus zeggen: "Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij" (Johannes 16 : 32). "De Vader is met Mij", de duidelijke suggestie die van dit woord uitgaat is dat de Here Jezus met dit parool, met dit adagium de lijdenstunnel is binnengetreden.
Wel verlaten door zijn leerlingen maar niet door zijn Vader. Dit sluit ook aan bij het nadrukkelijke gebruik dat Jezus in deze hoofdstukken maakt van het werkwoord 'blijven'. Jezus heeft het over "de Vader die in Mij blijft" (Johannes 14 : 10)en zegt tegen de leerlingen (en ons): "Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde" (Johannes 15: 10). Het is Jezus' gehoorzaamheid die Hem doet blijven in de liefde van de Vader. In deze duurzame aanwezigheid van God bij Hem is ook door het kruislijden geen gat geslagen want Jezus' gehoorzaamheid bereikte toen juist haar hoogtepunt.
De dorst Uitvoerig hebben we de vorige maal ook stil gestaan bij Jezus' kruiswoord "Het is volbracht". Ik wil nu aandacht vragen voor het kruiswoord dat daar bij Johannes aan vooraf gaat: "Mij dorst!" En let dan eens op hoe de vierde evangelist met dit woord van de Heiland omgaat. "Hierna zei Jezus, daar Hij wist dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: "Mij dorst!" Johannes heeft het bij de kijk die hij op het lijden van de Heer had klaarblijkelijk moeilijk gevonden om toe te geven dat de Zoon van God aan zoiets als dorst geleden zou hebben. Dorst hebben betekende immers in dit verband voor Jezus: Nu móet ik water drinken anders krijg ik het werk niet gedaan. En zo'n afhankelijkheid van de lichamelijke funkties kun je je toch bij de Zoon van God niet voorstellen. Had Jezus toen men Hem eens aanspoorde iets te gebruiken (..rabbi. eet!") soms niet gezegd dat Hij genoeg had aan een spijs waarvan de leerlingen niet wisten? Te weten: het doen van de wil van zijn Vader (Johannes 4 : 31 - 34)? Behalve voor eten gold dat toch ook voor drinken?
Vandaar dat Johannes het zo voorstelt dat toen Jezus dat woord over zijn dorst sprak het werk al gedaan wás. Er bestond derhalve voor Hem geen noodzaak meer om water te drinken.
Toch reikte de traditie Johannes dat gegeven over die dorst van de Meester aan. Nu. heeft de evangelist overwogen.
dan moet de reden waarom de Here dat gezegd heeft deze geweest zijn dat Hij de Schrift wilde vervullen.
Want die heeft het in sommige psalmen over de dorst van de Gode welgevallige lijder (Psalm 63 : 2; 69 : 22). De enige reden waarom de Here ..Mij dorst!" riep was dus ..opdat de Schrift vervuld zou worden". Eerlijk gezegd.
dit komt bij ons niet sympathiek over.
Alsof de Here aan het kruis onaandoenlijk een program afwerkte of een draaiboek afwikkelde. Die dorst zal toch wel echt geweest zijn? Echt en ondraaglijk? Had Johannes als hij het met dit onderdeel van het lijdensverhaal moeilijk had het maar niet beter weg kunnen laten. zoals hij dat met de verzoekingsscène gedaan heeft. Hij hoefde het toch in zijn verhaal niet op te nemen? Hij heeft wel meer laten liggen. Hij ging kiezend te werk. zoals iedere schrijver dat doet. Maar Johannes.
moeten wij verstaan. heeft vóór alles Gód in Jezus aan het werk gezien.
Dat heeft hij zo duidelijk mogelijk in het licht willen stellen.

Jezus· gebed
We kunnen dit ook nog illustreren met behulp van het gebedsleven van Jezus.
Een wel heel gevoelig punt. Johannes bericht ons dat Jezus alvorens Lazarus uit de doden op te wekken eerst een gebed heeft opgezonden. Je verwacht dan. dit lezende. een gebed onder ogen te krijgen waarin de Here vraagt of God Hem de macht en de kracht wil geven om dit wonderteken te verrichten. Bidden is immers een gebaar van afhankelijkheid. wie bidt komt voor God met lege handen. Hoe zag nu volgens Johannes dit gebed van Jezus eruit? Aldus: ..Vader. Ik dank U. dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik. dat Gij Mij altijd verhoort. maar terwille van de schare die rondom Mij staat. heb Ik gesproken. opdat zij geloven dat Gij Mij gezonden hebt" (Johannes 11 : 41/2). Hier lijkt het alsof de werkelijkheid van wat bidden eigenlijk is.wordt aangetast. Jezus vraagt niet echt. dat hoeft Hij niet als Zoon van de Vader. Hij dankt slechts voor de verhoring en het is alleen maar terwille van de schare rondom dat Hij de vraaghouding aanneemt en het gebed uitspreekt.
Maar is dit nog wel bidden?
Heel scherp gezegd: Christus lijkt zich met dit gebed ..aan de mensen te vertonen"
- geheel tegen de strekking van zijn eigen gebedsonderwijs in (Matteüs 6 : 5). De biddende Jezus lijkt zo wel door een muur van ons gescheiden.
Dit is j:?ijnlijk. Juist wat het bidden betreft zouden we Jezus zo graag als onzer èèn in de kring willen hebben. bat wordt ons niet gegund. De drie synoptische evangelies verhullen dat enigszins. Zij volstaan met te laten doorschemeren dat Jezus nooit met zijn discipelen samen gebeden heeft.
nooit zelfs van ..onze Vader" gesproken heeft. Altijd had Hij het over ..uw Vader" ... Gij nu. bidt aldus ..;". heet het bij Matteüs en via Lukas horen horen we de Meester zeggen: ..Wanneer gij bidt. zegt... ..... Wanneer gij bidt".
nooit: Laat ons bidden. Nergens zien we Jezus met de jongeren verenigd in gebed. Hij trok zich voor zijn bidden steeds in de eenzaamheid terug. Dat alles wijst op onderscheid en afstand tussen Jezus en ~ijn leerlingen. al maak je dat bij de synoptische evangelisten meer op dan dat het met zoveel woorden gezegd wordt. laat staan benadrukt. Het is nu echter weer Johannes die wat bij de anderen aanduidenderwijs naar voren komt expliciet maakt. Dat ontbreken van ..onze Vader"
in Jezus' mond scherpt hij aan door de Heiland te laten spreken van ..mijn Vader en uw Vader. mijn God en uw God" (Johannes 20 : 17). En terecht.
dat uiteenhalen bij Johannes van Jezus en de zijnen op dit punt. Dat wordt begrijpelijk en aannemelijk als je de toon van Jezus' bidden volgens Johannes op je in laat werken. Dat is een spreken tot God op voet van gelijkheid geweest: ..Vader. Ik wil. ....
(Johannes 17 : 24). Hoe anders klinkt dat dan het gebed van Jezus in de hof ..Vader .... niet gelijk Ik wil. maar gelijk Gij wilt". Met dit laatste gebed (bij de anderen en weer niet bij Johannes overgeleverd!) is Jezus heel dicht bij ons. Weliswaar een steenworp van ons vandaan maar toch na. Johannes evenwel ziet Jezus van God uit (als ik dat tenminste zo zeggen kan) en laat duidelijk merken dat Hij als de Eniggeborene van de Vader een onmededeelbaar gebedsleven heeft gekend. Wij bidden dan ook niet samen met Hem maar we vragen de Vader in zijn naam (Johannes 16 : 23/4).

Tot zover nog wat ondersteunende teksten bij het artikel van de vorige week. Deels door mijzelf gevonden.
deels door anderen mij aangereikt.

lets heel anders
Ik zie dat ik nog wat ruimte over heb en gebruik die voor een opmerking van geheel andere aard. Onlangs mij voorbereidend op de katechisatie-Ies raadpleegde ik de Heidelberger zoals die tegenwoordig in het Gereformeerde Kerkboek van de vrijgemaakten staat. Het ging over onze menselijke verdorvenheid en we lezen daarover in de moderne versie van antwoord 5 dat wij er naar onze aard op uit zijn God en de naaste te haten. Ook bij vraag 8 staat: ..Maar zijn we zo verdorven. dat we helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?". waarop het antwoord luidt: ..Ja Het vroegere ..geneigd zijn tot alle kwaad" is hier dus geworden tot een ..uit zijn op elk kwaad" (zie ook bij antwoord 60). Ik vraag me af of dat een verbetering is... Ergens op uit zijn" is een zaak van opzet. Daar zit een geneigdheid achter maar in plaats van die te bedwingen gaat men erop in en volgt men haar bewust. Wanneer ik voorbij een boekhandel kom heb ik de neiging naar binnen te stappen. Gelukkig geef ik daar niet altijd aan toe. Nog minder ben ik erop uit boekhandelaren met mijn bezoek te vereren. Zo staat het ook met alle overige kwaad. Ik heb er de neiging toe. Láng niet altijd bewust.
natuurlijk. maar in situaties van bekoring merk ik dat op. En dan komt de strijd om die neiging te bedwingen welk gevecht (te) vaak maar gelukkig toch niet altijd verloren wordt. Gods weerhoudende krachten zijn er ook nog! Bij de gelovigen maar ook bij de niet-gelovigen. Als het echt waar was dat wij mensen uit zijn op haat en alle kwaad dan zou er geen menselijk samenleven meer mogelijk zijn. We hebben hier dan ook te doen met een onzinnig ver doorgedreven zondeleer waarin zelfs geen plaats meer is voor ..enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht". die in de Dordtse Leerregels de natuurlijke mens nog gelaten wordt (lil/IV. par. 4). Jammer.
want we worden door mensen als Aleid Schilder nogal aan de tand gevoeld over onze belijdenis op dit punt.
We moeten haar humanistisch optimisme niet door onjuiste overdrijvingen in de kaart spelen. Hoe moet dat nu. vroeg ik me af. met de ondertekening van de Drie Formulieren van Enigheid? Onderschrijven de vrijgemaakte predikanten deze dwaalleer werkelijk met hun handtekening? Of ziet men af van letterlijke binding en behelpt men zich met 'geest en hoofdzaak'?
Dat zou niet eens kunnen. want het gaat hier om een hoofdzaak. Ach.
het is mijn probleem niet. dat weten de lezers wel van mij, maar zo vaak van ontrouw aan de belijdenis beschuldigd heb ik er wel een beetje lol in mijn vrijgemaakte broeders een koekje van eigen deeg te presenteren. Alles in het gemoedelijke. hoor. maar met enige fantasie zou je deze nieuwe vertaling een 'aanranding van de Belijdenis' kunnen noemen. Ergens toe geneigd zijn is nu eenmaal fundamenteel iets anders dan ergens op uit zijn. Zo'n vergissing en dat op zo'n belangrijk punt. foei! Of zou dit ook een drukfout zijn?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief