Een konkreet punt van kritiek op de belijdenis

1993-03-26
  • Jaargang 37
  • nummer 7
De vorige maal ben ik geëindigd met een opmerking over een vertalingsfout in de nieuwe Katechismus-tekst zoals die voorkomt in het Gereformeerde Kerkboek van de vrijgemaakten. "Geneigd tot alle kwaad" was daar tot "uit op elk kwaad" geworden, wat natuurlijk iets heel anders is. Later las ik dat deze fout ook overgenomen is in de selektie-bundel die in opdracht van de Nederlands Gereformeerde kerk van Zaandam is uitgegeven en onder ons ook wel gebruikt wordt. Mijn kritiek raakte dus indirekt ook onszelf. Ik wilde dit keer een beetje in de sfeer van de belijdenis blijven, nu niet zoals die in moderne vertalingen tot ons komt maar zoals ze van ouds onder ons gegold~n heeft. Ook nu gaat het weer om iets waarop ik bij de voorbereiding van de Katechismus-preek gestuit ben, om een konkreet punt van de Heidelberger waarop ik kritiek heb.
Het betreft de uitleg die in zondag 36 gegeven wordt van het derde gebod, het ijdel gebruik van de naam des Heren, en dan met name wat er staat in vraag en antwoord 100. Is wat daar gezegd wordt wel houdbaar, is mijn vraag. We lezen: "Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?
Antwoord: "Ja, gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering zijns Naams; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft". In de eerste plaats: Is het waar, kun je dat zeggen, dat God ook nu nog de doodstraf vordert op de godslastering?
Wijselijk zegt de Katechismus er niet bij wie dat dan wel zou moeten doen.
Je denkt natuurlijk aan de overheid.
Bij het weren van de doodslag is dat voor de Katechismus ook geen probleem geweest: "... waarom ook de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren" (antw. 105). Maar dat staat hier niet. Heeft de HeideIberger misschien geaarzeld om de overheden met het heikele probleem van bijvoorbeeld het ketter-doden op te zadelen? Ketterij kon onder omstandigheden onder de blasfemie vallen.
Denk maar aan het geval van Servet in Genève. Je zoekt het veel te ver, zegt iemand misschien, de Katechismus heeft met die verwijzing naar Levitikus 24: 16 ("wie de Naam des HEREN lastert zal zeker ter dood gebracht worden...") niet meer willen doen dan de ernst van de zonde van godslastering onderstrepen. Dat zou kunnen.
Maar zou je dan niet achter of in plaats van het woordje 'ook' ("... waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft") een woordje als 'voormaals' (= vroeger) mogen verwachten?
Zoals bijvoorbeeld het Doopsformulier dat heeft: "Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden".
Duidelijk zou dan zijn dat de Katechismus het met zijn herinnering aan de tekst uit Levitikus niet over vandaag heeft, zelfs niet over zijn eigen tijd.
Maar dat de Katechismus het zo bedoeld heeft, blijkt uit zijn woordkeus niet. Zoals het er staat wil hij inderdaad zeggen dat de godslasteraar met de doodstraf achtervolgd moet worden.
De nieuwe vertaling van de vrijgemaakten heeft terecht: "Daarom heeft Hij op deze zonde de doodstraf gesteld". Welnu, daar kunnen we het als nieuwtestamentische christenen onmogelijk mee eens zijn. Dat moge onder de oude bedeling gegolden hebben, in de nieuwe bedeling bestrijden we de godslastering met geestelijke wapens. Ik zou er vrede mee kunnen hebben als er stond: "Daarom heeft Hij eertijds op deze zonde de doodstraf gesteld", maar helaas, zo hebben noch de oorspronkelijke tekst noch de moderne vertaling het.

Tegen de frustratie
Maar er is meer. Is zo'n aparte vraag en antwoord terzake van de medeplichtigheid bij de godslastering überhaupt wel te verantwoorden? Die krijgt zo wel een erg grote nadruk. Er wàs in antwoord 99 toch al gezegd dat we ons door ons stilzwijgen en toezien aan die zonde niet medeplichtig mogen maken? Is vraag en antwoord 100 niet teveel van het goede? Ik wil de Bond tegen het vloeken geen wind uit de zeilen nemen (integendeel!), maar voel er anderzijds ook niets voor onze gewetens te zwaar te laten belasten.
Er is veel gevloek en getier waar we beter niets tegen kunnen ondernemen omdat alles wat je ervan zegt en ertegen doet de zaak alleen nog maar gekker maakt. Toch voelen christenen zich daartoe verplicht, ook wel vanwege het onderwijs dat hier in zondag 36 gegeven wordt. Het gevolg is frustratie omdat je er voor je gevoel steeds te weinig tegen doet. Wat de Bond tegen het vloeken doet is goed: werken aan het kuis houden van de taal in het algemeen, dus afgezien van de konkrete situatie waarin (meestal in kwaadheid) gevloekt wordt, maar meer lijkt mij wat het publieke leven betreft niet mogelijk.

Levitikus 5 : 1
Maar als de Here God ons dat weren en verbieden nu eens in zijn eigen Woord gebiedt? Inderdaad, dat heeft de Katechismus gemeend. En daarvoor heeft hij zich beroepen op een paar Schriftplaatsen waar ik het in dit artikel vooral over zou willen hebben, te weten Levitikus 5 : 1 en Spreuken 29: 24. Valt uit deze bijbelteksten werkelijk die bedoelde medeplichtigheid af te leiden? Bedreigt de Here God ons daar echt met zijn toorn in geval wij er niets van zeggen of er niets tegen doen wanneer in onze direkte omgeving gevloekt wordt? Laten we eens zien. In Levitikus 5 : 1 lezen we: "Wanneer iemand zondigt, in geval hij een overluid gesproken vervloeking hoort en getuige is, hetzij hij het zelf gehoord heeft of het te weten gekomen is, dan draagt hij, indien hij het niet aanbrengt, zijn ongerechtigheid". De konklusie die de Katechismus hieruit getrokken heeft lijkt onvermijdelijk: Je mag op straffe van het dragen van je ongerechtigheid (wat toornontlading van Gods zijde impliceert) niet werkeloos toezien wanneer je getuige bent van een knetterende vloek. Toch is iets anders bedoeld. Dat blijkt eigenlijk al uit het woord 'vervloeking' dat onze vertaling hier gebruikt. Niet 'vloek' of 'vloekwoord' maar 'vervloeking'. Het gaat hier over wat ik zou willen noemen een 'vliegende (= niet geadresseerde) bezwering'. Stel je voor: Iemand mist iets dat bij hem weggestolen is. Hij heeft er geen vermoeden van wie het gedaan heeft. Er is geen serieuze verdachte die hij door de rechter onder ede kan laten verklaren dat hij onschuldig is (zie bijvoorbeeld Exodus 22 : 8).In dat geval kan hij blindelings een bezwering lozen die de onbekende dief moet treffen: Vervloekt hij of zij die dit of dat bij mij heeft weggepakt! Nu staat daar iemand bij die meer van de zaak afweet.
De wetstekst noemt hem een getuige en preciseert vervolgens dat begrip: "hij heeft het gezien of hij weet ervan".
Wat gezien of geweten? Wel, die diefstal. Uit onze vertaling blijkt dat laatste niet. Die heeft dat 'zien' van de grondtekst - ongelofelijk eigenlijk gewoon in 'horen' veranderd: "hetzij hij het zelf gehoord heeft of te weten gekomen is". Onze vertaling heeft hierbij namelijk aan die vloek van zoëven gedacht. Die kon natuurlijk niet gezien, alleen maar gehoord worden.
Vandaar die verandering van zien in horen. Maar een ernstige vergissing was het wel. Onder invloed misschien van de Katechismus-uitleg? Hoe dat ook zij, het 'zien' (en het 'weten' of 'te weten komen') heeft betrekking op het feit van de diefstal naar aanleiding waarvan de vervloeking uitgesproken was. Die getuige echter van zoëven, die meer van de zaak afweet, zwijgt en brengt de zaak niet aan. Dat neemt de wetgever hem kwalijk; de man blokkeert de rechtsgang en zal daarom zijn ongerechtigheid dragen. Zeker heeft zijn zonde ook iets te maken met het derde gebod (want wat hem betreft is hij er schuldig aan dat de heilige Naam ijdel klinkt), maar niet in de zin waarin de Katechismus dat bedoelt.
De vloek of vervloeking is hier immers geen zonde die tegengegaan moet worden maar een geoorloofd rechtsmiddel.
Ik stel als vertaling van de tekst van Levitikus 5 : 1 het volgende voor: "Wanneer iemand (in die zin) zondigt dat hij een hardop uitgesproken vervloeking heeft gehoord en (van het misdrijf naar aanleiding waarvan' die vervloeking is uitgesproken) getuige is: öt hij heeft het gezien of hij draagt er (op andere wijze) kennis van, - dan zal hij. tenzij hij (de zaak) meldt, zijn ongerechtigheid dragen."
Dat staat er letterlijk. En nu een beetje gestroomlijnd: "Wanneer iemand in die zin zondigt dat hij op het horen van een vervloeking ten aanzien van een misdrijf waarvan hij door eigen zien of door andersoortig weten getuige is, geen aangifte doet, dan is hij daarvoor persoonlijk verantwoordelijk."

Richteren 17 : 1 en 2
Ter illustratie van deze uitleg kan ik wijzen op een passage uit één van de verhalende gedeeltes van het Oude Testament. Daar zien we de zaak in de praktijk zich afspelen. We lezen in het begin van Richteren 17: "Er was een man uit het gebergte van Efraïm, Micha genaamd, Deze zeide tot zijn moeder: De elfhonderd zilverstukken, die u ontvreemd zijn en om welke gij een vervloeking geuit en ook te mijnen aanhoren uitgesproken hebt - zie, dat geld is in mijn bezit, ik had het weggenomen.
En zijn moeder zeide: Gezegend zij mijn zoon door de HERE!" In al z'n kortheid is dit een opmerkelijk bericht. De bestolen moeder van welke hier sprake is heeft, zo blijkt hier, gebruik gemaakt van het middel van de 'vliegende bezwering' om de onbekende dief te vinden. De zoon die weet hoe de vork aan de steel zit heeft erbij gestaan toen zijn moeder de vervloeking uitsprak en heeft aanvankelijk zijn mond niet opengedaan, Maar naderhand is het vervloekingswoord van zijn moeder dat niet meer een vreemde· dader maar (weet hij) hemzelf moet treffen zwaar op zijn geweten gaan drukken, Of is het niet eens gewetenspijn en is het alleen maar angst voor de gevolgen van de vloek die hem drijft? Hoe dat ook zij. hij legt in een later stadium een volledige bekentenis af. Daarop spreekt de moeder een formule uit die de geuite vloek moet neutraliseren: Gezegend zij mijn zoon door de HERE!De afgeschoten raket van de vloek moet namelijk door deze zegen-satelliet achtervolgd en vernietigd worden, anders kan de verwoestende kracht van de bezwering toch nog op de zoon neerkomen. We moeten dus in die laatste woorden van de moeder niet teveel vreugde om de morele hoogstand van haar kind horen.
Haar woorden zijn vanwege de gevolgde procedure onmisbaar.

Spreuken 29 : 24
Dan is er nog een tekst uit Spreuken die door de Katechismus wordt aangehaald. (Die uit Richteren was de Heidelberger niet in hetoog gevallen. Hij stond daar in dit verband niet open voor, moeten we zeggen.) Het gaat om Spreuken 29 : 24 waar staat: "Wie met een dief deelt, haat zichzelf; al hoort hij de vloek, toch geeft hij de zaak niet aan". Deze spreuk wordt begrijpelijk tegen de achtergrond van de uitleg die we van de vorige teksten gegeven hebben. Voor de zaak echter die de Katechismus in antwoord 100 bepleit is het een schriftaanhaling op de klank af. Ook hier bij Salomo immers gaat het weer niet om een godslastering die om een korrigerend optreden vraagt maar om een geoorloofde vervloeking die in vroeger tijd in netelige gevallen de rechtsvinding diende.
Bovendien geldt het vermelde 'aangeven' niet het vloekwoord maar de zaak naar aanleiding waarvan het vervloekingswoord is uitgesproken. Men stelle zich voor: Iemand is bestolen en loost een vliegende bezwering om de dader op het spoor te komen. Deze vervloeking wordt aangehoord door een persoon die met de dief gemene zaak heeft gemaakt. De spreuk ziet hierin voor deze medeplichtige een kans gelegen om zich alsnog van de dwaling zijns wegs te bekeren. Maar niets hoor, deze mens hoort de vloek en toch geeft hij de zaak niet aan. De stommeling! Dat is toch een handelen uit zelfhaat? Hij trekt zo toch de vervulling van de vloek over zich heen? Dat hij op deze manier ook de rechtsgang belemmert blijft hier buiten beschouwing.
Alleen dat hij er zichzelf mee benadeelt krijgt aandacht.

Geen onnodig zware lasten
We moeten konkluderen dat onze Katechismus in zijn schriftbewijs voor vraag en antwoord 100 niet geslaagd is. Daarmee valt de bodem onder nummertje honderd van de Heidelberger weg. Natuurlijk blijft recht overeind staan dat wij naar vermogen het vloeken en zweren in de samenleving zullen helpen weren en verbieden, al zijn onze middelen daartoe vandaag de dag uiterst beperkt. Maar die verplichting staat in antwoord 99 al genoegzaam aangegeven. Haar nog eens extra, met een aparte vraag en antwoord, aanscherpen zonder dat de Schrift daar aanleiding toegeeft kan alleen maar leiden tot een onterecht schuldgevoel en alle vervelende frustraties vandien. Nog afgezien dat we onze overheid, of laten we zeggen: de christen-politici, in de grootste verlegenheid brengen. Dus schrappen we in gedachte dit onderdeel van de Katechismus.
Zeker, we laten het staan, je kunt niet zo maar aan historische teksten gaan zitten knoeien, maar eraan gebonden voelen we ons niet. Niet uit veranderingszucht maar uit pastorale overwegingen trekken we deze konklusie, gedachtig aan het woord van de Heiland tot de gemeente van Thyatira: "Ik leg u geen andere last op" (Openbaring 2 : 24). Ook in het evangelie heeft Hij ons gewaarschuwd de mensen 'geen onnodig zware lasten op te leggen (Matteüs 23 : 4). Dat zou de gelovigen maar frustreren.

Een gravamen?
Ja maar, wacht eens even, zijn we nu op grond van onze bevindingen niet verplicht een gravamen tegen de belijdenis in te dienen? Een beargumenteerd voorstel tot verbetering van de belijdenis-tekst? Ik geloof er niets van.
Dat gaat uit van een juridische binding aan de belijdenis die we mijns inziens achter ons moeten laten. Stel je voor, volgens deze juridische binding zou het zelfs ongeoorloofd zijn om zulke bevindingen als waar ik nu mee kom in de krant te zetten. Ze zouden dan eerst door een synode of landelijke vergadering overgenomen moeten zijn. Dat kan vandaag de dag toch niemand in ernst menen. Op de synode van 1905heeft men een hele passage (de zogenaamde 21 woorden) uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis geschrapt. Ten gevolge van zo'n gravamen. Geen misverstand nu, het was natuurlijk terecht dat men zich aan die woorden niet langer gebonden achtte. Wat dat betreft is de schaar van die synode nog te sparend geweest. Dat zal zelfs het GPV moeten toegeven zoals ik al eens eerder in ons blad geschreven heb. Wij kunnen (om maar iets te noemen) niet het recht op godsdienstvrijheid voor de moslim bepleiten en tegelijk aan de formulering van de overheidstaak in dat artikel 36 (ook in de bekorting van 1905)vasthouden. Maar die passage uit dat artikel schrappen, dat kon volgens mij toch niet. De belijdenisgeschriften zijn historische geschriften.
Dat geldt niet van de religie die erin beleden wordt. Die is van alle tijden.
Maar de bewoording, de vormgeving, en tot op zekere hoogte ook de probleemstellingen en de uitwerkingen in detail, ja die zijn van toen en daar.
Daar moet je rustig over kunnen praten.
Op het gesprek daarover een juridisch embargo leggen, het is de dood in de pot. Ik weet wel dat je daarmee risiko's neemt. Je kunt zo veel moeilijker vaststellen wat kan in de kerk en wat niet. Maar het juridisch uitsluiten van dat risiko gaat toch te ver. De nadelen zijn te groot. God heeft ons zijn Woord gegeven dat een geweldig lange periode bestrijkt. Dat maakt het ons mogelijk om in de Schrift konstanten en variabelen op te merken. We kunnen weten (en weten ook eigenlijk wel) wat ertoe doet en wat er minder toe doet, wat blijvend is en wat aan verandering onderhevig. In het algemeen gesproken geven de belijdenisgeschriften van het belangrijkste een bruikbare samenvatting. Zo bruikbaar dat je er cordialiter je handtekening onder kunt zetten. Maar die handtekening juridisch sluitend en uitsluitend maken, daar zijn teveel ongelukken mee gebeurd zoals ik uit eigen ervaring kan getuigen. Ik heb ooit het Dordtse ondertekeningsformulier onderschreven. Het is me noodlottig geworden. Bekrompenheid kreeg daar greep op. Ik ben toen door die wet voor die wet gestorven (vergelijk Galaten 2 : 19). Ik doe er niet meer aan mee. Maar een beargumenteerd gesprek voeren over de dingen die ik schrijf of zeg, ach, dat is natuurlijk nooit weg. Eerst samen zullen we verstaan. Samen met alle heiligen, zegt Paulus (Efeziërs 3 : 18).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief