De schuld aan Jezus' terechtstelling
1993-04-09
In de dagen rond en op Goede Vrijdag was het in de achter ons liggende eeuwen voor de verstrooid levende joden in het christelijke Europa een gevaarlijke tijd. Niet zelden brak.- Jaargang 37
- nummer 8
juist op de sterfdag van de Heiland voor hen een pogrom of vervolging los. Christenen die de dood des Heren gedachten zetten dan Jezus' bloed betaald aan hen die het eertijds vergoten hadden. Dat aan die dood van onze Heer behalve de joden van destijds ook de toenmalige niet-joodse overheid medeplichtig was geweest scheen niet in hen op te komen - de woorden van het Credo "die geleden heeft onder Pontius Pilatus" ten spijt.
Nee, uitgerekend de joden moesten het ontgelden.
Dit wordt heden ten dage terecht ingezien als schuld. Dit misplaatste gedoe heeft immers bijgedragen tot de vreselijke holocaust van onze dagen. Begrijpelijk maar niet terecht evenwel is het dat men nu vandaag wel eens in het andere uiterste vervalt en alle schuld aan Jezus' dood op Pilatus en de zijnen laat neerkomen. En zo is er vandaag diskussie over de vraag wie de grootste schuld draagt aan de terechtstelling van Jezus: de joden of de niet-joodse Romeinen.
Die diskussie vindt plaats tussen christenen onderling, niet tussen christenen en joden zoals je misschien zou verwachten. De joden zelf zijn hier niet in geïnteresseerd.
De Bijbel partijdig?
Wat óns nu vooral interesseert is dat men in dit verband ook wel eens aan de bijbel verwijten maakt. Is het Nieuwe Testament zelf niet begonnen met de hetze tegen het joodse volk?
De opgeworpen vraag van zoëven wie of er het meest schuldig is, wordt die er niet partijdig in beantwoord? Op (minstens) twee uitspraken valt in dit verband te wijzen. De evangelist Johannes bericht dat Christus bij het verhoor voor Pilatus tegen de stadhouder gezegd heeft: ..... daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde" (Johannes 19: 11).
Duidelijk toch in welke richting hier de beschuldigende vinger gaat?
En dan Petrus die in zijn toespraak tot het joodse volk naar aanleiding van de genezing van de verlamde, komt op te merken: "(Jezus) die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde dat men Hem moest loslaten" (Handelingen 3 : 13). Ook dit is een oordeel dat voor Pilatus enigszins verschonend uitvalt. Iets minder duidelijk dan zoëven, maar toch. Deze bijbelplaatsen staan niet op zichzelf. Je krijgt inderdaad de indruk uit alle evangelieberichten dat Pilatus meer vrij uit gaat dan de joodse raad.
Niet meer of minder maar anders
Maar dat is toch ook niet zo vreemd, zegt u. Het was voor de Romeinse overheid bij het proces tegen Jezus voor het eerst dat ze echt met de volksleider uit Nazareth te maken kreeg. Ze kon zich eenvoudig geen weloverwogen oordeel over Hem gevormd hebben. Terwijl voor de joden datzelfde proces het sluitstuk van hun bemoeienis met Jezus was, het resultaat van hun finale afwijzing. Pilatus stond aan het begin van de kennismaking met Jezus, de joden aan het eind.
Is dit niet wat de evangelist Johannes met die 'grote schuld' van de joden bedoelt?
Gelijk hebt u. Dit verschil in situatie van de joodse raad en de heidense overheid is inderdaad zo beduidend dat je je af moet vragen of het wel zoveel zin heeft de een met deander te vergelijken. Is dat niet een vergelijking als tussen appels en peren? Beiden zijn (moeten we zeggen) niet zozeer meer of minder maar veeleer anders schuldig. Want het mag dan waar zijn dat Pilatus in de opzettelijkheid van zijn bedoelen ten aanzien van Jezus bij de joden ten achter blijft en daardoor gunstig bij hen afsteekt, daar staat tegenover dat hij zonder Jezus schuldig te bevinden Hem toch ter dood veroordeelt.
Gerekend naar juist die mindere betrokkenheid en afstandelijkheid van de stadhouder had van deze verwacht mogen worden dat hij het doodvonnis dat de joodse raad over Jezus had uitgesproken voor nietig verklaard had. Tegenover de niet-schuldigverklaring van Pilatus stak inderdaad het drijven van qe joden schril af. Het is terecht dat Petrus daar in zijn toespraak op wijst. Maar op Pilatus zelf drukt zeer zwaar de schuldenlast dat hij bewust een onschuldige tot de kruisdood veroordeeld heeft. Het verwondert daarom niet dat in een ander verband waarin de eerste gemeente zich noch rechtstreeks tot Pilatus noch tot de joden maar in gebed tot God wendt alle betrokkenheid bij de kruisdood van Jezus op één hoop geveegd worden: "Want inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israël..." (Handelingen 4 : 27). Hier zie je de vraag wie de grootste schuld heeft verbleken.
Men wist wat men deed
Men zegt wel eens dat Jezus' gebed aan het kruis 'Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat ze doen' alle gepraat over de schuld aan Jezus' dood tot iets ongeoorloofds maakt. In het licht van Jezus' vergeving staat dat gelijk aan het uit de sloot halen van ouwe koeien. De schuld is blijkens dit gebed vergeven en ze behoort daarom in de christelijke gemeente ook vergeten te zijn. Maar het lijkt me onjuist om dit geweldige kruiswoord van de Heiland op deze manier als grote vergeler of (beter) witwasser te hanteren. We moeten dit gebed laten staan waar het staat. Dan wijst het verband uit dat Jezus deze vergeving heeft afgesmeekt voor de soldaten van het executie-peloton. Van hen kon inderdaad gezegd worden dat ze niet wisten wat ze deden. Die soldaten, wisten zij veel? 'Befehl ist Befehl' is een ellendig exkuus voor de verantwoordelijken in de eerste of tweede graad maar voor Jan soldaat laat het zich niet goed weerleggen. De moed van een gewone dienstplichtige om een gruwzaam bevel op straffe van standrechtelijke exekutie te weigeren moet bewonderd worden maar moed kan men niet verplicht stellen. Jezus heeft dus voor zijn direkte beulen, de uitvoerders van het vonnis over Hem, gebeden, pleitend op hun ontwetendheid.
Maar de eerst-verantwoordelijken, wisten zij niet wat ze deden?
Dat is noch van de Romeinen noch van de joden vol te houden. "Jullie hebben Jezus overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus...", zegt Petrus in zijn eerder genoemde toespraak in Handelingen 3, "jullie hebben de heilige en rechtvaardige verloochend en de voorkeur gegeven aan iemand die een moordenaar was..., jullie hebben de leidsman ten leven gedood..." - dat staat alles ver af van het "zij weten niet wat zij doen" van Jezus. Men wist wel degelijk wat men deed.
Toch onwetend
Toch neemt Petrus' toespraak even verderop een eigenaardige en onverwachte wending. Hij zegt namelijk: "En nu, broeders, ik weet dat gij uit onkunde gehandeld hebt, gelijk ook uw oversten" (vs 17). Dat laatste "gelijk ook uw oversten" moet niet zo aangevuld worden: "gelijk ook uw oversten (dat weten)", maar "gelijk ook uw oversten (uit onkunde gehandeld hebben)".
Juist na die herhaalde beschuldigingen van jullie dit en jullie dat is dit een opmerkelijk woord. Dus toch "zij weten niet wat ze doen", zij wisten niet wat ze deden? Gelijkelijk van toepassing op volk en oversten? Van Petrus reis ik even door naar Paulus.
Eerst naar een woord van hem dat dezelfde geest ademt als dat van Petrus.
In het begin van zijn eerste brief aan Timotheüs komt de apostel te spreken over zijn eigen verleden als vervolger van de christelijke gemeente.
Hij praat daar bepaald niet zoetsappig over. De zelfbeschuldigingen zijn beslist van hetzelfde kaliber als Petrus' verwijten van zopas, zo niet van nog ernstiger aard. "Ik was een godslasteraar, een vervolger en een geweldenaar", zegt hij. En dan volgt ook bij Paulus die eigenaardige wending: "Maar ik heb het uit onwe tendheid, in ongeloof gedaan" (I Timotheüs 1 : 13). Hoe moeten we dit verstaan?
Daarvoor gaan we naar een ander woord van deze apostel, uit de eerste brief aan de Korintiërs. Tegenover die Korintiërs heeft Paulus het over de verborgen wijsheid Gods die bij het kruis aan het licht getreden is en hij zegt dan: "En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar (namelijk die verborgen wijsheid) geweten want indien zij van haar geweten hadden, zij zouden de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben" (I Korintiërs 2 : 8). Ook hier dus weer een woord over de onwetendheid van degenen die de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de kruisdood van Jezus droegen en die hier de 'beheersers dezer eeuw' genoemd worden.
Eigenlijk zijn daar zelfs de machten achter de aardse machten mee bedoeld, de demonische energieën die werkzaam zijn in de ongelovige regeerders van kerk en wereld. Paulus zegt: Als zij geweten hadden wat ze eigenlijk deden dan zouden ze zich wel tienmaal bedacht hebben, want zij gooien toch met de kruisiging van Jezus hun eigen glazen in. Jezus' dood immers liep uit op zijn grootste triomf over hen.
Godsmoord?
Hier bij dat tweede woord van Paulus gaat het weliswaar niet om de onwetendheid als verontschuldiging, zoals bij Petrus in Handelingen 3 en bij Paulus in I Timotheüs 1, maar wij stuiten hier wél op de aard van die onwentendheid waarover de bijbel het heeft.
Men was namelijk, zo wil de Schrift zeggen, ten aanzien van Jezus niet onwetend in de burgerlijke zin van het woord, maar men wist niet wie Jezus eigenlijk was, namelijk de Here der heerlijkheid, de Zoon van God die door zijn dood heen op weg was naar zijn overwinning. Dus hoe verantwoordelijk de joden en Pilatus in de burgerlijke zin ook waren voor Jezus' vonnis, als het gaat om de diepste portee van wat ze deden dan moet ook van hen gezegd worden dat ze niet wisten wat ze deden en heeft Jezus bijgevolg ook hen in zijn gebed om vergeving betrokken.
In die zin acht ik een uitbreiding van Jezus' gebed tot anderen dan alleen de soldaten wel mogelijk, - een uitbreiding die naar ik meen aannemelijk gemaakt wordt door het feit dat Stefanus zijn Heer in deze voorbede is nagevolgd (Handelingen 7 : 60).
Stefanus dacht daarbij zeker niet aan onwetende soldaten. Het gaat hier dus over een onwetendheid die niet door meer informatie maar alleen door het geloof kan worden opgeheven. En het is daarom terecht dat Paulus in zijn zelfbeschuldiging dat ongeloof en die onwetendheid te zamen neemt en het ene woord met het andere verheldert.
Hier valt dan trouwens een geweldig belangrijke konklusie uit te trekken. En wel deze dat het zonder meer misplaatst is om de joden of wie anders ook maar van de buitenstaanders te achtervolgen met de beschuldiging van 'godsmoord'. Wij kunnen wel spreken van moord op Hem in wie wij als de Heiland geloven en die wij als de Zoon van God belijden. Maar wie deze geloofsbelijdenis afwijst kan van godsmoord niet beschuldigd worden. Hij is immers ten aanzien van dit geheim van Jezus onwetend. Toch is met die beschuldiging de eeuwen door wel gewerkt en juist dat nare woord 'godsmoord' heeft de vergeldingsdrift onder de christenen heilloos aangewakkerd.
Ten onrechte dus, het is pas op Pasen geweest dat het geheim van Jezus onthuld is geworden. Zoals Paulus zegt: "... door zijn opstanding uit de doden (is Hij) verklaard Gods Zoon te zijn in kracht" (Romeinen 1 : 4). Van het aandeel der joden en van Pilatus en de heidenen aan de dood van Jezus (die immers vóór Pasen viel) kan daarom met een variant op een bekend woord uit het evangelie gezegd worden: Vergrijpt iemand zich aan de zoon des mensen in zijn vernedering, het zal hem vergeven worden, maar vergrijpt iemand zich aan de Christus van de verhoging, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze noch in de toekomende eeuw (vergelijk Matteüs 12 : 32).
Nu, nu, nu De Christus van de verhoging, dat is de Christus van de prediking.
Dáár gaat de grote interesse van de bijbel naar uit. Dit is immers wat het evangelie bedoelt te zeggen: Jullie mensen, joden en niet-joden, jullie hebben Jezus gedood. Maar jullie wisten ten diepste niet wat jullie deden want jullie kenden het geheim van Jezus nog niet, jullie geloofden niet in Hem. Daarom praat God slechts in het voorbijgaan over jullie schuld aan dat onzalig bedrijf. Het is trouwens ook nog eens een keer zo dat door die kruisdood heen Jezus echt geworden is tot wat God voorgenomen had dat Hij zou zijn: Verlosser, Heiland. Jullie boosheid heeft God dus machtig ten goede gekeerd. En nu wordt jullie, joden en niet-joden, deze Jezus als Heiland verkondigd en nu, nu, nu komt het erop aan welke houding je tegenover Hem aanneemt: Geloof je in Hem of wijs je Hem in ongeloof af? - dat is nu de vraag waarop je schuldig of onschuldig zult staan voor Gods rechterstoel.
Heel die ook vandaag oplaaiende diskussie over de vraag wie het meest schuldig staat aan Jezus' dood: Pilatus of het Sanhedrin, gaat voorbij aan de Heilandsbetekenis van Jezus' dood. Zoals die in het algemeen vandaag wel onderbelicht wordt. Dat Christus door ons mensen gestorven is krijgt tegenwoordig meer aandacht dan dat Hij voor ons mensen de dood is ingegaan. Ten onrechte! Het is zeker waar dat mensen bij die dood een rol en ook wel een verantwoordelijke rol gespeeld hebben, maar toch heeft Jezus van zijn eigen sterven gezegd: "Niemand ontneemt Mij het leven, maar Ik leg het uit Mijzelf af..." (Johannes 10: 18). Hij legde het af voor zijn schapen. Zijn dood was uiteindelijk zijn daad. En dat is het geheim van Jezus' dood waar het evangelie telkens op wijst en waar wij steeds op moeten letten. Om dan tegenover die Heilands-dood onze houding te bepalen. Zijn we daar in geloof blij mee of zeggen wij er in grimmig of bedaard ongeloof nee tegen?
Jezus opnieuw kruisigen
De bijbel heeft dus betrekkelijk weinig belangstelling voor de vraag wie Jezus kruisigden. Des te meer is de Schrift geïnteresseerd in de - binnengemeentelijke!
- vraag wie het waagt om Jezus opnieuw te kruisigen. Opnieuw kruisigen, wat is dat? Het is "opzettelijk zondigen nadat wij tot erkentenis der waarheid zijn gekomen" (Hebreeën 10: 26), nadat we 'wetend' zijn geworden (in die diepe zin als boven aangeduid). Stel je voor: Men hoort het evangelie, men merkt wat het voorstelt, men ondervindt de geweldige krachten van vergeving en vernieuwing die uit Jezus' kruisdood voortvloeien, en men zegt vervolgens: nee maar, dat moet ik niet, toch niet.
Dat is Jezus opnieuw kruisigen. En daarover is de bijbelse verontwaardiging groot: "... het is onmogelijk degenen die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gaven genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben en daarna afgevallen zijn, - (het is onmogelijk die) weder opnieuw tot bekering te brengen daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken" (Hebreeën 6 : 4 - 6). Men passe deze geweldige woorden niet te gauw toe op weglopers of afhakers, op bijvoorbeeld jongelui die ophouden naar de kerk te komen. Die weten, onbekend nog als ze zijn met Jezus' geheim, niet wat ze doen. Nee, dit geldt voor wie in het binnenste vertrek van het evangelie geweest is, niet met z'n hoofd maar met z'n hart, en vanuit wiens diepste wezen ooit de lofzangen der bevrijding opgeweld zijn. Die moet oppassen want die begeeft zich met zijn afvalligheid in de sfeer waarin dit waar kan worden.