De breedte en de diepte van advent
1993-12-17
Het is zaak vandaag zowel de breedte als de diepte van onze advents-verwachting op peil te houden. De maatschappelijke situatie noodzaakt ons daartoe. Ik denk daarbij voor wat de breedte betreft aan de weer opkomende nationalistische versmalling van het heil tot mensen van de eigen groep of zelfs het eigen bloed, terwijl er wat de diepte betreft sprake is van een synkretistische verplatting van het Immanuël-geheimenis. Mensen die de wacht betrekken bij de breedte van advent hebben vaak weinig oog voor het diepte verlies waaraan wij lijden en zij die tegenover andere religies voor het unieke van wat we rondom Kerst vieren opkomen verliezen de breedte nog wel eens uit het oog. Zoals gezegd, we moeten beide op peil houden. Aan elk van beide wil ik daarom in dit artikel enige aandacht besteden.- Jaargang 37
- nummer 26
Het nationale erkend
Eerst iets over de breedte. De laatste tijd ben ik in gedachten wat bezig geweest met de zegen van vader Jakob in Genesis 49. We staan in die zegen aan de wieg van Israël als natie. Hoe gaat nu de aartsvader met dat nationale om? Laten we voorop stellen dat hij het nationale niet ontkent. Jakob gaat in op het eigene dat elk van de stammen in de toekomst zal bezitten.
Het komt voor hem beslist niet bij alle twaalf van zijn kinderen op hetzelfde neer. Zelfs voorziet hij dat de ene stam het verder zal brengen dan de andere. Zo zal de stam Ruben als oudste de eerste plaats verliezen, terwijl de afkomelingen van Jozef, Efraïm en Manasse, hoewel jonger dan de anderen, toch dominant zullen zijn. En dan zal het weer een andere stam, Juda, zijn die de heerser mag leveren. Nee, ontkend wordt het nationaal-eigene niet. Dat is in onze wereld van nu lange tijd wèl het geval geweest. Het nationale mocht geen naam hebben. In het socialisme niet en in het kommunisme al helemaal niet. In de zeventiger jaren bijvoorbeeld moest je je verdedigen en verontschuldigen voor het vlaggen of het zingen van het volkslied. 'Proletariërs aller landen, verenigt u!' was het parool.
Daarbij pasten geen nationale gevoelens om van nationale trots maar helemaal te zwijgen. Maar deze afgedragen ideologieën storten nu vandaag ter aarde. In het bijzonder in de landen waar het kommunisme de dienst heeft uitgemaakt. Wie gehoopt had dat het christendom vanwege dit ontstane vakuüm nieuwe kansen zou krijgen komt bedrogen uit. Althans voorlopig. Eerst moet het nationale z'n inhaalmanoeuvre maken. Dat springt vandaag allerwege omhoog met de kracht die aan een te lang onderdrukte werkelijkheid eigen is. Dit leert ons dat je het nationale nooit moet ontkennen of onderdrukken. Daar is het een veel te krachtig verschijnsel voor. Veel beter is het het dienstbaar te laten zijn aan iets anders, iets hogers. Het moet namelijk z'n plaats weten want los lopend is het te gevaarlijk.
De piloon in het midden
Het nationale zijn ondergeschikte plaats aanwijzen, dat is wat je in de zegen van Jakob ziet gebeuren. Midden in de zegen van de aartsvader, tussen wat over de twaalf stammen gezegd wordt in, komen we het gebed tegen: 'Op Uw heil wacht ik, HERE!' (vs 18). Deze gebedszin is herkenbaar als een psalmwoord en zou zo weggelopen kunnen zijn uit Psalm 119waar we in vers 174 lezen: 'Naar uw heil verlang ik, HERE'. In beide gevallen gaat het om het heil waarvan reeds tot Abraham gezegd was dat het alle geslachten van de aardbodem bereiken zou. Het is nu deze adventszin die aan de zegen van Jakob zijn geestelijk nivo verleent. Je zou de bedoelde woorden kunnen vergelijken. met de ene en enige pijler van een moderne brug die met sterke kabels het hele wegdek boven de rivier getild houdt.
Er zijn passages in de zegen die werkelijk door de modder van het bestaan heenkruipen zodat je je vertwijfeld afvraagt waar dat met dat volk naartoe moet, maar let je dan weer op die ene piloon in het midden dan wordt alles naar boven en naar voren getrokken.
Het nationale wordt dienstbaar gemaakt aan het hemel-en-aàrde-brede heil van het koninkrijk van God. Aan een heel volk wordt zo de adventsverwachting meegegeven. Dit heeft in later tijd gewerkt, zij het niet altijd.
Van koning Saul bijvoorbeeld moet je zeggen dat hij een volbloed nationalist geweest is. Dat valt op te maken uit de geschiedenis van 11Samuël 21. Israël wordt in de begintijd van Davids regering geplaagd door een hongersnood en men zoekt de oorzaak in het feit dat koning Saul de Gibeonieten gedood heeft. In zijn ijveren voor de Israëlieten en de Judeeërs had hij getracht hen om te brengen, staat er (vs 3).
Terwijl de Israëlieten zich destijds in de dagen van Jozua met een eed verbonden hadden deze overgebleven Amoritische bevolkingsgroep in leven te laten. Etnisch geweld en volksmoord derhalve, met daar bovenuit nog eedbreuk. Daartoe komt het als het nationale een waarde op zichzelf wordt en niet langer de breedte van de adventsverwachting dient, niet langer ondergeschikt is aan het heil 'dat de aarde vervullen zal zoals de wateren de bodem der zee bedekken'.
Het nationale ondergeschikt gemaakt
Gelukkig zijn er andere voorbeelden te noemen waarin je de tendens van de zegen van vader Jakob ziet doorwerken.
Denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop Boaz de Moabitische Ruth tegemoet treedt. Dat zou toch ondenkbaar geweest zijn als Boaz van het heil dat God bezig was te werken alleen maar een beperkt-Israëlitische voorstelling had gehad. En natuurlijk moet hier ook het boekje Jona genoemd worden waarin met de mogelijkheid en de werkelijkheid van bekering van heidenen gerekend wordt. En David, wat is juist David niet breed georiënteerd geweest als hij over de heilsverwachting nadacht! 'Alle volken die Gij gemaakt hebt zullen komen en zich voor U neerbuigen, 0 Here, en uw naam eren', om maar één van zijn vele psalmen te citeren (Psalm 86:9).
Is het trouwens niet opmerkelijk dat deze koning in de Kreti en de Pleti een toegewijde Filistijnse keurtroep had (11 Sam. 8:18), goede kontakten met de koning van Moab onderhield (I Sam.
22:4), uitstekend overweg kon met de Filistijnse koning Achis (I Sam. 27 en 29), vriendschap betoonde aan de koning van Ammon (11 Sam. 10:1ev) en verder in een hoofdstad woonde met een hoofdzakelijk Kanaänitisch-
Hetitische bevolking (Ez. 16:3) waaruit hij ook wel personeel rekruteerde (11 Sam. 11:3)? Het lijkt of hij in deze dingen alvast een voorschot nam op de profetieën van zijn eigen psalmen.
Hoe dat ook zij, we hebben in het Oude Testament een boek voor ons dat vol is van de adventsverwachting en waarin tevens machtig blijkt dat het apart staan van Israël als volk op de beste momenten van zijn geschiedenis aan die adventsverwachting volkomen ondergeschikt is geweest. Het nationale van Israël had heilsbetekenis, dat valt niet te ontkennen. Maar als zelfs die met heilsbetekenis gevulde nationaliteit van Israël een dienende rol ten aanzien van het wereld brede heil vervulde hoe veel te meer is dan na Pinksteren elke gewone nationaliteit daartoe geroepen. Wij leven in een tijd van weer opkomend nationalisme, racisme en etnicisme. Wij moeten goed beseffen dat onze primaire geloofsdocumenten ons verplichten elk van die gebreken van harte af te zweren en in de vriendelijke opvang van de vreemdeling in onze poorten voorop te lopen.
Ook als die vreemdeling totaal anders gelovend, bijvoorbeeld moslim is. Enquêtes onder ons wijzen uit (zo signaleert het Nederlands Dagblad) dat we daar helaas niet voetstoots van uit kunnen gaan.
Antidiscriminatie gekte
Maar naast de breedte moet ons de diepte van onze heilsverwachting evenzeer ter harte gaan. De breedte en de diepte van advent lijken voor ons moeilijk te combineren. Er zijn er daarom vandaag wel die zeggen dat je niet tegelijk het volstrekt eigene van het christelijk geloof kunt benadrukken en tegen andere geloven afgrenzen èn onbevangen openstaan voor die andersgelovigen, bijvoorbeeld de moslims, om hen vriendelijk te bejegenen.
Dat lijkt mij onzin. Mensen die dat zeggen bewijzen alleen maar dat ze zelf niet gewend zijn er een eigen mening op na te houden. Waren ze dat wel dan zouden ze immers weten dat we daar dagelijks voor komen te staan: het afwijzen van opinies en gedragingen van anderen en tegelijk die anderen in volle menslievendheid tegemoet treden. Dat mag wel eens inspanning vergen, ik zou van de andere kant niet weten hoe een samenleving zonder die inspanning moest funktioneren. Ik begrijp dan ook van die hele anti-diskriminatie-gekte van vandaag die ons verbieden zou het geloof van anderen voor dwaling te houden geen snars. In de mate immers waarin je het ene gelooft is het andere ongeloofwaardig. In de mate waarin je het ene omhelst verwerp je het andere. Het zijn alleen de onverschilligen die geen verschillen tussen het ene en het andere geloof vermogen op te merken. De kombinatie van enerzijds een bredeopstelllnq en anderzijds een kritische belijndheid mag dus moeilijk zijn, we zijn er zonder meer toe gehouden. Ik kan het niet anders zien. Daarom stel ik naast de breedte bewust ook de diepte van onze adventsverwachting aan de orde.
Want ook die zie ik in gevaar.
Is ons geloof te ingewikkeld?
Wat ik vandaag wel eens meen op te merken is dat we de heilsweg die God in Christus gelegd heeft te ingewikkeld gaan vinden. Wat nou toorn van God die gestild moet worden? Wat nou verzoening door voldoening!? God is toch ZÓ, zonder die omslag, wel genadig? Het geviel dat ik dit najaar in het kader van de TSB een studie maakte over de hoofdstukken 16 en 17 van het boek Numeri: de geschiedenis van Korach, Datan en Abiram. Daar kwam ik eigenlijk hetzelfde tegen. Een zucht tot versimpeling. Korach en de zijnen verzetten zich tegen de verzoeningsdienst die de Here God met Aäron aan de spits door Mozes had laten instellen.
Hij vond die eigenlijk een overbodige omslachtigheid. 'De gehele vergadering, zij allen zijn heiligen en de HERE is hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des HEREN?' (vs 3). In deze woorden wordt het Immanuël-geheimenis ('de Here in ons midden') geplet en tot een pasmuntje gemaakt. Advent is vol van de Immanuël-verwachting, maar op de wijze van Korach wordt er naar die inwoning van God niet meer uitgezien of verlangd. Ze spreekt vanzelf en wekt niet langer verwondering, laat staan aanbidding. Wat het bij Korach en de zijnen zo moeilijk maakte het foute van hun opstelling in te zien was dat zij zich konden beroepen op een eigen woord van de Here God: 'En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk' (Ex, 19:6). Met dat vendel zwaait Korach. Indrukwekkend genoeg! Vandaar dat Mozes tegenover Korach niet in woede uitbarst, zoals dat wel het geval is in zijn reaktie op de brutale grofheden van Datan en Abiram (vs 15), maar in gebed neervalt en de hele zaak door een godsoordeel wil laten beslissen (vss 4 - 7). Zij het ook dat Mozes vermoedt en ook waarschuwt hoe fout dit voor zijn tegenstanders af gaat lopen.
Herhaling van de paradijszonde
Ja, want Korach zag aan iets heel belangrijks voorbij. God had inderdaad zijn voornemen om zich Israël tot een koninkrijk van priesters en een heilig volk aan te nemen bekend gemaakt, maar Hij had dat moois aan een strikte voorwaarde gebonden: 'Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart... , Was dat gebeurd? Had Israël het verbond bewaard? Was bij de zonde van het gouden kalf niet gebleken hoe verbondsbreukig Israël was? Dat geestelijke overspel daar aan de voet van de Sinaï, dat was toch als het ware de hernieuwde zondeval in het pas gesloten verbond, de herhaling van de paradijs-zonde nadat Israël door God uit Egypte bevrijd en daarmee om zo te zeggen in de hof van Eden voor een herkansing was teruggezet. Had Korach dus na die zonde inderdaad niet aandachtig naar de Here God moeten luisteren om te weten hoe het nu verder ging? Hij zou dan dit woord van de Here uit Mozes' mond hebben kunnen horen: "Ik zal de tent der samenkomst en het altaar heiligen, en Aäron en zijn zonen zal Ik heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden. En Ik zal wonen temidden van de kinderen Israëls en hun tot een God zijn" (Ex, 29:45). Hier wordt het Immanuëlgeheimenis, de inwoning van God onder zijn volk, op het nauwst verbonden aan de verzoeningsdienst van Aäron bij het heiligdom. Geen heiligheid voor het volk dan 'in' de heilige priester Aäron en zijn ambt. Geen 'God in ons midden' dan krachtens de verzoening die Gods toorn moest stillen.
De voorstelling in het boek Numeri is dan ook dat buiten de sfeer van het heiligdom er de straffe wind staat van de toorn van God en dat de verzoeningsdienst voor het volk de enige schuilplaats is tegen die toorn (zie bijvoorbeeld Numeri 1:53). Korach stootte met zijn opstand een gat in het uitspansel dat de hemeloceaan van die goddelijke toorn moest tegenhouden.
Geen wonder dan ook dat je die toorn in deze hoofdstukken de verbondsruimte verschrikkelijk ziet binnengolven: wat een doden! Des te opvallender is evenwel dat dwars door deze geweldige krisis heen de verzoeningsdienst van Aäron werkzaam blijft (zie met name de vss 44 - 50). Dezelfde God die toornt is dus tegelijk degene die het redmiddel, het geneesmiddel en het levensmiddel tegen die toorn aanwijst en laat funktioneren. Dit wordt nog achteraf bevestigd door het prachtige levensteken van de bloeiende staf van Aäron (hfst 17) waardoor deze vreselijke hoofdstukken toch nog wonderlijk liefelijk eindigen.
Tóch niet de dood maar Gods keuze voor het leven van zijn volk beheerst het hele tafereel van deze Schriftperikoop.
Mohammed
Een God die toornt en tegelijk het redmiddel tegen die toorn aanreikt, een God die toornt en middenin de toorn aan ontfermen denkt (Hab. 3:2), daar zit ontegenzeggelijk iets ingewikkelds in. Het hele evangelie kan in die zin omslachtig overkomen. Zo wordt het dan ook door velen vandaag ervaren en ze vragen zich met Korach af of het allemaal niet wat eenvoudiger kan. Ik denk dat dat in de verwaterde kerk van de zevende eeuw n.C. ook het geval is geweest en dat Mohammed daar knap op ingespeeld heeft. Hij kwam met de voorstelling dat Allah voor zijn belijders ook zonder een voldoenend offer als van Christus wel de Barmhartige was. Als u zich wel eens afgevraagd heeft hoe het toch heeft kunnen gebeuren dat de islam zo'n snelle opmars in het verspreidingsgebied van de oude kerk heeft gemaakt dan moet u bedenken dat het Immanuël-geheimenis onder deze christenen was afgeplat zodat de overgang (onder druk) naar de islam niet al te groot was. En ik vermoed dat om dezelfde reden nu vandaag de velden wit zijn om te oogsten voor de islam. Nee, ik bedoel dan niet zo zeer de islam van de hoofddoekjes en andere gebruiken, maar de islam van het simpele geloof dat de verwondering over het Immanuëlgeheimenis niet kent. Die islam is voor velen al aantrekkelijk geworden en zal vrees ik nog zijn duizenden verslaan onder het christenvolk van Europa. De wereld van de halve maan is immers vitaler dan die van het christendom en kent bovendien een geweldige missiedrang.
Wat denken wij, zouden wij vandaag nog mogen waarschuwen tegen de dwaalleer van de islam? We zullen dat wel moeten doen als ons het Immanuël-geheimenis heilig en lief is en als wij de diepte van onze adventsverwachting op peil willen houden. En tegelijk zullen we naar de moslims onder ons de vriendelijke hand van de menslievendheid moeten uitsteken, met daarin echte hulp voor hun vele problemen. Die vriendelijkheid mag niet achterwege blijven want de oude adventsverwachting zegt heel breed dat het heil voor alle volken is. Vanuit het ene evangelie van de Immanuël zeggen wij dus beurtelings ja en nee tegen hen, een nee vanuit de diepte en een ja vanuit de breedte van advent.