Overvloedig in het werk van de Here (2)
1993-12-17
Nadat de kerkstrijd aan het einde van de jaren veertig enigszins was geluwd en hij de redactie van De Vrije Kerk had neergelegd, kon Vonk zich zetten aan wat zijn levenswerk zou worden: de serie De Voorzeide Leer.- Jaargang 37
- nummer 26
De jaren vijftig
De reeks zou uit vier onderdelen bestaan: lover de Heilige Schrift, II-IV over de belijdenisgeschriften en het doop- en avondmaalsformulier. Omdat hij er vooral de gemeente mee wilde dienen, zouden het zowel leer- als begrijpelijke leesboeken moeten worden. Hij begon met de belijdenissen, ook om het confessionele gelijk van de vrijgemaakte kerken in de leergeschillen nog eens duidelijk in het licht te stellen. In 1950 verscheen deel 11, een brede toelichting van de Heidelbergse Catechismus. Het was mede een vrucht van de wederkeer naar de Schrift in de jaren dertig. Het boek onderwijst voortdurend regelrecht vanuit de Schrift en is het tegenbeeld van een dorre scholastische uiteenzetting.
Hierna begon hij zijn diepgaande studie van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
In 1955 en 1956 volgden de delen lila en Illb met zijn brede verklaring van deze confessie. Hij plaatste haar in de historische context van haar ontstaanstijd. Wanneer men deze boeken leest, ziet men duidelijk hoe onze geloofsbelijdenis is gegroeid uit de werken van Calvijn en Guido de Bres. Onder de veelomvattende voorstudie, die Vonk hiervoor maakte, behoorde ook die van het oud-Frans, nodig om de geschriften van De Bres te kunnen lezen.
Alleen over de doop (artikel 34) schreef hij niet minder dan 151 blz. Tevoren had hij aan de sacramenten in het algemeen (artikel 33) reeds 64 blz. gewijd. Wie verweer zoekt tegen hedendaagse wederdopers kan hier terecht. Calvijn en De Bres hebben het recht der kleine kinderen op de doop reeds krachtig verdedigd. Vonk wijst in deze werken trouwens voortdurend op het roomse en het doperse front, waartegen onze belijdenis zich richt.
Intussen groeide bij velen in de vrijgemaakte kerken de overtuiging dat deze de enige ware kerken in Nederland vormden. Alle andere waren vàlse kerken of sekten die zich ten onrechte met de naam van kerk bedekten, vgl.
art. 29 NGB. In zijn verklaring van dit artikel keerde ds. Vonk zich tegen dit enghartige kerkisme. Volgens hem begreep iedere tijdgenoot van De Bres dat deze met zijn schets van de valse kerk natuurlijk de Roomse kerk op het oog had. "Hàár enig en alleen. ( ) De kwalificatie van valse kerk is in art. 29 uniek bedoeld. Zij is daar enig en alleen voor de Roomse bedoeld door de kerk in de Nederlanden van 1561. Daarom bedenke men zich wel alvorens men een kerk noemt 'valse kerk'.
Die term is, dankzij art. 29, bepaald historisch bezet en nog lang niet vacant", IlIb, 146. Deze verklaring werd hem in eigen kring door velen niet in dank afgenomen. Evenmin als zijn waarschuwing tegen kerkelijke tirannie bij de verklaring van artikel 32 (over de orde in en tussen de kerken), IlIb, 176-182. "Er is wat over 'mindere' vergaderingen geheerst en gebaasd door 'meerdere''.
IlIb, 181. Dit was niet alleen een verzuchting over het recente synodale optreden, maar ook een bedekte waarschuwing voor eigen kring. In zijn brochure 'Terug naar de wissel' (1953) had hij reeds vrijgemaakte onkerkrechtelijkheden in de z.g.n. 'zaak-Kralingen' aan de kaak gesteld. Het vrijgemaakte kerkverband verkeerde toen reeds in een kritiek stadium. Het zou uitlopen op een scheuring, waarbij ds. Vonk voor de tweede maal in zijn leven buiten een kerkverband zou worden gezet.
De jaren zestig
In zijn werk heeft hij ongetwijfeld zijn diepste vreugde beleefd aan de verklaring van de Heilige Schrift, zowel met de mond als met de pen. Tussen 1960 en 1991 gaf hij in De Voorzeide Leer een toelichting op drieëndertig bijbelboeken: GenesisNehemia; Mattheüs - Johannes; Openbaring.
De breedste behandeling kreeg de Thora, het fundament van de Heilige Schrift waarop alle volgende bijbelboeken steunen. Dit zijn wellicht zijn mooiste boeken. Hij meende zich daarna bij de boeken van de profeten te kunnen beperken.
In 1963 trokken er voor de tweede maal kerkelijke onweerswolken boven hem samen. Zijn studie van het boek Leviticus had hem namelijk vanuit een heel andere straat op hetzelfde plein doen uitkomen als ds. B. Telder in diens boek Sterven en dan? (1960). Ds. Telder heropende daarmee in feite 'een discussie, die A. Janse reeds veertig jaar eerder begonnen was en waaraan de synode van 1942 met haar leeruitspraak over de onsterfelijkheid der ziel een eind had willen maken.
Het is te betreuren dat men in de jaren zestig bij de beoordeling van Telders boek deze voorgeschiedenis niet in rekening bracht. Hij wenste bij de open Schrift een broederlijk gesprek voort te zetten, dat door de vrijmaking, met haar fixatie op het omstreden wedergeboortebegrip, enige tijd was onderbroken.
Ds. Vonk, die Telders boek toen nog niet gelezen had, kwam in diezelfde tijd bij zijn bestudering van de Thora voor Lev. 17:11 te staan: "Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel". Daarom belijden wij met Zondag 16 "dat vanwege de gerechtigheid en waarheid van God niet anders voor onze zonden kon betaald worden dan door de dóód van de Zoon van God".
Maar als een mens die sterft feitelijk niet geheel sterft, omdat zijn onsterfelijke ziel blijft leven, heeft onze Here Jezus dan wel aan het recht der wet voldaan? De profeet had aangekondigd dat de Knecht des HEREN "zijn ziel zou uitstorten in de dood", Jes. 53:12. Zelf zei de Here Jezus dat Hij gekomen was om "Zijn ziel te geven tot een rantsoen (= losprijs) voor velen", Matth. 20:28 SV. Maar indien Hij als echt mens nu ook een onsterfelijke ziel had? Volgens Lev. 17:11 moest Hij waarachtig gestorven zijn, anders zou de prijs voor onze verzoening niet betaald zijn. Zo kwamen ds. B. Telder en ds. C. Vonk vanuit verschillende vragen tot hetzelfde antwoord. Telder herhaalde de vraag die A. Janse reeds in 1923 (!) aan de orde had gesteld: Hééft een mens volgens de Heilige Schrift een onsterfelijke ziel? Of is hij een levende ziel en wordt hij na zijn sterven een dode ziel? Vonk daarentegen benaderde de zaak vanuit een heel andere hoek. Hij stuitte bij Lev. 17:11 op het recht der Wet, dat voor onze verzoening de waarachtige dóód van het Lam van God eiste. Dit bracht hém op het schrijven van zijn brede excurs over de theorie van een onsterfelijke ziel in VL IB,49-161, vgl. 25vv. Hij erkende dat hij toen pas scherp de samenhang onderkende tussen de leeruitspraken uit 1942over de wedergeboorte en die over de onsterfelijkheid der ziel. Achteraf beschouwd verweet hij zich de verkeerde wedergeboorteleer indertijd veel te geïsoleerd van de verkeerde zieleleer te hebben bestreden en te weinig oog te hebben gehad voor de gnostiserende tendenzen in beide begrippen. Sinds die jaren haatte hij de gnostiek.
Hij sprak zelfs over de 'Gnostische duivel', wiens verderfelijke invloed hij in de hele kerkgeschiedenis opmerkte.
"Ach, welk stuk van het Christelijk geloof ( ) is door het kankergezwel der Gnostiek (2 Tim. 2:17) nu niét aangetast?"
Zie de brede en belangwekkende noot 11 in VL IC,230-234, waarin hij de gnostische uitzaaiingen in de verschillende leerstukken aanwijst. Het kerkelijke klimaat was echter bepaald niet gunstig voor een rustige en welwillende overweging van wat Vonk op tafel legde. Zijn brede en veelgeprezen commentaren op de confessie konden niet verhinderen dat ook hij vanwege zijn visie op de tussentoestand ongenuanceerd werd beschuldigd van ontrouw aan 'de' belijdenis.
Hij verdedigde zich daartegen in de brochure Trouw blijven. Hij liet zien hoe men confessioneel trouw kan zijn en met de Schriftmatige inhoud van de belijdenis van harte instemmen, terwijl men zich toch nadrukkelijk van de wetenschappelijke terminologie van de opstellers alsmede van hun daarin meekomende heidense gedachtenwereld distantieert.
Overigens had hij in 1956 in VL IIIB, 662 ook al geschreven dat we de belijdenis der kerk op een 'geschikte en schappelijke' manier moeten lezen. Toen kon dit nog geschreven worden zonder dat hij daarom meteen van ontrouw aan de belijdenis beschuldigd werd, maar acht jaar later niet meer.
Op de bestrijding van Trouw blijven antwoordde hij met de brochure De substantie van de catechismus (1964).
Enkele kopjes daaruit: "Substantie = inhoud, volgens onze gereformeerde voorouders", (niet: hoofdinhoud). "Een beetje voorzichtig a.u.b. met dat ondertekeningsformulier": over de milde en inschikkelijke geest te Dordt 1618/9.
Wanneer iemand maar wars was van remonstrantisme, kon het heus wel wat lijden. Overigens voerde Vonk deze polemiek met tegenzin. "Was het niet geweest voor de vrede in en tussen de gemeenten en voor de vrijheid van ons nageslacht, ik had de pen voor dit geschriftje niet opgenomen", 39.
Belangrijker vond hij de vraag: "Hoe kwámen we toch in deze ellenden? En hoe komen we er uit?" Met het oog daarop schreef hij in 'Leviticus', 386-472 opnieuw een brede uitweiding, nu over de eeuwige dreiging van Wetticisme en Judaïsme. Overigens niet met elkaar te verwarren. Wetticisten maken van het Evangelie een Wet, die ze vervolgens uiterst rechtlijnig en consequent toepassen. Tegenover zulke broeders was Paulus vaak zeer inschikkelijk. Maar Judaïsten zijn bloedd6rstige Wetticisten, die willen slaan, uitwerpen en doden.Deze beide geestesrichtingen beschrijft Vonk in genoemde excurs als eeuwige bronnen van twist, waardoor de christelijke gemeenten vanaf de apostolische tijd geleden hadden. Hij zag ze ook dreigen op de achtergrond van de kerkelijke spanningen in de jaren zestig. Ook met deze verhandelingen trachtte hij opnieuw de kerkelijke vrede te dienen, want die was hem zeer lief. Zijn inzicht in de achtergronden van de twisten, stemde hem mild tegenover zijn tegenstanders. Hieronder volgen enkele aanhalingen uit zijn excurs over Wetticisme en Judaïsme. AI moest men ze eigenlijk niet los van hun oorspronkelijke verband lezen. Daarin vormen ze namelijk de conclusies uit breedvoerig Schriftonderzoek. Met name uit de strijd die de apostel Paulus tegen deze kerkvijanden heeft moeten voeren.
"Laten we er de les uit trekken niemand, ook onszelf niet, te vernederen onder een mensel ijke 'Wet', waarop de glans van Goddelijke afkomst en gezag ten onrechte gelegd wordt. Persen we elkander niet in één model, waarvan niet een haartje mag afgeweken. Het cliché maakt bange, saaie mensen", 467. Laten we oppassen "het schone Geref. kerkboek - Schrift, belijdenis, formulieren en kerkenordening" - verkeerd te lezen, "niet Evangelisch genoeg". 468.
"We moeten ook maar geen wonderen verwachten van menselijke gedachten, woorden, formuleringen, geschriften van getrouwe Christenen, zelfs van geen belijdenisgeschriften en een kerkenordening. Ook daarop kan men vleselijk vertrouwen en hierdoor God jaloers maken. Het zijn wel dingen, die gezegend kunnen werken, maar ook tot een vloek kunnen worden. Dat hangt geheel af van de geest, waarin en de manier, waarop men ze gebruikt.
Het zijn goede dingen, maar men moet ze de baas blijven. De gemeente van Christus mag er haar vrijheid toch weer niet door verliezen, waarvan juist die woorden en geschriften vaak zo kostelijk gewagen. Men moet ze laten staan, waar ze behoren te staan, nl. verre beneden Gods Woord. Anders gaan ze soms averechts functioneren en worden ze vroeg of laat toch door iemand, die niet meer hun oorspronkelijke geest verstaat, gebruikt als hamers en bijlen om er de boel mee kort en klein te slaan in Gods huis. Wat nu juist niet de bedoeling was van de opstellers. Men dient erop te letten in wat voor tijd ze zijn gegeven en opgesteld en met wat voor bedoeling. Steeds om niet door zichzelf maar door Gods Woord de harten aan God en Zijn Christus te binden. Ze wijzen oorspronkelijk van zichzelf àf", 469. Ik zou in gebreke blijven als ik voorbij ging aan Vonks preekwerk. Nog helderder en boeiender dan met de pen was hij op de kansel leraar der Heilige Schrift. Jaar in jaar uit bediende hij tweemaal per zondag het Woord van God voor de Schiedamse gemeente.
Meestal in de vorm van seriepreken over hele bijbelboeken. En altijd opgezet naar zijn exegetische abc: let op de text, de context en de canonische plaats (of omgekeerd). Hij ploeterde in die jaren zo hard, dat de inkt van zijn catechismuspreken soms amper droog was wanneer hij de kansel beklom. Velen die het voorrecht hadden hem jarenlang als herder en leraar te mogen horen, hadden voor hun verdere leven van hem geleerd de Schrift te lezen als het Boek van Gods vaste genadeverbond, met zijn rijke beloften, evangelische bevelen, maar ook ernstige vloeksancties. Wanneer hij de Schriften opende, klonk dat naar Ps. 119:54de gemeente als muziek in de oren. Ze hoorde in klare bewoordingen hoe goed de HEREvoor haar was en wie zij voor Hem behoorde te zijn.
Levensavond
Ook voor ds. Vonk betekende oud worden verlies van krachten. In 1975 mengde hij zich voor de laatste keer in de kerkelijke actualiteit met zijn brochure: Eénmaal Pinksteren.
Toen hij al boven de tachtig gekomen was, voldeed hij aan een reeds lang gekoesterde wens: ook nog een verklaring van het boek Openbaring te mogen geven. Omdat zijn krachten verminderd waren en hij zijn einde zag naderen, bepaalde hij zich tot zijn eigen visie op dit boek, zonder breed beroep op andere auteurs.
Men diende het laatste bijbelboek volgens hem niet te lezen als een soort Enkhuizer Almanak over toekomstige algemene wereldoordelen, maar evenals alle andere bijbelboeken als een boek van het verbond. Openbaring sluit zich nauw aan bij Jezus' oordeelsprofetie in Matth. 24. Het verkondigt de wraak van het verbond over het Messiasverwerpende Jeruzalem en troost de gelovigen uit Israël en de volken met de nederdaling van Nieuw-Jeruzalem. Vooral na het verlies van zijn trouwe echtgenote Rijkje van Hall in 1988 voelde hij zich vaak eenzaam. Ik noem haar tot besluit van dit in memoriam met ere, want zonder haar steun en offervaardigheid had Vonk als vader van een groot gezin nooit zo 'overvloedig in het werk van de Here' . (1 Cor. 15:58) kunnen zijn als hij dankzij haar inzet kon wezen. "Laat heel de stad haar naam met ere noemen", Spr. 31:31 GNB.
Op maandag 22 november 1993 ontsliep Cornelis Vonk in zijn Here en Zaligmaker. De vrijdag daarna moest ook hij als kind van Adam worden 'gezaaid in oneer', maar om straks te worden 'opgewekt in heerlijkheid', 1 Cor. 15:42. Moge zijn nagelaten werk nog velen ten zegen zijn.