In memoriam ds. Halbe van der Veen
1993-12-17
Dat de Here hem uit dit leven wegnam, kwam voor ds. Halbe van der Veen als een verlossing. Zó ernstig was zijn lijden geworden, zo moeilijk de zorg voor hem, als gevolg van de verwoesting door erge ziekte. Een ziekte die voor hem al veel langer een handicap moet hebben betekend - en voor zijn vrouwen kinderen een onbestemde zorg - dan hij zich bewust was. Dat heeft een moeilijke weg betekend voor een man, wiens pad t6ch al bepaald niet over rozen was gegaan. Dwars daardoorheen werd hij niettemin gebracht tot de vrede, die hij aan zovelen verkondigd heeft.- Jaargang 37
- nummer 26
Toen de begeerte bij hem was gaan leven, de Here te dienen in de verkondiging van Zijn Evangelie, viel de studietijd van de theologische student Van der Veen juist in de jaren van de Tweede Wereldoorlog. En tegelijkertijd in die van de kerkstrijd. Over de invloed van die 'omstandigheden' juist in zo'n levensfase moeten we niet gering denken. Beslist onverdachte getuigen weten overigens uit zijn studententijd te melden, dat hij altijd open stond voor medestudenten die op de één of andere manier met hun studie en wat daarmee samenhing in de knoei waren geraakt.
Collega Van der Veen bezat een paar uitgesproken karaktereigenschappen. Hij had een gigantisch geheugen voor feiten en samenhangen en onderlinge relaties in kerk en samenleving. Terwijl bij bovendien erg vasthoudend kon zijn, gepaard aan een soms ietwat hoekig trekje in zijn karakter. Onbedoeld kon hij een zegsman/-vrouw in verlegenheid brengen door de volharding waarmee hij navraag deed naar een verhaal. De combinatie van deze eigenschappen bezorgde hem in het Kampen van de oorlogsjaren een heel aparte naam. De hoogleraren die voor de bekende synodes waren, hadden nl. de gewoonte nu en dan studenten uit te nodigen voor een gezellige praatavond. Waarbij dan en passant nogal reclame werd gemaakt voor 'synodale' standpunten. Eén van die hoogleraren heeft de invitatie aan student Van der Veen achteraf vast berouwd. Aangezien Van der Veen met een angstig complete kennis van wat er precies besloten, gezegd en gedaan was, en wanneer, en met grote vasthoudendheid, op overigens correcte wijze zijn hoogleraar reddeloos 'vloerde'.
Nadat ds. Van der Veen tenslotte zijn studie had kunnen voltooien, maakte hij als beginnend predikant de tijd mee van de - toen nog 'jonge' - vrijgemaakte kerken: veel en mooi werk, materieel voor een groot gezin nogal wat zorgen. Geleidelijk aan werden de meningsverschillen in de kerken groter. Voor ds. Van der Veen liep het tenslotte uit op een schorsing door zijn toenmalige kerkenraad. Gelukkig heeft die kerkenraad, eenmaal zèlf door de kerkelijke machine platgewalst, die schorsing later ongedaan gemaakt. Maar toen was het lééd al geschied. Van der Veen was geen man die zich daar makkelijk naar buiten toe over uitte. Hij zocht ook niet zijn eigen eer. Maar deze ervaring heeft hem wel in het diepst van zijn ziel gekrenkt.
Voor zover ik kan nagaan, heeft ds. Van der Veen als krijgsmachtpredikant de beste tijd van zijn leven gekend.
Het is tragisch dat hij zich in dienst bij de overheid 'gemakkelijker' heeft kunnen voelen dan in die van de gemeente. Hoe dan ook, in dienst heeft hij velen kunnen dienen met het Evangelie.
Hij hield er ook heel wat goede contacten aan over. Bij zijn superieuren stond hij bekend als iemand, die er altijd was voor de 'jongens' en die hun belang ook altijd zwaarder liet wegen dan dat van hem zelf. Niets was hem ooit te veel. Hij trad kalm en rustig op, was goedmoedig en trouw. Men wist van hem dat hij een collega die met de troep op winterbivak was, zo nodig altijd zou bijspringen. Men wist ook dat hij niet conservatief was, terwijl hij anderzijds goed kritisch was tegenover de theologische of kerkelijke mode. Daarbij dwong hij respect af door zijn belezenheid, en de enorme kennis van zaken waarover hij dankzij zijn geweldig geheugen beschikte. Na zijn pensionering als krijgsmachtpredikant ontwikkelde hij wat ik een 'heilige gedrevenheid' zou willen noemen, om 's zondags te kunnen preken. Dat deed hij graag, en hij vond het ook gewoon jammer als ergens een gemeente zonder voorganger zat terwijl hij beschikbaar was. Zo zijn er van Groningen tot Maastricht gemeenten in ons land waar hij jaren lang regelmatig optrad als gastpredikant. Een minder bekend gegeven uit deze latere jaren is, dat hij uitstekend thuis was èn bleef in de theologische vakliteratuur.
Hij nam ook wel de moeite, collega's of anderen die hij dacht daarmee te plezieren, te attenderen op literatuur die voor hen van belang kon zijn. Meermalen stuurde hij dan gewoon het desbetreffende boek maar vast op, met een begeleidende brief! Het is voor ds. Van der Veen een strijd geweest om te aanvaarden dat hij het preken moest opgeven. Alleen wie deze dienst zèlf heeft moeten opgeven, weet wat dit zeggen wil. Gelukkig is dit verdriet kort geweest: zijn ziekte verergerde heel snel. Voordat er plaats voor hem was in een verpleeghuis, mocht hij zijn intrek nemen bij zijn Heer. De apostel Paulus vertelt ons, vlak voor zijn eigen einde, wat trouwe dienaars te wachten staat, die de verschijning van onze Heer Jezus hebben liefgehad, 2 Tim. 4:6-8.
Dat zuster Van der Veen die haar man zo trouw liefhad, samen met haar kinderen, de kracht van Christus' opstanding mag ervaren in deze en de komende dagen. En dat de nagedachtenis van broeder Halbe van der Veen, dienaar van het Evangelie, voor velen een sprekende verwijzing mag zijn en blijven naar zijn Heer, Jezus Christus. Dat geve God!