Kerkeraadsbeleid inzake relaties en relatievormen (4)

1993-12-17
  • Jaargang 37
  • nummer 26
Dan kom je het als ambtsdrager tegen: samenwonen, een ongelijk span. Je kunt dit niet rijmen met de dienst aan de HERE en gaat erover in gesprek. Maar hoe? Een pleidooi voor een geestelijke en leeftijdgerichte benadering.

Geestelijk pastoraat
Ten eerste zal onze reaktie op de problemen geestelijk moeten zijn en niet moralistisch. D.w.z.: we kunnen ons helemaal richten op het feit van de verkering met een ongelovige of het feit van het samenwonen. Alle inspanning verrichten om daaraan een einde te maken. De benadering is echter te oppervlakkig. Mijn ervaring is, dat achter samenwonen en een relatie met een ongelovige dikwijls een ander probleem schuilgaat. In niet weinig gevallen zijn het uitingen van gebrek aan diepgang in het geloof, een niet werkelijk toegewijd aan de HERE leven. Zelfs kunnen het er signalen van zijn, dat er tussen het gemeentelid in kwestie en de HEREeen groeiende verwijdering aan het ontstaan is. Vaak gaat het eerste gesprek met iemand die verkering heeft met een ongelovige, of samenwoont, dan ook niet over dat speciale punt, maar over geloof en toewijding aan God.
Geestelijk reageren houdt in, dat je heel scherp voor ogen houdt, dat je een mensenkind voor je hebt, voor wie Christus gestorven is. Het gaat boven alles om het behoud van dit mensenkind en niet dat het onze moraal - hoe bijbels ook - eigen maakt! Met dat doel gaan we het gesprek aan. Het betreffende gemeentelid zal mogelijk (weer?) geleid moeten worden tot aan de voet van het kruis, om daar af te sterven aan de oude mens en op te staan als nieuwe.
Geestelijk reageren betekent niet, dat je meteen met een lijst bijbelteksten aankomt, die bewijst hoe fout men zit.
Eerst eens aftasten: Waarom woon je samen? Hoe verantwoord je dat vanuit je geloof? Sta je open voor een gesprek? Vervolgens kunnen andere punten aan de orde komen: Welke rol speelt de HERE God in je leven? En Zijn Woord? En dan nog is het niet de bedoeling deze vragen als kanonskogels af te vuren. Gezocht zal moeten worden naar een houding waarin zowel werkelijke openheid als de eigen positiekeuze naar voren komen.

Bijbels
Het zal duidelijk zijn, dat deze benadering een intensieve pastorale bearbeiding vraagt, geduld en voorzichtigheid.
Toch is deze benadering wel de aangewezen weg. Wil er wat aan het leven veranderen, dan zullen we bij het hart moeten beginnen. En het hart van het leven is uiteindelijk de houding tegenover de HERE. Het is deze geestelijke weg die door de apostel Paulus zo prachtig bewandeld wordt in zijn brieven aan de Korinthiërs. Ook daar spelen grote problemen, ernstiger nog dan de onze!, maar de apostel blijft geestelijk bezig. Hij voert het hart naar het kruis van Christus, in de stellige verwachting dat waar dat gebeurd is, de levensstijl 'vanzelf' vernieuwd wordt.
Het is deze geestelijke weg die de HERE God bewandeld heeft t.a.v. bijvoorbeeld de polygamie. Vermoedelijk vinden wij polygamie een ernstiger feit, dan samenwonen. Hieraan hebben vele groten van het O.T. zich echter schuldig gemaakt. De HERE God heeft Abraham niet verkoren om aan de polygamie een einde te maken, maar om de mensheid te leiden aan de voet van het kruis en daar een nieuw begin te maken. Geestelijk reageren. Stel, een jongere geeft op geen enkele manier gehoor. Dat kan in het uiterste geval leiden tot tuchtoefening. Bij een moralistische benadering echter zal de jongere het idee houden onder de kerkelijke tucht te zijn gesteld alleen vanwege het samenwonen. Bij een geestelijke benadering zal hij het idee krijgen: Ik ben onder tucht gesteld en dat kon uiteindelijk niet anders, omdat het tussen de HERE God en mij niet goed zit.

Jaren des onderscheids
Vervolgens zou ik ook voor een leeftijdgerichte benadering willen pleiten. Het betreft voor een groot deel jongeren, vaak niet-belijdende, gemeenteleden, met name wanneer van verkering met ongelovigen sprake is.
Het onvolgroeide van deze jongeren moet een extra argument zijn om geduid te hebben. Men is nog niet tot de 'jaren des onderscheids' gekomen. In dit verband wil ik wijzen op een opmerkelijk verschil tussen Num. 14:29 én Deut. 1:39. Het gaat in deze teksten om de toegang van het volk van Israël tot het land Kanaän. Uit Num. 14 blijkt, dat degenen die de leeftijd van twintig gepasseerd hebben, de toegang tot het land ontzegd wordt. De kinderen tot twintig jaar wordt de toegang verleend.
Maar in Deut. 1:39 lezen we: "En jullie kleine kinderen, waarvan jullie gezegd hebben: ten roof zullen zij zijn, en uw zonen, die op dit ogenblik nog geen kennis hebben van goed en kwaad, die zullen daar komen...".
De kinderen tot en met twintig jaar worden hier dus onderscheiden in de kleine kinderen en degenen, die goed en kwaad nog niet kennen, de jaren des onderscheids nog niet bereikt hebben. Verg. Jes. 7:14-16 waar van de jongen genaamd Immanuël gezegd wordt: Boter en honing zal hij eten zodra hij het kwade weet te verwerpen en het goede te verkiezen. Maar voordat de jongen weet het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen, zal het land onbevolkt zijn... Het onderscheidingsvermogen van de mens is in wording. Daarom is een kind op andere wijze aansprakelijk als een volwassene. Om deze reden mogen de niet-volwassenen wel, de volwassenen niet het beloofde land in.

Groeiende aansprakelijkheid
Ook de Heilige Schrift rekent dus met het ervaringsgegeven, dat kinderen gaandeweg tot inzicht komen van goed en kwaad. Hiervan moeten we leren, dat kinderen, m.n. pubers, een beetje de tijd gegund moet worden om met alle ingrijpende veranderingen in hun leven klaar te komen. Sommigen hebben het nu eenmaal nodig om eerst over de grens te gaan, voordat ze zien dat de grens zinnig is en goed. Zo rond het twintigste levensjaar, bij de één eerder, de ander later, bij een enkeling nog weer later (als het veel later wordt gaat de Bijbel het woord 'dwáas' gebruiken), is dit proces een beetje uitgekristalliseerd. Dan is iemand ten volle aansprakelijk en verantwoordelijk voor zijn daden. Hiermee moeten we in het pastoraat onder jongeren rekening houden. N.B., ik zeg dit alles niet om met de normen (zie het eerste artikel!) te gaan sjoemelen! Integendeel, ik denk juist dat jongeren - óók in hun puberteitduidelijk op de grenzen en de normen gewezen moeten worden. Doe je dat niet, dan kan het normbesef voor jaren geschaad worden. Hen moet alleen wat tijd gegund worden zichzelf die grenzen eigen te maken.

Afrikaantjes
Kerkelijke jongeren doen me wel eens aan Afrikaantjes denken. Als ik Afrikaantjes zaai en ze komen net boven de grond, hebben ze veel weg van bepaalde soorten onkruid. Pas later zie je dat het een sierplant je is. Zo is het met kerkelijke jongeren vaak ook: eerst denk je 'onkruid', later denk je 'toch een sierplant je'. Gewoon in de grond laten staan en even de tijd gunnen.

Tenslotte, wie uit het bovenstaande de conclusie trekt, dat ik meen 'de duimschroeven' harder aan te moeten draaien naarmate bepaalde dingen op latere leeftijd voorkomen, heeft daarin gelijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief