Het daghet in den Oosten
1993-12-17
Aan het Heilige Geestkerkhof in Delft staat een beeldje. Het is nog geen twee meter hoog: korter dan de sokkel waarop het rust. Doordat het pal naast de Oude Kerk staat, valt het nauwelijks op. Alleen buitenlandse toeristen nemen er nu en dan notitie van. Zij zien een jonge vrouw in een eenvoudige mantel en een charmant kapje om haar hoofd. Haar gezicht, waarop intense blijdschap staat te lezen, houdt ze schuin omhoog in de richting van het oosten.- Jaargang 37
- nummer 26
Op de sokkel staat: Geertruyt van Oosten (1330-1358).
Geertruyt is maar 28 jaar geworden. Ze was een eenvoudig Delfts begijntje, van wie wordt verteld dat ze elke dag het lied 'Het daghet in den Oosten' zong. Ze schijnt er haar (bij)naam Van Oosten aan te danken te hebben.
Waarschijnlijk dichtte ze het lied zelf: op de wijs van een bekende middeleeuwse liefdesbal/ ade. Van die bal/ade nam ze niet alleen de melodie, maar ook de eerste twee regels over en het thema: de smartelijke scheiding tussen twee gelieven, een vrouw die haar geliefde door de dood verliest.
Met haer sneewitten handen
De tekst van de ballade kennen we uit het Antwerps Liedboek van 1544. Een meisje krijgt een aanzoek van een jongeman, die haar wil schaken. Hij is op de vlucht en wil met haar het land uit. "Ik heb al een vriend", zegt het meisje (op z'n middelnederlands: .Jc ligge in mijns liefs armkens met grooter waerdicheyt"). "Heb je al een vriend?" vraagt de jongeman. "Ga dan maar eens gauw onder de groene linde kijken!" Als het meisje bij de linde komt, ziet ze haar vriend liggen: dood - kennelijk verslagen in een duel met haar schaaklustige minnaar. Ze gaat naar het kasteel van haar vader om hulp te halen, maar niemand is bereid haar te helpen bij het begraven van haar dode. Tenslotte begraaft ze hem zelf; daarna trekt ze zich terug in een klooster: 1
Si nam hem in haren armen,
Si custe hem voor den mont In eender corter wijlen
Tot also menigher stont.
In eender corter wile ...
Met sinen blancken swaerde
Dat si die aerde op groef;
Met haer snee witten armen
Ten grave dat si hem droech.
Met haer snee witten armen ...
"Nu wil ic mi gaen begeven
In een cleyn cloosterkijn
Ende draghen swarte wijlen (sluiers)
Ende worden een nonnekijn,
Ende draghen swarte wijlen..."
Met haer cia er stemme Die misse dat si sanck, Met haer snee witten handen Dat si dat belleken clanck.
Met haer snee witten handen ...
In haar parodie heeft Geertruyt elementen overgenomen uit de 1e en de 5e strofe van de ballade. Ik laat ze hieronder volgen. In de 1e strofe is de jongeman aan het woord:
"Het daghet in den oosten,
Het lichtet overal,
Hoe luttel weet mijn liefken
Och, waer lek henen sal
Hoe luttel weet mijn liefken... "
Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene,
Daer si den dooden vant (vond).
Al totter linde groene ...
Deze strofen heeft Geertruyt in de eerste twee strofen van háár lied 'vergeestelijkt'. Voor de vrijer die met het meisje het land uit wil vluchten, is de zoekende ziel in de plaats gekomen. En in plaats van de groene linde waaronder het meisje haar dode aantreft, vindt de zoekende ziel de boom van het kruis, waaraan de geliefde Verlosser gehangen is: 2
Het daghet in den Oosten, Die maen schijnt overal.
Hoe geerne soude ick weten Waer mijn siel vaeren sa/!
Hoe geerne soude ick weten!
Och siele, vrij edel siele, Nu gaghet eenen ganck AI tot den boom des cruycen, Aenmerckt wie daeraen hangt.
AI tot den boom des cruycen!
Aardse en hemelse minne
Tot den boom des kruisen! In de middeleeuwen was een dergelijke omgang met de werkelijkheid niet vreemd. Een gewone boom die symbool wordt voor het kruis van Christus, aardse liefde die heenwijst naar de 'hemelse minne': het hoorde er allemaal bij. De middeleeuwse symboliek omvat hemel en aarde: alles kan tot drager van bovennatuurlijke waarden worden. De liefde tussen man en vrouw wijst naar de liefde tussen Christus en de ziel, de gewone drinkbeker naar de kelk van de eucharistie, de jacht wordt symbool van het jagen op het 'hoogste goed' en de nachtwake van het minnende paar een beeld van het 'wachten op de morgen Gods'. De middeleeuwse mens ervoer het dan ook niet als ongepast, wanneer een minnelied, een jachtlied of een wachterlied naar melodie en tekst voor een geestelijk lied model stond." Dat had zelfs een groot voordeel. Neem nu de parodie van Geertruyt. De liefdesballade 'Het daghet in den oosten' was zeer populair: iedereen kende er de melodie en tenminste enige strofen van. Door haar lied over haar liefde tot Jezus te zingen op die melodie, in bewoordingen die aan de populaire ballade herinnerden, kreeg ze' de mensen er toe, háár woorden over te nemen. En natuurlijk hoopte ze dat iets van haar liefde tot de Heiland ook in de harten van de zangers zou ontwaken: dat hun gehechtheid aan aardse liefde zou omslaan in 'hemelse minne'. Ook toén was het gebruik van pop(ulaire) muziek een geliefde evangelisatiemethode!
Natuurlijk speelde de mystiek hierin een belangrijke rol. De mystiek doopt haar ganzeveer in de aardse minne om de liefde tussen Christus en de ziel erotisch in te kleuren." Een voorbeeld daarvan (één uit vele) vond ik in Een devoot ende profitelyck boecxken uit 1539 5 in de vorm van een ándere parodie op 'Het daghet in den oosten'. In zijn Beknopte geschiedenis van het kerklied (blz. 125/126) schrijft G. van der Leeuw déze parodie aan Geertruyt van Oosten toe:
Het daghet in den oosten
Die sonne scijnt over al
Wie heer lesum wil minnen
Hi en slape niet so langhe
De erotisch aandoende kleuren springen onder meer in de 14e, 15e en 21e strofe in het oog:
Dat crancelijn dat hi draghet
Dat is van bloede so root
Sijn lichaem heeft hi ghegeven
Voer (voor) mi in die bitter doot.
Sijn hooft heeft hi ghenegen
Alom te cussen my
Dat neem ick op mijn henevaert
Dat hi die liefste sal sijn
Sinen heylichen gheest wilt hi ons senden
In onser herten gront
Na hem staet mijn verlangen
Na sinen rooden mont
Als u deze strofen vergelijkt met de geciteerde strofen uit de liefdesballade, ziet u dat verschillende elementen uit de ballade terugkeren.
De vriendschap van uw ogen
Zo'n religieuze parodie op een wereldlijk lied noemt men een contrafact. De term wordt ook in wijdere zin gebruikt: ze duidt dan in het algemeen een nieuwe tekst op een reeds bestaande melodie aan. De nieuwe tekst hoeft dan niet aan de oorspronkelijke verwant te zijn - maar vaak zijn er wel raakvlakken aan te wijzen. In de bundel Veelderhande liedekens, verschenen in 1556 6, komt een lied met de wijs-aanduiding 'Het daghet uuten Oosten' voor. Wanneer we de tekst bekijken, blijkt deze nauwelijks nog iets gemeen te hebben met de middeleeuwse ballade. Alleen de eerste twee regels herinneren er aan. Ik citeer de beginstrofen (in gemoderniseerde spelling):
Nu komt die sonne opdringen.
Zij verlicht den dag zo klaar.
Die kleine woudvogelkens zingen.
Zij verkondigen dat voorwaar.
Zij zingen en zij trekken, Met haren zoeten zank.
Zo menig mense zij wekken, Die geslapen hebben zo lank.
Het lied is een parabel uit de begintijd van de Reformatie: Gods woord wordt er in bezongen als de opgaande zon, die de woudvogeltjes (lees: de eenvoudige vromen) doet uitbreken in gezang. Vele mensen worden er door gewekt. Dit tot groot ongenoegen van de uilen, de nachtraven; de eksters en de kokmeeuwen (lees: de onwelluidend zingende monniken en priesters), die hevig ontstemd zijn. Zij weten de arend (lees: de keizer) zover te krijgen dat hij een edict uitvaardigt, waarin alle vogels wordt bevolen te zingen als de uilen, de nachtraven, de kokmeeuwen en de eksters. Zo niet, dan worden ze verdreven 7.
'Het daghet in den oosten' heeft vele dichters tot een contrafact geïnspireerd."
Onder hen waren ook Joost van den Vondel en P.C. Hooft. Bij hen zijn méér raakvlakken met de middeleeuwse ballade aan te wijzen dan bij het hierboven genoemde 'woudvogeltjeslied'. Vondel en Hooft nemen geen van beiden de beginregels over, maar allebei bezingen ze een thema uit de ballade. Bij Hooft is dat de smartelijke scheiding tussen twee gelieven. Hooft en zijn beminde Brechje Spiegels moeten noodgedwongen afscheid van elkaar nemen (Brechje zal kort daarna de hand aan zichzelf slaan) 9:
Zal nimmermeer gebeuren
Mij dan na deze stond
De vriendschap van uw ogen,
De wellust van uw mond?
De vriendschap van uw ogen, van uw ogen.
De vriendschap van uw ogen,
De wellust van uw mond,
De jonste (gunst) van uw hartje
Dat voor mij openstond?
De jonste van uw hartje, van uw hartje.
Vondels 'Lofzang der geestelijke maagden' heeft raakvlakken met het slot van de ballade, waar het meisje zich in een klooster terugtrekt: "Met haer claer stemme Die misse dat si sanck. Met haer snee witten handen Dat si dat belleken ctenck," Vondel, teruggekeerd in de moederschoot van de Katholieke Kerk, bezingt in negentien strofen de heerlijkheid van het nonnen leven! Een heerlijkheid, die hij als verkoper van zijden kousen uiteraard slechts uit de verte kan bezien 10:
Laat ons de wereld haten
En 's werelds slavernij,
En kiezen van drie staten
De beste staat van drij:
De staat van 't maagdeleven, hoog verheven.
Dit 's geen gebod van boven,
Maar 's Heilands wijze raad,
Een raad met recht te loven,
AI lijdt de maagd veel smaad
Bij traag-verlichte, blinde trouwgezinden.
Wij willen hierom 't huwen
Niet iest'ren noch versmaên,
Noch 't echtbed leren schuwen.
Wie trouwt heeft wel gedaan,
Wie 't werelddom wil bouwen mag vrij trouwen.
Vondel en Hooft schreven beiden hun tekst op de melodie van 'Het daghet in den oosten', maar terwijl bij Vondel de prosodie haast iets potsierlijks heeft, past Hoofts tekst op de melodie als de handschoen om de hand.
Hij komt de volkentroosten
Ruim 500 jaar nadat Geertruyt van Oosten als eerste een geestelijke parodie op de middeleeuwse ballade zong, dicht Johannes Riemens (1843-1908) een contrafact die alle voorgaande in de schaduw zal stellen. De middeleeuwse ballade staat niet langer model: de Rotterdamse predikant neemt er alleen de eerste twee regels van over.
De tijd van de contrafacten-in-engerezin is voorbij. Riemens' verzen vormen echo's op woorden die in een veel verder verleden hebben geklonken: meer dan 2500 jaar eerder uit de mond van een profetische poëet (ik citeer uit de dichterlijk-katholieke WilIebrord-vertaling):
Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van Jahwe gaat over u op.
En zie, de duisternis bedekt de aarde en donkerte de volken, maar over u gaat Jahwe lichtend op, zijn glorie verschijnt over u. En volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad. (Jesaja 60:1-3)
Het volk dat ronddwaalt in het donker ziet dan een helder licht, over hen die wonen in een land vol duisternis gaat dan een stralend licht op. (Jesaja 9:1)
Ik, Jahwe zelf, heb U geroepen om heil te brengen, Ik neem U bij de hand, Ik vorm en bestem U om de Man te zijn van mijn verbond met het volk, het licht voor de naties, om blinde ogen te ontsluiten, om gevangenen uit de kerker te bevrijden, uit de gevangenis degenen die wonen in de duisternis. (Jesaja 42:6,7)
Ik stel U aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken der aarde.
(Jesaja 49:6)
En ruim 600 jaar later uit de mond van een poëtische priester:
...de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee Hij uit de hemel op ons zal neerzien, de Opgaande Zon, die verschijnt aan hen die in het duister en in de schaduw van de dood gezeten zijn, om onze voeten te richten op de weg van de vrede. (Lukas 1:78,79)
Voor het eerst wordt ook een andere melodie gekozen, want de innigdroevige wijs van de middeleeuwse ballade (in al haar varianten) past niet bij de uitbundige tekst van de Rotterdamse predikant: een tekst vol verwachting.
De melodie die er voor in de plaats komt, is van de hand van Melchior Vulpius (1609)en oorspronkelijk gecomponeerd bij ... een stervenslied: 'Christus der ist mein Leben'. In het Liedboek is ze de draagster van gezang 423: 'Ach blijf met uw genade' (en natuurlijk van Riemens' lied: gez. 124). De samenstellers van het liedboek hebben de melodie in haar oorspronkelijke, zeventiende-eeuwse, vorm hersteld. Dat is met name bij de 3e regel even wennen: die is minder .
uitbundig, meer ingehouden, dan we gewend waren. We waren gewend het uit te jubelen: 'Hij komt de vólken troosten!'
Riemens' Messiaslied werd als gezang 62b opgenomen in de bundel Oude en nieuwe zangen van Van Woensel Kooy en kreeg via deze bundel in ons land grote bekendheid. Er boven stond: Adventslied. Net als de oudtestamentische profeten ziet het de eerste en de tweede komst van Christus in één perspectief:
Het daghet in den Oosten, Het licht schijnt overal: Hij komt de volken troosten, Die eeuwig heersen zal.
De duisternis gaat wijken Van d'eeuwenlange nacht; Een nieuwe dag gaat prijken Met ongekende pracht.
Zij, die gebonden zaten In schaduw van de dood, Naar 't scheen van God verlaten, Begroeten 't morgenrood.
De zonne, voor wier stralen Het nachtlijk duister zwicht, En die zal zegepralen, Is Christus,' 't eeuwig Licht.
Het daghet in den Oosten, Het licht schijnt overal: Hij komt de volken troosten, Die eeuwig heersen zal.
Via de Hervormde bundel van 1938 (gez. 8) vond het lied zijn weg naar het Liedboek voor de kerken (gez. 124).
Beide bundels brachten in de tekst van Riemens veranderingen aan. De tijd zal leren of het verbeteringen zijnmaar ik verwacht dat een volgende eeuw deze retouches weer zal wegpoetsen 11.
"Ik baat gelovige ouders"
Als jongen van negen jaar zo.ng ik, tijdens een Kerstfeestviering, in het koortje van mijn moeder de tenorpartij van dit lied. Jarenlang was het, in een hoofd vol Psalmen, een van mijn lievelingsgezangen.
Dat niet elk kind van christelijke ouders zingend opgroeit, realiseerde ik me elf jaar geleden weer eens, toen op het beeldje van Geertruyt van Oosten in Delft de volgende hartekreet was neergekalkt: "Ik haat gelovige ouders". Wat is er allemaal aan zo'n tekst voorafgegaan, vraag je je af. En wat zal er op volgen? Beleven we het begin van een nieuwe 'eeuwenlange nacht'? De tiener (?) die deze graffiti aanbracht, zal zijn (haar) eigen kinderen wel geen christelijke opvoeding meer geven. Er is een hele generatie van ouders die, al of niet terecht, zó teleurgesteld zijn over de christelijke opvoeding die ze zelf ontvangen hebben, dat ze hun kinderen liever in de duisternis laten dan ze met 'vals' licht te confronteren. In zijn boek 'The last battle' (hfdst. 13) zegt C.S. Lewis over deze 'verloren' generatie: "They are sa afraid of being taken in that they cannot be taken out."
Hun kinderen vormen een generatie die van de Bijbel even weinig (of nog minder) afweet als van Homeros en Herodotos. In tegenstelling tot hun ouders koesteren zij geen haat tegen het evangelie. Wie laat het Licht uit het Oosten tot hen door?
Wie vertelt ze van 'de boom van het kruis' als Gods laatste redmiddel? Al of niet met pop(ulaire) muziek.
Noten
1. Volledige tekst bij Lodewick: Literatuurgesch. & bloemlezing, I, blz. 85 (in de 36e druk) Daar treft u ook de melodie uit het Antwerps liedboek aan.
2. Deze 2 strofen bij e.p. v. Andel: Tussen de regels, de samenhang van kerkgesch. en kerk lied, blz. 53. De overige strofen trof ik nergens aan. Ik houd me aanbevolen!
3. G. v.d. Leeuw: Beknopte geschiedenis van het kerklied, blz. 125.
4. In mijn artikel 'Christus in het kerklied (3): De mystiek en de Bruidegom' (Opbouw 1992, blz. 300) ben ik hier dieper op ingegaan.
5. Volledige tekst (21 strofen) in: Een devoot ende profitelyck boecxken, heruitgave D.F. Scheurleer (1889), blz. 196 (Kon. Bibliotheek, Den Haag).
6 In zijn boeiende dissertatie over de zestiende-eeuwse Schriftuurlijke lyriek, Liedekens vol gheestich contoort. toont Bert Hofman aan dat we hier met een liedbundel van gereformeerde signatuur van doen hebben.
W.A.P. Smit e.a. dachten aan een doopsgezinde bundel.
7. Volledige tekst bij L. Strengholt: Bloemen in Gethsemané, blz. 73. Zie ook het septembernummer van Woordwerk (nr. 43, blz. 6).
waar Bert Hofman in zijn artikel Bij de bronnen van de Protestants-Christelijke letterkunde dit lied uitvoerig bespreekt.
8. Er blijken onder de naam 'Het daghet in den Oosten' ook verschillende melodieën in omloop te zijn geweest: sommige varianten van elkaar, andere geheel verschillend.
Scheurleur publiceerde er in Een devoot & profitelyck boecxken (blz. 323) maar liefst 5!
9. Volledige tekst o.m. bij P.C. Hooft: Overvloed van vonken, blz. 49.
10. Volledige tekst in: Vondel vocaal, blz. 100. Daar vindt u ook de meest gebruikte(?) melodie van de ballade.
11 Heeft de retoucheur die de 3e regel van de 3e strofe (bij Riemens: naar 't scheen van God verlaten) veranderde in "van God en mens verlaten", zich gerealiseerd dat deze 'vondst' niet in de contekst past? In die contekst gaat het immers om volken die eeuwenlang door God aan zichzelf en de duisternis zijn overgelaten, maar nu 'getroost' worden door de opgang van het Licht? De gereformeerde bundel Uit aller mond (gez. 26) heeft deze wijziging dan ook niet overgenomen.