Kerkenraadsbeleid inzake relaties en relatievormen (5)

1993-12-31
  • Jaargang 37
  • nummer 27
Vervolgen we onze bezinning met enkele toegespitste overwegingen, eerst m.b.t. 'het ongelijke span'. De vooronderstelling van dit artikel is het vorige, dat handelt over het geestelijk karakter van het gesprek.

Voor de goede orde, met een ongelovige - een beladen woord, maar ik weet geen beter - bedoel ik iemand, die onontvankelijk voor het evangelie is. Geregeld komen we ook on- of randkerkelijke jongeren tegen, die min of meer ontvankelijk zijn en soms zelfs van harte open staan voor het Woord. Prachtig is dat! Maar daarover gaat het nu niet, het gaat over iemand die afwijzend is en blijft.

Moeilijk
Om eerlijk te zijn, juist bij dit punt ervaar je de moeite om de goede houding te bepalen het sterkst. Dat komt deels, omdat de zaak voor de direkt betrokkenen zo ontzettend gevoelig ligt. Het zou je maar gebeuren, dat je dolverliefd bent op een leuke jongen/ een schat van een meid en dan komt er iemand om daar wat van te zeggen ... Laat ie ophoepelen! Wanneer je het gesprek aangaat, moet je je deze gevoeligheid heel goed bewust zijn. Maar om nog een reden ervaar ik het als heel moeilijk een houding te vinden.
Elk 'geval' is er één apart. Neem een meisje van 16, 17 dat verkering met een ongelovige jongen krijgt. De overgave kan soms zo compleet en zo blind zijn. Wat moet je dan, als ouders, als kerke raad? Of, een ander geval, een jongen die psychisch behoorlijk in de kreukels zit en in aanraking komt met een onkerkelijk meisje, dat 'rn helpt orde op zaken te stellen in zijn leven. Of, zij heeft een jongen die niet gelooft, maar verder helemaal loyaal is, geen strobreed in de weg legt, de kinderen wil laten dopen etc. etc. Of, een ongetrouwde jongeman, zo eenzaam als Adam in de hof, vindt binnen de kerk niemand die bij hem past en komt uiteindelijk thuis met een buitenkerkelijke vrouw. Het ligt soms zo complex en wat is dan wijsheid?

Maar toch
Toch moeten we niet over het hoofd zien, dat het altijd gaat om een beslissing die voor heel het verdere leven en voor het nageslacht (!), grote consequenties kan hebben en dikwijls ook heeft. Het tijdelijk samenwonen is minder ingrijpend voor de verdere levensloop en de dienst aan de HERE dan het hebben van een ongelovige partner! En juist de Bijbel is zo duidelijk als het om deze dingen gaat (zie het eerste artikel). Als ouders, als kerkenraad zullen we ons in zijn algemeenheid dus als doel moeten stellen, dat de verkering wordt uitgemaakt.

Te simpel
Nu staat dit er nogal simpel: doel..., dat de verkering wordt uitgemaakt... Te simpel, want zo makkelijk gaat dat niet. Ja, sommige ouders treden meteen krachtig op en ervaren, dat die opstelling - wonder boven wonderhet gewenste gevolg heeft. En zeker meen ik ook dat je als ouders heel intens hierover in gesprek moet gaan. Andere ouders echter ervaren uiteindelijk iets anders: het is aan en wat je ook zegt, het blijft aan. En als de verkering verbroken wordt, liggen er dikwijls andere dan geestelijke argumenten aan ten grondslag. Hier moeten we niet te verwonderd over zijn. Mijn indruk is, dat zo'n verbintenis vaak aangegaan wordt, op momenten dat de band aan de HERE en/of Zijn gemeente zwak tot zeer zwak is. Bij iemand die echt met de HERE leeft is het feit van ongeloof bij een ander meteen al een onoverkomelijk breekpunt. Een geestelijk mens gaat hiermee anders om dan een vleselijk mens.

Nogmaals: geestelijk reageren
Opnieuw komen we uit bij het punt van het vorige artikel: we hebben te doen met een mensenkind, een verbondskind, voor wie Christus gestorven is. En we hebben niet alleen te doen met dat mensenkind, maar ook met zijn/ haar partner. Om het hart van die mensen zal biddend een geestelijke strijd gevoerd moeten worden. En dan kan het niet anders of we zullen proberen zo lang mogelijk met hen in gesprek te blijven. Het geloof mag dan soms zwak zijn, maar het is er. Laten we - zolang dat er is - alle moeite doen dat zwakke te versterken.

Heilig Avondmaal?
Dit betekent, dat je - indien de ander daartoe bereid is - met elkaar een periode van gesprek ingaat. Maar wat is de positie van degene met wie je dit gesprek voert vervolgens in de gemeente? Kan de persoon in kwestie belijdenis doen? Aan het Heilig Avondmaal gaan? Immers, laat je 'zomaar' iemand toe aan het Heilig Avondmaal die 'ja' zegt tegen iets wat door de Schrift zo nadrukkelijk verboden wordt?
Nu wil ik in principe niet uitsluiten, dat tot afhouding van het Heilig Avondmaal overgegaan moet worden, maar dat kan niet om het enkele feit van een relatie met iemand die niet gelooft, of - voortuitgrijpend op het volgende artikel - samenwonen. Van afhouden van het Heilig Avondmaal kan pas sprake zijn, als we heel zeker weten, dat iemand geen deel meer heeft aan het Rijk van God! Jij leeft dusdanig, dat Christus nu van jou zou zeggen: Ga uit van Mij, werker der wetteloosheid!
Laten we blijven in de lijn van Paulus' eerste brief aan de Korinthiërs. Hoewel de apostel in ronde woorden zegt dat de Korinthiërs vleselijke mensen zijn, gaat hij met hen niet om zoals die man die leeft met de vrouw van zijn vader: vonnis over hem vellen en die man uitleveren aan de satan (5:1-5). Een vleselijk denkend christen is nog geen werker der wetteloosheid ...

Beproef de geesten
Waar het in dit verband om gaat is, dat de geest geproefd wordt. Is die, ondanks het feit, dat er iets grondig mis is, naar de HERE toegewend, of is het een van de HERE wijkende geest? Ter wille van de persoon in kwestie zelf zal getracht moeten worden dit in de weg van gesprek helder te krijgen. En afhankelijk van de geest die we proeven zal vervolgens/tenslotte gehandeld moeten worden. En dat kan ertoe leiden dat je zegt: Nee, zoals jij leeft en gelooft, heb je jezelf vervreemd, helemaal vervreemd van de HERE. En om je daarvan te doordringen moeten we je afhouden van het Heilig Avondmaal. Mochten we een naar de HERE toegewende geest proeven, dan is het wijzer om om de persoon in kwestie heen te blijven staan, biddend, geestelijk leiding gevend. Laat ik nog even terugkomen op het voorbeeldje van de Afrikaantjes. Een jong plantje lijkt wel op onkruid. Een vleselijk christen voelt dikwijls nog niet de moeite van het ongelijke span zijn aan. Maar zodra er sprake is van geestelijke groei, bewust beleefd geloof, verandert dat. Dan worden de afstand en eenzaamheid vaak heel scherp geproefd. Er kunnen dan tijden komen dat het kerklid later ontzettend dankbaar is nooit door de gemeente van Christus afgewezen te zijn.

Appèl
Tegelijk geloof ik dat we deze houding gebruiken mogen, moeten zelfs, om krachtig bij te sturen en te appelleren.
Jongeren die een ongelovige partner hebben, zeggen soms: Nee, er wordt tussen mij en de HERE geen wig gedreven.
Op die woorden mogen we ze aanspreken. Jij zegt, dat deze relatie geen obstakel is voor je dienst aan God? Daar willen we je aan houden. En we verwachten, dat je dat laat merken door trouw te zijn in de kerkgang, door naar een bijbelkring te gaan en verder actief deel te nemen aan het gemeenteleven.

Uitmaken na gemeenschap?
Nog één punt wil ik aan de orde stellen. Hoe te reageren als er tussen het ongelijke span reeds bewust geslachtsverkeer is geweest? Moeten we dan het aandringen op een verbreking van de band staken? Gezien de onlosmakelijke verbondenheid in de Schrift van een totaal relatie en het geslachtsverkeer, ligt het voor de hand er daarover het zwijgen toe te doen. Toch zijn er ook Schriftplaatsen, die een andere kant uitwijzen. Te denken valt aan Ezra 9 en 10 waar bestaande huwelijkse verbanden acuut verbroken worden. Een andere accent wordt gelegd in 1 Kor. 7:12-16. Van een scheiding mag slechts sprake zijn wanneer de andere partner erin bewilligt. Toch opmerkelijk genoeg gezien het zevende gebod - de mogelijkheid van een scheiding wordt om reden van ongeloof niet uitgesloten! Zo zwaar tilt de Schrift aan het ongelijke span. Zelf ben ik hier niet uit. Aan de ene kant spreekt Ps. 15:4 me sterk aan.
Van de rechtvaardige lezen we daar: "Heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het niet". Zo moet ook degene die zichzelf helemaal heeft gegeven en van de ander alles heeft ontvangen, de consequenties daarvan dragen. Als je met een ander zo ver gegaan bent, mag je niet meer terug. Anderzijds wil ik toch ook wijzen op hetgeen in het vorige artikel aan de orde kwam: het op andere wijze aansprakelijk zijn voor wat je doet, tot je volwassen bent. Verder heeft in onze tijd - helemaal fout natuurlijk - geslachtsverkeer niet die ernst, die het in de Schriften heeft. Nu neutraliseren deze argumenten voor mijn gevoel desondanks Ps. 15:4 niet. Maar wat wel doorslaggevend kan zijn, is dit. Bij een jongere broeder of zuster merk je soms, dat een toegroeien naar de HERE, doet afgroeien van de partner. Het 'onkruid' is een sierplant je geworden. Dan meen ik, dat het met bewilliging van de partner uitmaken van de relatie niet uitgesloten mag worden.
Terzijde, niet alleen in dit verband vind ik het jammer, dat de Gereformeerde traditie de mogelijkheid niet kent om tot non of monnik gewijd te worden...

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief