'Israël'

1993-12-31
  • Jaargang 37
  • nummer 27
Met in de voorhoede KH Miskotte en A van Ruler, hebben de NH-kerk en de Gereformeerde kerken, alsook de RK-kerk, hun visie op 'Israël' na WO 11 herzien, willen herzien. Immers de Sjoa - de vernietiging van miljoenen joden - én de heroprichting van de staat Israël - waarin een levend jodendom functioneert - noopte tot een andere kijk op Israël. De NH-kerk en de Gereformeerde kerken hebben de relatie tussen kerk en Israël nu als "dialoog en wederzijds getuigen"
omschreven. Hiermee is een eind gekomen aan de vervangingstheologie (de kerk is in de plaats van Israël gekomen), de grond voor zending onder joden weggevallen en een fase van her- en erkenning van het religieuze jodendom betreden.
Aan deze ontwikkeling in denken wordt binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) vrijwel volledig voorbij gegaan. In de schaarse artikelen, die Israël als onderwerp hebben, heeft Israël afgedaan - tijdelijk naar men hoopt. Tot ditzelfde eindoordeel komt ook drs. Biewenga.in zijn artikelenserie 'Worsteling om Israël' in Opbouw.
In zijn beschouwing ontbreekt de andersoortige visie, de andere exegese, vanuit het denken van NH- en Gereformeerde kerken én het jodendom zelf, waardoor de lezer breder geïnformeerd zou zijn en zelf keuzen had kunnen maken.

De verrassende ontdekkingen, die Biewenga doet bij de bestudering van de gelijkenissen uit de evangeliën, blijken nauw aan te sluiten bij de al lang bestaande stereotiepe Israël opvatting: Israël is Gods volk niet meer.
Alle personages met een negatief gedrag staan model voor 'Israël' (eerste zoon, oudste zoon, pachters etc); in figuren met een 'im Grunde' positieve opstelling (tweede zoon, jongste zoon (??)) worden zij herkend, die de waarheid en de gehoorzaamheid verder dragen, in casu de christenheid. Biewenga heeft zich niet los kunnen maken van die stereotiepe Israëlbeeld, dat de laatste eeuwen de christelijke wereld zich heeft gevormd. Illustratief voor deze wijze van denken is de manier, waarop in de geschiedenis is omgesprongen met de tekst uit Mat. 21, 28-32 (bron: ds J van der Velden, NH/SOW predikante te Deventer).
In het gangbare denken wordt in de gelijkenis van de twee zonen steeds de oudste, eerste (!), zoon geïdentificeerd met 'Israël' - immers als eerste uitgenodigd Gods volk te zijn. In de vertaling van het NBG, de Willibrordof Canisiusvereniging, zégt dan ook de eerste zoon "ja", maar dèet "nee".
Echter in het oorspronkelijke Griekse tweede testament (NT) en in de vertalingen daarna tot en met de Statenvertaling is het de eerste zoon uit de gelijkenis, die "nee" zegt op vaders uitnodiging tot werken. in zijn wijngaard, maar wél gaat in tegenstelling tot de tweede zoon. Het lijkt aannemelijk, dat 'tekstwijziging' nodig was, om het stereotiepe beeld over 'Israël' te kunnen handhaven. Is het niet zo, dat luisteraars uitgenodigd worden de allegorie in de gelijkenissen op zichzelf toe te passen? Deze toepassing dient dan niet de vorm te krijgen van "déze karakterisering is voor mij geldig, die persoonsschets slaat op een ander", maar de herkenning te zijn van alle getekende karakters in zichzelf. Jezus vraagt hiervoor bewustwording, roept op tot keuzen bij individuen zowel onder de joden, onder de Farizeeërs - overigens een véél respectabeler groepering dan vaak van de kansels te horen is - als onder Nederlands Gereformeerden.
In géén geval velt Jezus een oordeel over Israël als geheel, zomin Hij dat zou doen over de NGK als geheel.
Jezus richt zich niet tot Israël als geheel, niet tot de rechtvaardigen uit het huis van Israël (Mat. 9, 13), maar tot "de verloren schapen" (Mat. 15,24). Het doel van Jezus is dan ook niet "het hart van Israël" te winnen, maar de afgedwaalden te wijzen op het nabij gekomen Koninkrijk van God.

In de epiloog van het eerste artikel de serie wordt het cruciaal geacht, dat het joodse volk Jezus erkent als Messias Israëls. Voor Israël staat of valt hiermee de erkenning als Gods volk.
Biewenga gaat helaas niet in op aard en inhoud van de Messiasverwachtingen, die men had in het tijdvak, dat het eerste testament (OT) bestrijkt of signaleert in de literatuur uit de periode tussen de twee testamenten (laatste 2-3 eeuwen voor de gewone jaartelling) (den Heyer, deel I). Voor het joodse volk is de verlossing een wezenlijk geloofsgoed. Een speciale, door God bezielde figuur, de Messias, zal de messiaanse tijd inluiden, schiften tussen rechtvaardigen en zondaars, het joodse volk uit de verstrooiing terugbrengen en meewerken aan de totstandkoming van het Koninkrijk Gods op aarde, de toekomende wereld (Boas, 136-140). In veel perioden in de joodse geschiedenis wordt echter niet gerept van een Messias, een geschikt geachte figuur ontbrak. Soms werd de Messias geplaatst in een apocalyptisch kader, komend nadat de mensheid door een onafwendbaar, diep dal is heengegaan. Soms krijgt de Messias bovenaardse trekken. Maar altijd, àls de naam Messias -, valt is de koppeling met 'verlossing' aanwezig. Voor de jood is met Jezus de messiaanse tijd, het zichtbare Koninkrijk Gods op aarde, de verlossing, die bijvoorbeeld in Jesaja 61.geschetst wordt, niet gekomen. Integendeel voor het jodendom is de vrede verder buiten bereik gekomen; 'Auschwitz' was de climax voor de joden. Tot op vandaag wacht het joodse volk met spanning op de Messias als voorbode van de verlossing. Voor de christen is het niet eenvoudig met het OT in de hand - op méér laat de jood zich niet aanspreken - de jood te overtulgen van het Messiasschap van Jezus.
De loop der geschiedenis pleit tegen de argumentatie van de christenheid.

Hier past ons bescheidenheid; Gods verbond met Israël staat nog steeds recht overeind (Rom. 11, 1). Israël is Gods volk gebleven. Wat de rol van Jezus - anders dan "heerlijkheid voor het volk Israël en licht tot openbaring voor de heidenen" (Luc. 2, 31-32)voor Israël méér inhoudt, zal mogelijk later duidelijk worden. Wat betekent bijvoorbeeld Jezus' rol als "dienaar van besnedenen om de beloften aan de vaderen te bevestigen" (Rom. 15,8) precies?
Het tot naijver, jaloersheid, brengen van Israël (Rom. 11, 11) op de christenheid door diens levenswandel, zou in theorie in de eerste eeuw van onze jaartelling mogelijk zijn geweest, maar is door 20 eeuwen van verguizing totaal irreëel geworden. Biewenga karakteriseert de kerk in deze periode wat zwakjes als degene, die "zomaar uitglijdt". Kruistochten en Sjoa zijn maar niet zomaar uitglijders, maar gewilde respectievelijk toegelaten moordpartijen op joden, broeders en zusters van Jezus.

Christenen hebben de weg naar de God van Israël, de God van Abraham, Izaak en Jacob, eerst kunnen betreden, doordat joden Jezus als Messias weigerden te erkennen. Zonder deze weigering zouden er geen christenen zijn. Deze weigering zou géén beletsel behoeven te betekenen - en is dit ook aanvankelijk niet geweest - vreedzaam samen te leven in synagogaal verband. In de rabbijnse literatuur uit de eerste eeuw ontbreekt kritiek op Jezus of christenen. Vijandschap later ontstaan tussen synagoge en 'kerk' en het uiteengaan van partijen is veroorzaakt door de zich ontwikkelende christologie en het afwijzen van de geboden (immers de wet was toch volbracht?) door met name heidenchristenen.
In de rivaliteit tussen partijen is de groep jood-christenen, bij wie de christologie veel minder tot ontwikkeling was gekomen, weggedrukt (Flusser, 307-338).

In plaats van de verschillen (tegenstellingen) tussen joden en christenen te benadrukken, verdient ontzag en liefde tot God, de Vader, waar beiden voor staan en waarom het óók Jezus begonnen is, méér aandacht. Voor de praktijk van het leven is deze gelijkgerichtheid wezenlijk. De grote vraag is niet of we zeggen "Heere, Heere" of "Jezus Messias", maar of we doen de wil van de Vader (Mat. 7, 21). Zoals ook Micha 6, 8 beklemtoont: "Hij heeft U bekendgemaakt. ..niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben ...". Want om God, de Vader, gaat het, niet in de eerste plaats om Jezus (Schoon, 272). Immers Jezus geeft de macht terug aan de Vader. Daar loopt het op uit, dat God "alles zal zijn in allen"
(1 Cor. 15,28). Er is maar één weg van liefde en genade naar deze God van Israël, die zich voor goed aan Zijn volk verbonden heeft met een eeuwige liefde (Jer. 31). De gelovige jood loopt op deze weg en verheugt zich dagelijks in zijn ochtendgebed met de woorden van psalm 100: "Goed is de Eeuwige en eeuwig Zijn liefde, van geslacht tot geslacht Zijn trouw". Niet slechts het OT maar ook het NT (Rom. 9-11) verwijst naar Gods eeuwig verbond met Israël. Wij, gelovigen uit de volken, mogen achter Jezus - een gelovige jood, die het licht is voor de volken - meegaan op deze weg tot de Vader. Zo worden de profetieën uit Jes. 40, 5, 42, 6 en 49, 6 waar; gaande op deze weg zullen de volken de heerlijkheid van Israël erkennen en wordt de profetie van Simeon (Luc. 2, 31-32) vervuld.

Bovenstaand tekstmateriaal - naast de door Biewenga geciteerde teksten (Joh. 14,6; Hand. 4,12), die op het unieke van Jezus wijzen - benadrukt de unieke plaats van Gods volk. Er loopt géén weg voorbij Israël.

Literatuur:
- Biewenga M.H.T., Worsteling om Israël (1), (2), Opbouw 37, 370 en 390 (1993).
- Boas H, Colthof Y, Wegwijs in het jodendom, Stichting Jad Achat (Amsterdam), 1985.
- Flusser D, Tussen oorsprong en schisma, Folkertsma Stichting (Hilversum), 1984.
- Heyer den C J, De messiaanse weg, delen I, II en 111. Kok (Kampen), 1983 e.v.
- Schoon S, De weg van Jezus, Kok (Kampen), 1991.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief