Opnieuw: Worsteling om Israël (Naschrift)
1993-12-31
De redactie heeft mij de gelegenheid geboden tot een reactie op het door drs. Noordhoek naar voren gebrachte. Een naschrift als dit behoort m.i. kort te zijn. Dat brengt mij echter in een lastig parket. Noordhoek legt zoveel op tafel dat een korte reactie erop mij nagenoeg onmogelijk voorkomt. Desondanks zal ik trachten mij tot het meest wezenlijke te beperken - ook in de wetenschap dat dit niet de eerste keer is dat in Opbouw over Israël wordt geschreven; ik denk met name aan vele artikelen van drs. H. de Jong, als wiens leerling ik mij met dankbaarheid mag beschouwen.- Jaargang 37
- nummer 27
Stereotiep Israëlbeeld?
Drs. Noordhoek constateert dat ik mij niet los heb kunnen maken van een al lang bestaand stereotiep Israëlbeeld; een oordeel dat trouwens niet slechts mij geldt, maar het geheel van de Nederlands Gereformeerde kerken; de ontwikkeling in de grote kerken is aan ons voorbijgegaan. Deze kwalificeringen lijken indrukwekkender dan ze in feite wel zijn. Beslissingen zullen immers altijd op grond van inhoudelijke argumenten genomen moeten worden, en niet louter op grond van de vraag of iets oud of nieuw is; datgene wat nieuw is, is niet automatisch goed op grond van het feit dat het nieuw is; zo min als het oude vanzelf verkeerd is op grond van het feit dat het oud is. Welnu, ik ben er inderdaad allerminst van overtuigd, dat de sinds de Tweede Wereldoorlog opgekomen 'Israëltheologie' nu werkelijk zoveel beter is dan de 'oude', 'stereotiepe' opvatting.
Het begin van het artikel van Noordhoek maakt me eerlijk gezegd ook direct al wat argwanend; noopten de Sjoa en de heroprichting van de staat Israël tot een andere kijk op Israël?
Maar zal een visie die zozeer stoelt op een mengeling van verlegenheid en schaamte uiteindelijk werkelijk stand kunnen houden? Wat gebeurt er wanneer eens een eind komt aan onze verlegenheid en onze schaamte? Is Israël dan nog veilig?
Ons eigen verleden
Zo min als we m.i. gediend zijn met dit soort visies op Israël, net zo min zijn we dat als het gaat om de kerk. In dit verband maak ik bezwaar tegen de populaire gedachte dat de kruistochten en de Sjoa zo ongeveer rechtstreeks voor rekening van de kerk komen. Wie er-protest tegen aantekent (terecht!) dat 'de Joden', collectief en exclusief, verantwoordelijk worden gesteld, m.n. voor de dood van Jezus, die verliest aan geloofwaardigheid, wanneer dergelijke collectieve oordelen wél onbekommerd worden uitgesproken over het verleden van de kerk. De vraag is vaker gesteld: wat denkt men te bereiken door met zo weinig onderscheidingsvermogen de eigen (!?) geschiedenis te lijf te gaan?
Of moeten dergelijke generaliserende oordelen dienen als de duistere achtergrond, waartegen het nieuwe licht des te helderder schijnt?
De twee zonen
Over de vraag naar de oorspronkelijke .tekst van Matteüs 21:28-32 bestaat inderdaad verschil van mening; enige voorzichtigheid is dus geboden. Het zou kunnen zijn dat de volgorde van de beide zonen omgekeerd zou moeten worden. Echter: dat dit de oorspronkelijke Griekse tekst zou zijn, zoals Noordhoek stelt, is allerminst bewezen.
Laat ik eens een andere stem laten horen; en daarvoor kies ik dan iets niet vanuit onze kerken, maar - ik zou haast zeggen: uit onverdachte hoek: E. en D. Monshouwer-Bakker, in De Eerste Dag, herfst 1981, blz. 17; zij schrijven: "De Statenvertaling en Groot Nieuws geven de volgorde van de twee kinderen juist andersom dan NBG en Willibrord.
Zij gaan daarvoor uit van een tekst, die berust op de meerderheid der handschriften. De tegenwoordig algemeen aanvaarde volgorde is die van de codex Vaticanus. De gewoonte om de onwillige zoon, die zich bekeert, voorop te zetten () wordt mogelijk wanneer men uit het oog verliest, dat het gaat tussen Israël en de volkeren.
Dat men inderdaad deze gelijkenis uit dat verband losmaakte blijkt uit de aantekening van de Statenvertalers: 'Door den eersten zoon worden verstaan de openbare zondaars, die, zich bekeerende, het Evangelie gehoorzaam zijn. Door den tweeden zoon worden verstaan degenen, die belijdenis doen van God te dienen, en nochtans in der waarheid zulks niet doen'."
Tot zover dit citaat. Is daarmee nu bewezen dat de 'bekende' volgorde de juiste is? Nee. Maar wel wil duidelijk gemaakt zijn dat de zaak wat ingewikkelder ligt dan Noordhoek het voorstelt.
Laatste opmerking hierover: voor wat ik heb betoogd in mijn eerste artikel is de onderhavige kwestie niet van heel veel belang; ook als deze tekst weg zou moeten vallen, blijft er nog genoeg over om het centrale van mijn verhaal voluit staande te houden.
Wat is dat centrale?
Wat ik niét heb beoogd is een allesomvattende Israël-theologie te presenteren; mijn doel was bescheidener. De in veel discussies over dit onderwerp centraal staande hoofdstukken 9 tot en met 11 van de brief aan de Romeinen heb ik zelfs helemaal niet genoemd. Ik wilde nu juist eens een aantal andere Schriftwoorden tot klinken brengen. (Is het toeval dat drs. Noordhoek in heel zijn Ingezonden verder met geen woord ingaat op ook maar één van de door mij in twee artikelen naar voren gebrachte Schriftwoorden - met uitzondering dus van de gelijkenis van de twee zonen?) Waar de aanhangers van de tweewegen-leer in feite op een klein aantal teksten uit de bijbel zijn aangewezen, daar was het mijn intentie om zichtbaar te maken dat er een andere lijn door de bijbel heenloopt, wat onopzettelijk, maar als je er oog voor hebt gekregen toch wel heel duidelijk: déze lijn dat het heil ook voor Israël niet vanzelf spreekt, maar altijd vraagt om de inwilliging van het verbond, dat wil zeggen, Nieuwtestamentisch geformuleerd: om geloof in de van God gezonden Messias.
De Messias;-verwachting
Naar aanleiding van de - door Noordhoek blijkbaar tamelijk integraal overgenomen, maar bepaald niet onomstreden - visie van C.J. den Heyer op de Messias-verwachting in Israël ten tijde van Jezus, zou ik hier niet zozeer een diskussie met Den Heyer willen beginnen, als wel een moment stil willen staan bij een Schriftgedeelte dat voor mij in dezen van het grootste belang is, namelijk Matteüs 16:13-25. Wat is daar aan de hand? Daar is in de eerste plaats die prachtige Messiasbelijdenis van Petrus; boven zichzelf uitsprekend belijdt hij dat Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God.
Het vervolg van dat grootse moment is opvallend. Ik noem drie dingen.
1. Het eerste wat we horen is dat Jezus Zijn discipelen uitdrukkelijk verbiedt om te zeggen dat Hij de Christus is. Waarom? Ik weet daar geen andere verklaring voor dan dat het noemen van de Messias-naam op dit moment onder het Joodse volk een volkomen verkeerd beeld zou oproepen; Jezus' zending zou daarmee niet gediend zijn, integendeel: het zicht op Hem zou verduisterd worden. Met andere woorden: Jezus is Zich ervan bewust dat Hij een andere Messias is dan door Zijn tijdgenoten werd verwacht. Hij sluit Zich niet aan bij de bestaande Messias-verwachting, sterker nog: Hij laat blijken dat die Messias-verwachting juist een hindernis kan zijn om Hem te herkennen en te erkennen als de van God gezondene.
2. Daar sluit het tweede onmiddellijk bij aan; in vers 21 immers gaat Jezus ook de Messiasverwachting van Zijn leerlingen korrigeren. Nu in de binnenste kring van Zijn discipelen het geheim van Jezus voor het eerst zó openlijk is uitgesproken, nu is Hem er alles aan gelegen om tenminste in déze kring het grote misverstand rond Zijn persoon en Zijn zending tegen te gaan. En dan vertelt Hij hen dat Hij géén Messias is die de verlossing zal brengen langs enigerlei voor mensen voorstelbare weg, maar dat Hij dat zal doen langs de weg van nederlaag en ondergang: Van toen aan begon Jezus: Christus (I) Zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest (I) gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden, en ten derde dage opgewekt worden.
3. Het derde waar ik op wil wijzen is de zo heel typerende reactie hierop van Petrus. In Petrus' Messiasverwachting past geen lijden en sterven; en daarom probeert hij met een indrukwekkend ingrijpen Jezus mee te krijgen voor zijn opvattingen. Nu hij immers zo mooi zijn geloof heeft beleden, en het langzamerhand duidelijk begint te worden dat Jezus de Messias is, nu moet er ook handelend opgetreden worden, de Messias waardig. En als Jezus dan blijkbaar even een inzinking heeft, dan zal hij, Petrus, Hem daar wel overheen helpen: Kom op, Messias, we gaan er tegenaan!
(Even een merkwaardige associatie die op dit punt onweerstaanbaar bij mij bovenkomt: op een vergelijkbare manier als Petrus hier aan Jezus staat te trekken, wordt er nu al tijden in New Vork getrokken en gesjord aan rebbe Schneerson, de leider van de Lubavitcher Joden; met grote aandrang wordt hem gevraagd zichzelf nu bekend te maken als de Messias. Zou het typerend zijn voor de Joodse visie op de Messias dat hij blijkbaar de helpende hand nodig heeft van zijn getrouwen om over de drempel van de aarzeling en de twijfel heen te stappen?
Ik vat samen: Petrus heeft een bepaalde Messias-verwachting (en hij zal die gedeeld hebben met anderen in zijn tijd). Maar wat Jezus hier doet is niét daarbij aansluiten, maar daar een gigantische korrektie op aanbrengen.
In het spoor van Den Heyer wordt de onder de mensen in die tijd bestaande Messias-verwachting de verstaanshorizon voor het optreden van Jezus; Hij wordt opgesloten binnen de menselijke verwachtingspatronen. Wat Jezus volgens het Evangelie echter doet, is juist die menselijke verwachting corrigeren, doorkruisen, haar radicaal transcenderen, te boven gaan.
Hier achter ligt uiteraard een geloofsvraag: zie je Jezus als iemand die van beneden komt, of van Boven? Als Hij van beneden komt, dan zijn inderdaad de in .Zijn tijd levende verwachtingen beslissend voor wat Hij wel of niet kan hebben gezegd en gedacht. Zie je "Hem daarentegen als komende van Boven, dan zijn de in Zijn tijd bestaande verwachtingen weliswaar niet waardeloos geworden, maar ze kunnen toch niet meer dienst doen als de tralies van de kooi waarin Jezus opgesloten zit. .
Is Jezus de Christus?
Noordhoek pleit voor een vreedzaam naast elkaar leven van Joden en Christenen, van synagoge en 'kerk' (waarom kerk mét, en synagoge zónder aanhalingstekens wordt geschreven is mij niet duidelijk). Ik denk dat wie zoiets voorstelt de aan de Joodse theologie inherente werfkracht onderschat.
Het Joodse denken doet een appèl op de mens, het daagt uit tot activiteit, tot een grijpen van datgene wat voorgesteld wordt als liggend binnen het bereik van de mens. Wie kiest voor deze weg, is zo goed als gedwongen om dan ook telkens een stap verder te doen. Het blijft niet bij een gelijkwaardig naast elkaar zetten van de weg van Israël en de weg van de gojim; de ene zónder Jezus, de andere mèt Hem. Er zit in deze keuze een soort dwangmatigheid, die is verbonden met het loslaten van de noodzaak ook voor Israël om Jezus als de Messias te erkennen en te aanvaarden.
Dat is ook aan te wijzen in het artikel van drs. Noordhoek. Ik .citeer: "Het doel van Jezus is dan ook niet 'het hart van Israël' te winnen, maar de afgedwaalden te wijzen op het nabij gekomen Koninkrijk van God". Hier wordt Jezus een profeet, zoals er meer profeten zijn geweest; Zijn werk gaat niet uit boven dat van een Jesaja of een Johannes de Doper. Wat hier uit het zicht verdwijnt is dat Jezus afgedwaalden maar niet wijst op het Koninkrijk, maar dat in Hem, in Zijn persoon, dat Koninkrijk present is. Hij is de Zoon, Hij is degene die ten laatste (Matteüs 21:37) door de Vader gezonden wordt.
Jezus is uniek! Ik noem in dit verband ook nog het bekende woord van Paulus uit Galaten 3:16, waar hij - via een voor onze begrippen heel Joodse manier van argumenteren!
- de belofte voor Abraham en zijn nageslacht onverbrekelijk vastmaakt aan Hem, die hét zaad van Abraham is: Jezus, de Christus. Werkelijk: de bijbel verzet zich aan alle kanten tegen een degradatie van Jezus, die Hem minder maakt dan wat Hij pretendeert te zijn: de Messias voor Jood en heiden. Het tweede citaat uit het artikel van Noordhoek sluit hierbij aan: "Voor de jood is met Jezus de messiaanse tijd, het zichtbare Koninkrijk Gods op aarde, de verlossing, die bijvoorbeeld in Jesaja 61 geschetst wordt, niet bereikt".
Ik vraag: hoelang kun je na zo'n uitspraak nog volhouden dat voor een Christen die Messiaanse tijd wél bereikt is? Het lijkt me werkelijk van tweeën één: ófwel Jezus is de Messias, óók voor de Jood - ófwel Hij is niét de Messias voor de Jood, maar dan ook niet voor de niet-Jood. Ik zie niet hoe een Christelijke theologieais ze tenminste meer wil zijn dan godsdienstwetenschap - zich in dit dilemma staande wil houden, en de keus voor één van beide consequenties op de langere termijn wil ontlopen.
De twee-wegen-leer lijkt mij daarom de markering te zijn van een per definitie beperkte - overgangstijd.
Maar gij, wie zegt gij dat ik ben?
Het zal niemand verbazen. dat ik meen uitdrukkelijk Nee te moeten zeggen tegen de laatste passage van het Ingezonden.
Daar wordt - om slechts het belangrijkste te noemen - het unieke van Jezus op één lijn gezet met het unieke van Israël; zoals er geen weg voorbij Jezus loopt, zo ook niet voorbij Israël. Echter: de vraag "Wat dunkt u van Israël?" is van een andere orde dan de vraag "Wat dunkt u van de Christus?"
Het antwoord op de eerste vraag mag aanleiding zijn tot een goed gesprek, tot een gedachtenwisseling, tot een discussie - het antwoord op de tweede vraag is beslissend voor het eeuwig heil, is een zaak van leven en dood.