Waarheid en eenheid

1993-04-23
  • Jaargang 37
  • nummer 9
Kort vóór zijn lijden heeft de Here Jezus zijn discipelen ook reeds gesproken over de tijd daarna. Als Hij verheerlijkt zou zijn, weer bij de Vader.
En zij nog verder moesten, in een vijandige wereld waarin de boze woedt. Zij stonden voor de taak in die wereld getuigen te zijn van Jezus. In te staan voor de waarheid, die in Hem gebleken was. Zijn Woord te verkondigen, het Woord van God dat Jezus in de wereld had gesproken. De taak om de Naam van de Vader, die de Zoon in woord en daad op aarde had geopenbaard, aan hen in het bijzonder, nu op hun beurt door te geven.
Met het oog daarop heeft de Here toen uitvoerig met hen gesproken. Hen ingelicht over zijn vertrek naar de Vader, hen opgeroepen elkaar toch lief te hebben, zoals Hij 't hun had gedaan.
Hen getroost met de belofte van de komst van de Heilige Geest. Hen aangespoord toch in Hem, in zijn woord, te blijven, anders kwam er van vrucht op hun werk niets terecht.
Wij weten hiervan door Johannes. Hij was erbij en heeft er een deel van zijn evangelie aan gewijd (13-17).Toen hij dit schreef was hij waarschijnlijk nog een van de laatstovergeblevenen van de apostelen. Van die mensen met hun unieke plaats en taak in Gods heilsplan.
Zij waren door Jezus zelf geroepen en opgeleid, meegenomen als getuigen van zijn spreken en handelen.
Ingewijd in de geheimen van het Koninkrijk van God. En zoals Hij door de Vader gezonden was, zo ging Hij hen nu zenden in de wereld, opdat de mensen door hun woord in Hem geloven zouden, 17:20, zie ook 15:8,16.

Nu vormden deze getuigen een gevarieerd gezelschap van heel verschillende mensen. Zij hadden elkaar ook niet gezocht, Jezus had hen bijeengezocht.
Men koos in die tijd zich een leermeester. Hier was het andersom: de Meester had hén uitgekozen, geroepen en aangesteld voor die geweldige taak straks, 15:16.
Daar kon alleen iets van terecht komen als zij, na zijn heengaan uit hun midden, in Hem bleven, Hem vasthielden door zijn woord vast te houden en zo ook samen één lijn te trekken. Er was nogal eens .sprake geweest van rivaliteit. Verschil over rang en plaats, om de eer. Wie is de meeste?
Voordat Jezus over zijn vertrek en hun taak ging spreken, heeft Hij hen dat eens voor goed af willen leren. Door zelf als hun bediende voor ieder van hen neer te knielen en hun vuile voeten te wassen, 13. Een indrukwekkende les in nederigheid. Meer nog: nu de Meester, onmiskenbaar de meeste van allen, hun Heer, dit voor hen gedaan heeft, hoe zou een van hen het nog durven bestaan zich boven de anderen te verheffen? Door hen allen de voeten te wassen bindt de Here hen allen samen, smoort Hij de rivaliteit in de kiem. Die zo'n groot gevaar inhield voor hun getuigenis straks. Waarvan ook weer het geloof van velen afhing.
Hoe belangrijk, dat ze dit afleerden.
Niet de kant uitgingen van strijd om de macht en de eer. Zoals degenen die zich maar moeilijk aan de autoriteit van Jezus gewonnen konden geven omdat ze zelf carrière wilden maken.
Tot wie Jezus zei: "hoe kunt gij tot het geloof komen, gij die eer van elkander behoeft...", 5:44. Die wilden zich als theoloog of kerkleider zelf profileren.
Dat nu valt bij de apostelen weg.

Straks staan de apostelen als een klein clubje getuigen tegenover dat grote, vijandige geheel, de wereld.
Maar ze worden niet verteerd door rivaliteit, verdeeld door elkaar te willen voorbijstreven, te schitteren ten koste van de ander met eigen visies.
Waar zou zo de geloofwaardigheid van hun getuigenis zijn gebleven?
Er wordt wel eens opgemerkt dat het vreemd is, dat in de 'Handelingen der apostelen' maar van een paar apostelen bijzonderheden worden verteld.
Toch, bij het begin van het boek, staan ze allen met elkaar bij name genoemd, 1:13. En als Petrus opstaat op de Pinksterdag om te spreken, doet hij dat "met de elven", 2:14. De door deze prediking diep getroffen hoorders wendden zich daarop tot Petrus "en de andere apostelen", vs 37. En ze bIeven volharden bij het onderwijs "der apostelen", vs 42. Ook geschiedden er vele wonderen en tekenen "door de apostelen", vs 43. Het is maar niet het verhaal van Petrus als man apart, maar als een van dat geheel. Als van de anderen niet veel meer verteld wordt, wil dat niet zeggen dat zij er niet toe doen. Maar als je er één hoort, hoor je ze allen. Ze geven hetzelfde getuigenis. Zie ook nog Handel. 5:12, 18,29: eendrachtig zijn ze bezig in woord en daad, samen lijden ze en voor het Sanhedrin getuigen "Petrus en de apostelen".
Behalve in die prediking en dat getuigenis horen we de apostelen ook, en dan zeer uitvoerig, in de vier evangeliën.
Mattheus en Johannes behoorden tot de twaalf. Marcus gaf de prediking van Petrus weer en Lukas kon te rade gaan bij hen, "die van het begin aan ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn".
Wat konden ze veel vertellen uit de jaren dat ze met Jezus waren opgetrokken.
Geen wonder, dat we in het ene evangelie weer andere woorden en daden van Jezus tegenkomen dan in het andere. Ze konden putten uit een rijk fonds. Aan het eind van zijn boek zegt Johannes, die uit eigenherinnering nog meer woorden en tekenen heeft beschreven dan er al op papier stonden, dat er nog wel veel meer was te noemen. Maar dit was nu wel genoeg om te geloven dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, 20:30.
Zo vullen ze elkaar aan. Maar ze spreken elkaar niet tegen. Als je na Mattheus Markus gaat lezen kom je niet een ander 'Jezus-beeld' tegen. Al worden dezelfde dingen soms met wat variatie verteld, al horen we nog weer heel andere dingen (bij Johannes vooral), het is één getuigenis van Hem, die door God gezonden is als Verlosser van zijn volk en van de wereld, de Zoon van God, die zijn weg ging naar het kruis om zijn leven te geven als losprijs voor velen en daarna verheerlijkt werd. In de evangeliën lopen de zegslieden ook niet met zichzelf te koop. Wie wàt zegt is ook niet zo belangrijk, ze hebben samen dezelfde boodschap. Ze staan in voor de ene waarheid. Het gaat ook niet om hun eigen specifieke inbreng.
Het zijn geen theologen, die furore willen maken met hun visie. Het zijn dienaren, instrumenten van hun Heer, ten dienste van ons geloof.

Zo merken we dat het voorbeeld van hun Heer in de voetwassing vrucht heeft gedragen en zijn gebed, waarmee Hij de 'afscheidsgesprekken' besloten heeft, geen 'vrome wens' is gebleven. Hij had zelf zijn taak op aarde volbracht en mocht nu terugkeren tot de Vader in zijn heerlijkheid (zo zag Hij ook in dit gebed al over zijn lijden en dood heen, 17:24!). Maar zij stonden nu voor hun taak. In de wereld de openbaring van de Vader in de Zoon doorgeven. Dan bidt Jezus: Heilige Vader, bewaar hen in, bij, die Naam. De Naam die U mij gegeven hebt om te openbaren. Bewaar hen zó daarbij, dat ze één zijn. Niet ieder hun eigen kant uitgaan, hun eigen visie ontwikkelen. Maar zo geheel als de Zoon zich hield aan de Vader, een met Hem, zó een. Vasthoudend allen samen en ieder voor zich aan de openbaring van Gods Naam, zoals ze die bij hun Meester gezien en gehoord hebben, 17:11.
Of, zoals de Here dan verderop bidt, vs. 17: Heilig hen in uw waarheid. De waarheid, die werkelijkheid van God, zoals die in Jezus' optreden naar voren is gekomen. In het Woord van God, aan Jezus gegeven en door Hem doorgegeven.
"Uw woord is de waarheid."
Zelf had de Here Jezus zich geheel en al aan die taak van Godswege gewijd, niets anders willend en sprekend dan wat God hem gaf te doen en te zeggen.
Opdat ook zijn dicipelen geheel en al God toegedaan zouden zijn. Zo konden ze zijn apostelen worden, geheiligd, Gode toegewijd, in het vasthouden aan die waarheid. Die verkondigend aan de wereld.
Nu, zo kunnen ook wij vertrouwen op hun woorden. Daardoor in Hem geloven.
Het is één lijn van God naar Jezus en van Jezus naar zijn apostelen.
De Here rekende er ook op, dat wij door hun woord in Hem zouden geloven.
Voor diegenen bad Hij ook al toen, vs. 20v. Dat ze in die eenheid van de Zoon met de Vader en van de gezondenen met hun Zender - die eenheid in de waarheid - opgenomen, zo ook een zouden zijn.
Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat gij met ons gemeenschap zoudt hebben.
En onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 1 Joh. 1:1-4.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief