Gerechtigheid en vrede (1)
1993-04-23
Verschraald- Jaargang 37
- nummer 9
In de christelijke traditie is het zondebèsef sterk verindividualiseerd. Daardoor werd het enerzijds verdiept, anderzijds verschraald. Wanneer wij over zonde spreken, ligt het accent vrijwel uitsluitend op zonden die op het persoonlijke vlak liggen, zoals echtbreuk, diefstal, liegen en dergelijke.
Dat een gemeenschap in haar totaliteit ook op een verkeerd, zondig spoor kan zitten doordat ze zich in economisch, sociaal of politiek opzicht door wereldse kaders en een vleselijk denken laat beheersen, is iets waarvoor we vaak maar weinig oog hebben.
Het woord 'zonde' wordt in dat verband nauwelijks gebruikt of het stuit, als het wel gebruikt wordt, op fel verzet.
Toch laten de profeten van Israël - en niet alleen zij - met onverbloemde duidelijkheid zien, dat een gemeenschap juist op politiek, sociaal en economisch gebied een duizelingwekkende schuld kan hebben. Zij waarschuwen het volk Israël niet alleen voor individuele zonden, maar evenzeer voor zonden waaraan de samenleving als geheel zich schuldig maakte.
Fragmentarisch
Vandaag lijken die twee aspecten van de zonde uit elkaar getrokken en van elkaar losgemaakt te zijn. In kringen waar de aandacht geconcentreerd wordt op persoonlijke zonden, bestaat vaak een blinde vlek ten aanzien van de zonden van een samenleving. Om een heel extreem voorbeeld te geven: men heeft dan geen moeite met atoombewapening maar roept ach en wee over een stel dat ongehuwd samenwoont.
En in kringen waar men gefixeerd is op de problematiek rondom vrede, gerechtigheid en milieu, lijken de vragen met betrekking tot de persoonlijke levensheiliging vaak nauwelijks een rol te spelen en aan ieders vrijheid te worden overgelaten.
Om opnieuw een illustratie te geven: iemand die nog spuitbussen met CFK's gebruikt, wordt dan scherp veroordeeld, maar over iemand met een buitenechtelijke relatie doet men dan vergoelijkend. Dat is zijn zaak, zegt men dan.
Voor alle duidelijkheid wijs ik er maar even op, dat ik in deze situatietekening natuurlijk chargeer en generaliseer.
De grenzen tussen beide groepen lopen niet zo duidelijk afgebakend als ik ze schets. Maar globaal genomen is er wel degelijk sprake van deze beide stromingen.
Het gevolg daarvan is dat het bijbelse spreken over zonde teloor gaat. Er vindt een fragmentatie van het zondebegrip plaats, waarbij de ene stroming zich op een bepaalde splinter ervan concentreert en de andere zich in de andere splinter vastbijt. Aan geen van beide kanten is dan nog sprake van een integraal bijbels zondebesef.
Oordelen
Daar komt bij dat ten gevolge van de secularisatie het spreken over zonde steeds meer verdwijnt. Het wordt steeds verder teruggedrongen tot achter de grenzen van de kring waar de persoonlijke zonden centraal staan.
Binnen deze kring leidt dat terecht tot aanzienlijke verontrusting. Want het zondebesef staat of valt met de realiteit van God. In de mate waarin God voor het besef van de mensen achter de coulissen verdwijnt, vindt ook een secularisatie van het zondebesef plaats. En waar niet meer van zonde gesproken wordt, is men ook blind voor Gods oordelen en toorn.
In de bijbel zijn die oordelen niet weg te denken. In het boek Openbaringom een voorbeeld uit het Nieuwe Testament te nemen - is de toorn van God manifest in rampen die over de aarde komen. Voor het eerst na 1900 jaar is het mogelijk allerlei visioenen als reële gebeurtenissen te herkennen.
Vijftig jaar geleden kon niemand zich nog een concrete voorstelling vormen van visioenen die spreken over een derde deel van de bomen dat verbrandt, over een derde deel van de zeedieren dat sterft, over verontreinigde rivieren en over een toenemende hitte. Vandaag behoeven we geen beroep meer te doen op onze fantasie om ons daarbij iets te kunnen voorstellen. We zien dit soort rampen voor onze ogen gebeuren.
Gods Woord spreekt dan van Gods oordelen. Daar hebben we mee te maken in de overweldigende problemen waarmee we geconfronteerd worden, niet alleen ten aanzien van het milieu maar ook ten aanzien van de derde wereld.
Dat Gods oordelen hier een rol spelen, wordt op grote schaal ontkend. Er is daarbij geen sprake van Gods oordelen maar van menselijke schuld, zegt men. Alsof die twee niet kunnen samengaan!
Bijbels gezien kan Gods oordeel hierin bestaan, dat God de mens prijsgeeft aan de consequenties van zijn eigen handelen.
Verootmoediging
De negatie van het oordeelskarakter leidt niet alleen tot verlies van een wezenlijk element in het bijbels onderwijs, maar staat ook de verootmoediging voor God in de weg. Er zijn mensen die bij het woord verootmoediging onmiddellijk beginnen te steigeren. Ze denken dat het zich verootmoedigen onder Gods slaande hand wil zeggen, dat je Gods oordelen gelaten en passief over je heen moet laten komen en dat je niets anders kunt doen dan een geduldige afwachtende houding aan te nemen tot het God behaagt die oordelen weg te nemen.
Nu is zich buigen en verootmoedigen onder Gods slaande hand onmiskenbaar een houding die de bijbel van ons verwacht. Alleen maar: dat is niet hetzelfde als een gelaten passiviteit.
Je buigen onder Gods oordelen heeft alles te maken met je bekeren. En dat is het tegendeel van passief zijn. Je bekeren is op je schreden terugkeren.
Het is een andere koers gaan volgen, tegengesteld aan de richting waarin je liep. Dat gaat niet vanzelf. Bekering eist inzet, inspanning, doortastendheid en moed.
Dat is iets totaal anders dan passiviteit.
Maar het is ook iets heel anders dan je verzetten tegen Gods oordelen.
Verzet tegen God en zijn oordelen komt voort uit zelfhandhaving en hoogmoed.
Daar heeft de bijbel geen goed woord voor over.
Verzet tegen Gods oordelen leidt dan ook niet tot verandering van koers, maar betekent een zich hardnekkig vastbijten in een eenmaal ingeslagen zondige koers. Het is die reactie op Gods oordelen die in Openbaring getypeerd wordt met het herhaaldelijk terugkerende refrein: en zij bekeerden zich niet. Zich verzetten tegen Gods oordelen kan dan ook alleen maar leiden tot een verheviging van dat oordeel en de uiteindelijk ondergang.
Gerechtigheid
Tegen die achtergrond wil ik enkele opmerkingen maken over gerechtigheid en vrede. In de Schrift hebben die beide woorden alles te maken met een leven in het verbond. In het verleden is daar nauwelijks oog voor geweest, omdat met name het woord gerechtigheid zowel in de samenleving als in de theologie geïnterpreteerd werd vanuit de aristotelische filosofie en de romeinse rechtspraak. Dat is belangrijk genoeg om er even bij stil te staan.
Gemeenschap met de HERE is alleen maar mogelijk in het kader van zijn verbond. Om die gemeenschap in stand te houden, heeft de HERE verbondsregels gegeven. Het negeren van die regels - ook van de regels die de onderlinge omgang tussen mensen raken - betekent verbondsbreuk en blokkeert de gemeenschap met Hem.
Het naleven van die verbondsregels heet in de Schrift: gerechtigheid. Een rechtvaardige is iemand die zich aan de afspraken houdt, zoals die in het verbond zijn vastgelegd. Het is iemand die optreedt en handelt zoals dat op grond van de bij de verbondssluiting gemaakte afspraken van hem verwacht mag worden, die het verbond als richtsnoer van zijn leven heeft en die uit dat verbond leeft.
Dat is ook van toepassing op de HERE.
Gods gerechtigheid houdt in dat Hij optreedt in overeenstemming met zijn verbondsbeloften:- Het land Kanaän was een van die beloften (Gen. 15:13-16; Ex. 34:10,11). Als God Kanaän aan Israël geeft en de bewoners ervan ten onder laat gaan, gedenkt Hij daarin zijn verbond en bewijst Hij zijn rechtvaardigheid (Ps. 105:8-11).Ook de vergeving der zonden is zo'n belofte (Ex. 34:5vv). Daarom blijkt Gods rechtvaardigheid ook in de vergeving der zonden (Ps. 51:16; 1 Joh. 1:9). Maar ook zijn oordelen hebben met dat verbond te maken. Het zijn de sancties op het overtreden van de verbondsregels (Deut. 29:25vv). Ook in zijn oordelen is de HERE rechtvaardig (Ps. 9:9). Als Hij ze voltrekt, doet Hij wat op grond van de verbondsregels van Hem verwacht kan worden.
Onrechtvaardig zijn is het tegenovergestelde daarvan. Het is Gods verbondsregels aan zijn laars lappen.
Vrede
Ook het woord 'vrede' heeft in de bijbel alles te maken met een verbondsverhouding.
Tussen twee partijen die een verbond gesloten hebben, heerst een situatie van vrede. Dankzij dat verbond geven ze elkaar het volle pond, staan ze elkaar niet in de weg, belemmeren ze elkaar niet in hun ontplooiing en benadelen ze elkaar niet. Ze helpen, steunen en stimuleren elkaar juist. Kortom, er bestaat een harmonische verhouding tussen hen, omdat ze zich beiden houden aan de regels van het verbond.
Vrede is immers de vrucht van gerechtigheid (Jes. 32:17), van het in acht nemen van de vetbondsregels. Mensen die zich niet aan die regels houden, kennen de weg van de vrede dan ook niet (Jes. 59:8). Zij nemen de vrede weg.
Gerechtigheid en vrede horen onlosmakelijk bij elkaar (Ps. 85:11). In het rijk van de Messias, dat gegrondvest is op gerechtigheid, zal de vrede dan ook eindeloos zijn (Jes. 9:6). Maar de goddelozen, dat wil zeggen degenen die Gods verbond niet als richtsnoer van hun leven aahvaarden, hebben geen vrede (Jes. 48:22; 57:21). Het verbond met God bepaalt dus het klimaat van woorden als gerechtigheid en vrede.
Afgoderij
Volgens Gods Woord bestaat een van de facetten van het leven in het verbond in het hebben van aandacht voor de armen, zwakken en weerlozen en in het zorg dragen voor hen. De mozaïsche wetten, die je zou kunnen typeren als de kleine lettertjes bij het verbondscontract tussen God en Israël, bevatten tal van bepalingen die dat duidelijk maken. Te denken valt bijvoorbeeld aan lhet sabatsgebod met zijn sabbatdag, sábbatjaar en jubeljaar, aan de oogstvoorschriften, of aan de bepaling dat het als pand genomen opperkleed van een arme vóór zonsondergang teruggegeven moet worden.
Ik wil nog even weer onderstrepen dat al dergelijke bepalingen in het verbondskader staan en dus direct te maken hebben met de verhouding tot God. Het niet naleven ervan breekt de relatie met God af. Het tweede gebod is immers gelijk aan het eerste en grote gebod (Matth. 22:34-40).
Nu kunnen dit soort bepalingen alleen maar doorwerken, waar men niet hebzuchtig is, niet gedreven wordt door geldzucht. Wie hebzuchtig is, verkeert in de greep van de Mammon. En de Mammon is een afgod. Vanuit deze gezichtshoek wordt het ook duidelijk, dat het financieel uitzuigen van mensen een directe aantasting is van de relatie met de HERE, omdat het immers een uitvloeisel is van afgodendienst.
Als het leven van een individu of van een gemeenschap beheerst wordt door het adagium 'hoe schrapen we zoveel mogelijk geld naar ons toe?', is er sprake van afgoderij. Het is niet toevallig dat bij de verzoekingen van Jezus in de woestijn, het aanbidden van de satan (= afgoderij) voorwaarde was voor het ontvangen van alle koninkrijken der aarde met hun rijkdom (Matth. 4:8,9). Wie de rijkste man van de wereld wil worden, moet onvermijdelijk voor de satan door de knieën. Hebzucht is niet anders dan afgoderij (Col. 3:5).
Wordt vervolgd