Bidden om eenheid (1)
1993-04-23
Het beste uitzicht- Jaargang 37
- nummer 9
Het beste uitzicht heb je op je knieën.
Met woorden van deze strekking begon ds. Vrijhof op 17 januari j.l. zijn preek over Ef. 3,14-21, waarmee hij intrede deed in de Ned. Geref. Kerk van Arnhem.
Bij deze gelegenheid(1) sluit ik me daar van harte bij aan: Het beste uitzicht heb je op je knieën en met je ogen dicht. Paradoxaler kan het haast niet!
Maar als het ergens voor geldt, dan zeker voor het gebed om de eenheid.
Alleen op onze knieën en met de ogen dicht zijn we in staat iets te zien van wat de Heer van de Kerk ons geven wil als het gaat om de eenheid van zijn Kerk. Want met de ogen open om ons heen kijkend in heden en verleden, zien we er soms maar bar weinig van.
Ik nodig u uit om op deze jubileumavond met mij terug te gaan naar het verleden om iets te zien van de gebedsworstelingen, die toen hebben plaats gevonden en die ons ten voorbeeld kunnen dienen.
En dan verplaatsen we ons allereerst naar het geboorteuur van de afgescheiden kerken, waarvan wij de nazaten zijn: dinsdagavond 14 oktober 1834. Dan is de gemeente van Ulrum bijeen in het huis van één van haar leden, de weduwe Hulshof. De kerkeraad is er. Klaas Pieters Kuipenga is er, de catechisant op leeftijd, die in de hand van God een middel was om ds. Hendrik de Cock de ogen te openen voor de beproefde Gereformeerde en Bijbelse leer van de totale verdorvenheid van de mens en het evangelie van verlossing door Christus alleen.
En uiteraard is er ook ds. De Cock zelf, nu al een maand of tien van hogerhand belemmerd in de prediking van dat heerlijke evangelie. De week daarvoor was onverwachts zijn collega ds. H.P. Scholte uit Brabant op bezoek geweest om hem en zijn gemeente in hun moeite te bemoedigen. De kerkeraad had hem spontaan uitgenodigd om op zondag 12 oktober het Woord te bedienen. Maar de consulent, ds. Smith, die door de ring (de classis) voor de preekbeurten op die zondag was aangewezen, was niet van plan die voor Scholte op te geven. Wat die zondag een grote spanning veroorzaakte.
14 oktober 1834
Voor De Cock was dit de druppel die de emmer van zijn geduld liet overlopen.
De volgende maandagavond deelt hij de kerkeraad mee, dat hij nu de vrijmoedigheid heeft om zich af te scheiden.
De kerkeraad, die daar al eerder aan toe was, hoort dit met blijdschap aan.
Op diezelfde avond wordt dan door de kerkeraad de Acte van Afscheiding of Wederkeering getekend.
De avond daarna, dinsdag 14 oktober dus, roept de raad de gemeente bijeen om haar instemming met het kerkeraadsbesluit te vragen. Ze moet beslissen of ze met verwerping van het Herv. Kerkbestuur als zelfstandige gemeente haar rechten zal handhaven en of ze de leraar die haar is ontroofd wil houden.
En dan gebeurt er iets indrukwekkends.
Hel. de Cock schrijft in het boek, dat hij over zijn vader geschreven heeft: "Doordrongen van het gewicht van het ogenblik, overtuigd dat het besluit der gemeente grote gevolgen zou hebben voor de toekomst, werd er vooraf knielend gebeden; vervolgens werden al de zaken blootgelegd, en eindelijk het besluit van de gemeente vernomen."(2)
Ziet u het voor u? Ruim honderd mannen en vrouwen, geknield voor hun Heer, niet vol van een geest van opstandigheid en verbittering, maar van nederigheid en ootmoed voor het aangezicht van hun God.
In het kerkeraadsboek dat toen werd aangelegd tekent De Cock aan: "Dingsdag avond den 14 den October, hebben wij, na biddend en knielend opzien tot den Heere, ons afgescheiden van de valsche kerk en in de mogendheden des Heeren het ampt aller geloovigen aangenomen, hetwelk Hij, de Heere, de Almagtige, de Eenige en Drieëenige God, bevestige! Met psalmgezang en dankzegging is die plechtigheid besloten."(3)
Zo speelde het gebed in het geboorteuur van de Afscheiding een grote rol.
Ogenschijnlijk op een moment dat de eenheid werd verbroken. In wezen toen ze vurig werd verlangd, maar dan wel als de eenheld van het ware geloof in de enige Zaligmaker Jezus Christus. Op de knieën, met de ogen dicht...
Onder druk van buiten en van binnen
Ja, want met de ogen open kregen de afgescheidenen voorlopig niet veel fraais te zien. Van buitenaf was er de druk van een overheid, die deze trouwe kinderen van God onbegrijpelijk zwaar vervolgde en van een burgerij, die hen maakte tot het mikpunt van hooghartige spot, laag-bij-de-grondse vuilspuiterij, ja zelfs grove molestaties.
Van binnenuit was er een energieverslindende twist over allerlei zaken. Er is fel gestreden over de psalmberijming, over de kerkenordening, over de voorwaarden wáarop men van de overheid vrijheid van godsdienstoefening zou mogen vragen, over de gemeentebeschouwing, over de toeëigening des heils. Er deed zich, met name rondom de zaken van prediking en gemeentebeschouwing, al gauw groepsvorming voor, waarbij sprake was van noordelijken en zuidelijken, van Brabanders en Geldersen.
Al op de tweede synode, die in 1837 in Utrecht bij elkaar kwam, was het goed mis. Juist daar was er het bizarre kontrast van de druk van buiten, die men gemeenschappelijk had te doorlijden, en de interne spanningen, die tot grote verdeeldheid leidden.
Merkwaardig is wat één van de hoofdrolspelers, ds. Simon van Velzen, daarover schrijft in zijn memoires: "Het was toen in de hitte der vervolging.
Nacht en dag stond voor den ingang van het gebouw, waarin de vergadering gehouden werd, een schildwacht met zijn geweer, om niemand boven het beruchte twintigtal binnen te laten. Nochtans hadden de 24 leden middel gevonden daar bijeen te zijn. Veertien dagen lang moesten de leden, om door de schildwacht niet te worden afgewezen, indien ze zich buiten het gebouw begaven en niet weder zouden binnengelaten worden, bij elkaar blijven. Ze aten, dronken, sliepen gemeenschappelijk in de zelfde vertrekken, deden, niet slechts in de vergadering, maar bij het ontwaken en als ze zich ter rust begaven en dan steeds knielende, met elkaar hun gebed. En toch in deze synode heerschte grote verdeeldheid van gevoelens tot het einde toe."(4)
Ook hier werd ik getroffen door het samen geknield bidden. De gemeenschappelijke verootmoediging, het zich klein willen maken voor God om het van Hem te verwachten.
Maar wat was het dan, waardoor ze toch niet samen de verhoring van hun gebeden van Hem ontvingen? Wat bleef de eenheid verstoren?
De wortel van het kwaad
Een jaar later, 1838, schrijft de Provo Vergadering van Gelderland een dank-, vast- en bededag uit. Dat gebeurt op initiatief van de vredelievende ds. Anthony Brummelkamp, die in die tijd zo'n beetje predikant van heel Gelderland was. De andere provincies worden uitgenodigd om hieraan mee te doen. Zelfs in Zwitserland wordt hieraan deelgenomen.
Ter gelegenheid van deze dag van dankzegging en van verootmoediging publiceert Brummelkamp een boekje met drie preken en gebeden onder de titel Roepstem tot bekentenis en gebed.
En in dat boekje geeft Brummelkamp dan aan wat hij ziet als de voornaamste oorzaak van de bestaande twisten. Dat is niet het verschil in inzicht m.b.t. verbond en doop, noch het verschil in opvatting m.b.t. een k.o. e.d.
Nee, het ergste kwaad zit dieper. Het ergste kwaad is hoogmoed in het bezig zijn met de heilige zaak van de Heer. Het leek er soms op, dat men eerder blij dan bedroefd was als men bij een ander afwijking van de ware leer meende te ontdekken. En hoe hoogmoedig kon er niet gesproken worden over broeders, die in zonde gevallen waren. Of over hen, die waren achtergebleven in de Herv. Kerk en niet tot afscheiding konden komen.
Het ergste kwaad is dat men niet recht staat voor God en dat men de HEERE niet dient met een volkomen hart. Dat men zoveel eigen eer zoekt en op mensen vertrouwt. Indringender als geen ander wees Brummelkamp de weg van nederigheid, van broederliefde en van zelfverloochening.
Is het onder invloed van zijn bemoeienissen, dat de 3e synode van de Afgescheidenen van 1840 te Amsterdam met een ontroerende schuldbelijdenis komt in een hartstochtelijke poging om de verspeelde eenheid weer terug te winnen?
Lees maar eens: "Met schaamte en schulderkentenis zien wij thans terug op hetgene dat vroeger door ons gedaan is, en oorzaak kan geweest zijn van vele oneenigheden in de Kerk en onlusten buiten dezelve. Onder inbidding dat de Heere ons genadig zij, om de ongeregtigheid en de zonde hierin gepleegd te vergeven, en dat Hij herstelle hetgeen wij verbroken hebben (want och! wij kunnen wel breken, maar herstellen dat is Zijn werk) wenschen wij tot dat standpunt terug te keeren, waar wij ons bevonden toen wij uit het Babel van valsche leeringen zijn uitgegaan... Wij bevelen dan ons zelve en de Gemeenten Gode en den Woorde zijner Genade aan en in de gebeden van de kinderen Gods, om ons voor Zijnen troon gedachtig te zijn, bedenkende, hoezeer wij des Heeren leiding en bestier in onze bedieningen noodig hebben, en dat wij onbekwaam zijn om iets goeds te doen als uit ons zelven, maar onze bekwaamheid is uit God."(5) Heeft ooit een kerkelijke vergadering zo zuiver en oprecht schuld beleden van kerkelijke zonden? Ontroerend om te lezen hoe deze synode de kerken dringt tot het buigen van de knieën.
De synode van 1843
Helaas, deze geest van verootmoediging verkreeg maar moeizaam de overhand. Na een aantal mislukte pogingen kan pas in 1843 opnieuw een synode bijeenkomen. Maar nog voor het officiële begin van de synode ligt m.n. ds. Scholte op bepaalde punten dwars, waardoor samen vergaderen onmogelijk blijkt.
In zijn boekje De crisis der jeugd schrijft prof. H. Bouwman daarover: "Het pijnlijke van de toestand werd in de vergadering diep gevoeld. Het hart gevoelde behoefte zich te sterken in gezang en gebed. Vurig stegen herhaaldelijk de gebeden opwaarts. Maar men kon niet tot de eenheid komen."(6)
Scholte, maar ook Brummelkamp en Van Raalte vertrekken. Hun weggaan is voor velen diep verdrietig. Sommigen hebben tranen in de ogen. Wat moet gedaan worden? De overgeblevenen besluiten zich nu toch als synode te constitueren.
Maar al gauw ontstaat er nieuwe onenigheid.
Op een bepaald moment verklaarde de praeses dat verder vergaderen onmogelijk is. Men besluit dan te doen alsof er geen synode geweest is.
En tenslotte knielt heel de vergadering, in diepe verootmoediging over de onenigheid, neer voor Gods troon om aan de machtige en trouwe Koning der gemeente de noden van Sion op te dragen." Weer worden de knieën gebogen en de ogen gesloten.
De tijd ontbreekt me en het is ook weinig verheffend om het getwist en het gekrakeel verder te volgen. Pas in 1854 was de 'crisis der jeugd' min of meer overwonnen.
En toch, hoe weinig verheffend en stuitend ook, mij boeit telkens weer die gebedsworsteling. De geschiedenis van de Afgescheiden kerken is de geschiedenis van kleine, vaak ook kleingeestige mensjes. Koninkjes in eigen huis, die niet makkelijk de nek voor anderen wilden buigen. Strijders voor eigen gelijk, die lang niet altijd de breedheid van het heil zagen.
Maar deze mensen wisten wel wat bidden was. Zij zochten in de hitte van de strijd telkens weer gelegenheid om samen op de knieën te gaan en de ogen te sluiten en momenten lang niemand anders te zien, dan Hem die alleen kan helen wat wij breken en scheuren.
Stonden zij weer op, dan stonden ze ook al te vaak weer op tegen elkaar.
En toch was er als een onderstroom ook die bewogenheid. Met de ogen open zagen zij hun verschillen als levensgroot en onoverkomelijk. Maar op hun knieën en met de ogen dicht zagen zij Hem, die toch hun aller eenheid was. En die in zijn genade en barmhartigheid uiteindelijk de eenheid gaf, die zij zo schuldig verspeelden.
Onze onmacht is onze schuld
Kennen wij dit hartstochtelijk gebed vandaag nog? Als wij zien op de verdeeldheid van de Gereformeerde belijders vandaag, kan ons dat tot zuchten brengen: Wat valt hier nog aan te doen!? Wie vindt hier nog de weg tot elkaar?
Inderdaad, voor ons valt hier ook weinig of niets te doen. Toch, juist ook lettend op wat God in het verleden deed mogen we zeggen: Maar de Heer kan en wil er wél wat aan doen. En wij moeten voor Hem daarvoor ruimte maken.
Hoe?(8) Door onze onmacht te erkennen en die te belijden als onze gemeenschappelijke schuld. Dat we nog steeds zo verdeeld zijn is niet een lot dat ons overkomen is. Maar het heeft te maken met zonde en afval van Christus. Dát wij er niets aan kunnen doen, dat is juist ook de schuld, die op ons drukt.
Maar daarom ook vandaag samen op de knieën, neergebogen voor Christus ons Hoofd en belijdend - en dan citeer ik nog één keer Brummelkamp in een ontroerende schuldbelijdenis: "Thans heeft de Heere ons geslagen, de Heere heeft ons gekastijd: het volk met de Leeraars, welke het zich tot Goden gemaakt had, de Leeraars met het volk waarop zij vertrouwd hadden. - DankO Heere! Eeuwige dank en lof hebbe Uw Naam, het gerommel uwes ingewands voor deze kastijding. En eeuwige dank dat Gij ons daarover pijn doet gevoelen. - Heere, vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren! Heere vergeef en merk op onze smeeking om uwes zelfs, om uwes grooten Naams wil, om de verdiensten uwes lieven Zoons, om zijnentwil die onze Herder, onze Verlosser, Heer en Koning is. Heere, onze Heere, hoor onze smeeking! Ja. Gij zult hooren naar uwe trouw, naar uwe onwankelbare Verbondstrouw. Amen, ja Amen."(9)
Wij zouden het anders formuleren.
Maar toch... zo op onze knieën en met de ogen dicht hebben we het beste uitzicht op wat God ons geven wil boven bidden of beseffen (Ef 3,20v).
Noten
1 Op 19 maart j.l. herdacht de Chr. Geref. Kerk van Arnhem haar honderdjarig bestaan.
Ter gelegenheid van deze herdenking is een klein symposium georganiseerd over 'Eenheid in Gods Kerk'. Daar werd achtereenvolgens gesproken over 'Het geloof in de eenheid' (door Prof. Dr. W. van 't Spijker), 'Het gebed om eenheid' (door ondergetekende) en 'Het gebod tot eenheid' (door ds. M.W. Vrijhof, predikant van de Chr. Geref. Kerk in Arnhem en sinds 17 januari j.l. ook van de Ned. Geref.
Kerk aldaar). Mijn bijdrage bied ik hierbij de lezers van 'Opbouw' aan.
2 Hel. de Cock, Hendrik de Cock, eerste afgescheiden predikant in Nederland, beschouwd in Leven en Werkzaamheid. Eene bijdrage tot Recht verstand van de Kerkelijke Afscheiding, Delfzijl, 1886, pag. 302.
3 Hel. de Cock, a.w., pag. 303.
4 J.A. Wormser, Een schat in aarden vaten, dl. I, Nijverdal, 1915; pag. 66.
5 Geciteerd uit C. Veenhof, Kerkgemeenschap en kerkorde, Amsterdam, 1974, pag. 59.
6 H. Bouwman, De crisis der jeugd, heruitgave door C. Smits, 1976, pag. 52.
7 H. Bouwman, a.w., pag. 57.
8 Het volgende is geïnspireerd door wat J.H. Gunning Jr. gezegd heeft in zijn laatste openingscollege aan de Universiteit van Leiden.
Deze toespraak is opgenomen in: J.H. Gunning Jr., Brochures en brieven uit zijn Leidse tijd (1889-1899). Ingeleid en bewerkt door drs. A. de Lange, Kok, Kampen, 1984.
9 C. Veenhof, a.w., pag. 62v.