Aanvullingen op de uitleg van het boek Openbaring
1993-05-07
Op beide punten die ik in m'n laatste artikelen over Openbaring aan de orde stelde, t.w. de zinspeling in 14,4 op Baäl-Peor en het optreden van de twee getuigen in hfdst. 11, moet ik bij nader inzien nog iets aan het geschrevene toevoegen.- Jaargang 37
- nummer 10
Baäl-Peor / Boek des levens / Erfrecht
Men zal zich herinneren, dat ik mijn reeks over Openbari ng begon met - in aansluiting aan wat mijn zoon eerder had gepubliceerd over het 'boek des levens' - een onderzoek te doen naar de aard van de boekrol uit Op. 5.(1) We zijn toen tot de conclusie gekomen, o.a. gezien de verbinding die gelegd wordt met 'het bloed van het Lam' (v.9), dat het hier gaat om 'het boek des levens', het register van de Israëlieten die uit de dood-in-Egypte waren gered en voor het leven in het land der belofte waren bestemd.
Een vergelijking met het slot van Jes. 34 leek te bevestigen, dat het in dat 'boek des levens' gaat om het vastleggen van het recht op een erfdeel voor de ingeschrevenen.
Nu is het opmerkelijk, hoe onmiddellijk na de 'plaag' van Baäl-Peor Mozes en de priester Eleazar van den Heere opdracht krijgen de Israëlieten van boven de twintig opnieuw te registeren, Num. 26, 1.2.
Er zijn inderdaad in de oorspronkelijke lijst nogal wat 'gaten' gevallen. Heel de oudere generatie, in de woestijn Sinaï geregistreerd, was - met uitzondering van Kaleb en Jozua - al gestorven om hun gebrek aan vertrouwen, dat de Heere hen het beloofde land zou kunnen doen veroveren, vv . 63-65.
AI verder zijn de aanhangers van Korach, Dathan en Abiram weggevaagd, ten dele door een aardverschuiving, ten dele door vuur, vv . 9.10. En nu recent zijn bij Baäl-Peor nog eens 24.000 Israëlieten omgekomen.
Het 'boek des levens' moet dus bijgewerkt; het behoeft, om zo te zeggen, een verbeterde druk.
Als dan de nieuwe registratie haar beslag heeft gekregen (v. 51), lezen we: "En de Heere sprak tot Mozes: 'Onder dezen zal het land ten erfdeel worden verdeeld naar het aantal namen!"
Dit 26ste hoofdstuk van Numeri geeft dus, om te beginnen, een bevestiging van de gedachte, dat het ingeschreven staan in het 'boek des levens' het recht op het delen in de erfenis in Kanaän impliceert.
Maar tevens zien we, wat een cruciaal moment Baäl-Peor betekent in de geschiedenis van het 'boek des levens': vlak vóór de intocht in het land der belofte maakt dit gebeuren nog een ingrijpende bijstelling nodig van de lijst van hen die uiteindelijk tot de erfenis gerechtigd worden.
Waar nu de handelingen in het visionaire gedeelte van Openbaring beginnen met de toewijzing aan het Lam van het boek des levens, is het allerminst verwonderlijk, dat in het vervolg van de vizioenen ook Baäl-Peor uitdrukkelijk aandacht krijgt.
Reiniging van, en prediking
in de tempel Gods bedoeling met het laten optreden van de twee getuigen in het Jeruzalem dat zijn ondergang tegemoet gaat (Op. 11) heb ik omschreven in bewoordingen, ontleend aan Lc. 19, 42(2). Ik heb, toen ik die woorden neerschreef, niet beseft, hoe verhelderend de verwijzing is die hierin schuil gaat. Pas achteraf realiseer ik me, dat waarschijnlijk heel het gebeuren, in Lc. 19,41 - 21, 38 beschreven, model gestaan heeft voor Op.11.
1. Jezus begint met over Jeruzalem te wenen en haar ondergang te voorzeggen: "En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: 'Och, of gij ook op dezen dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is h.etverborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op den anderen laten, omdat gij den tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag' (Lc. 19, 41-44).
Jezus voorziet hetzelfde wat Ezechiël voorzag, op wiens profetie (hfdst. 2 en 3) het vizioen uit Op. 10 is gebaseerd.
2. Jezus' volgende da'rd is: de tempel schoon vegen door alle handelaars eruit te gooien, v. 45. Als motief geeft Hij op: "Er staat in de Schrift: 'En mijn huis zal het huis zijn om in te aanbidden' (Jes. 56, 7)". M.a.W. Jezus reserveert de tempel weer voor degenen voor wie deze bestemd is: voor hen die daarin aanbidden (Vgl. 1 Kon. 8, 33.35.38.44.47.52).
Dat is in wezen hetzelfde als wat Johannes in Op. 11, 1 wordt opgedragen.
3. Tenslotte benut de Heiland gedurende de dagen die Hem nog resten deze schone tempel als podium voor een laatste optreden als leraar, als profeet, v. 47. (Vgl. 20, 1 en 21, 37; ook 22,53.) Hetzelfde zien we de twee getuigen uit Op. 11 doen, v. 3.
4. Daarna vaart de Satan in Judas, zodat deze het plan smeedt Jezus uit de weg te ruimen, Lc. 22, 3-6.
Zo bindt na het beëindigen van hun getuigenis het beest dat uit de afgrond opstijgt de strijd aan met de twee getuigen, overwint hen en doodt hen, Op. 11, 7.
Noten
1 Opbouw, jrg. 36, blz. 293-295.
2 Opbouw, jrg. 37, blz. 122, kol. 3 (even voor het midden).