Gerechtigheid en vrede (2)
1993-05-07
Religieuze wortel- Jaargang 37
- nummer 10
Over een maatschappij waarin de samenleving en de economie gebaseerd zijn op hebzucht, komt Gods oordeel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Openb. 18, waar de val van Babylon beschreven wordt. De helft van dat hoofdstuk bestaat uit een tekening van de rijkdom en de weelde in Babylon.
De werkelijke machthebbers zijn daar niet de overheden maar de kooplieden (vs. 23). Zij dicteren wat er moet gebeuren.
Een wereld die zo ontmenselijkt is, dat de economische belangen in alles de doorslag geven, is rijp voor Gods oordeel.
Deze macht van de kooplui gaat gepaard met ongerechtigheid. Wie hun belangen in de weg staat, wordt plat gewalst. Er worden heel wat mensen geslacht (vs. 24), figuurlijk maar ook letterl ijk, op het altaar van de economische belangen en van winstbejag.
Waar dat het geval is, is gerechtigheid ver te zoeken.
Dat is een verschijnsel van alle eeuwen.
De profeten fulmineren ertegen.
Maar ook in het boek Job vinden we er een tekening van (24:1-12).Wat daar staat, zou vandaag geschreven kunnen zijn, bijvoorbeeld in Zuid Amerika.
Dat geldt ook van Jac. 5:1vv. Ook daar vinden we een verwijzing naar onrecht.
De rijken die daar aangesproken worden, zijn rijk geworden ten koste van de arbeiders wier loon ze hebben ingehouden. Om er zelf beter van te worden gingen ze, figuurlijk en letterlijk, over lijken (vs. 6).
Ten diepste ging het daarbij om een religieuze zaak. Dat blijkt uit vers 3: jullie zijn schatten gaan opleggen, terwijl het nota bene de laatste dagen zijn. De komst van Christus speelde bij hen geen enkele rol. Niet Christus maar de Mammon bepaalde hun optreden.
Hun ongerechtigheid, het uitzuigen van hun arbeiders, was een gevolg van afgoderij.
Als christenen kunnen we niet volstaan met het aanwijzen en aan de kaak stellen van ongerechtigheid, maar moeten we ook de religieuze wortel ervan blootleggen. En we moeten erop wijzen dat gerechtigheid in bijbelse zin alleen maar daar werkelijk kan opbloeien, waar men leeft in het verbond, in een diepe verbondenheid met God.
Vertrouwen op God
Die religieuze positiekeuze is ook van wezenlijk belang als het over vrede gaat. Ware vrede is er alleen in relatie met God en in vertrouwen op Hem.
Waar het vertrouwen op God wordt ingeruild voor vertrouwen op iets anders, op bewapening, bondgenoten en een machtsevenwicht, is sprake van afgoderij. Daar is de vrede al verstoord.
Ook hier staat afgoderij aan de wieg van het teloor gaan van de vrede.
Dat was zo in de dagen van Jesaja.
Juda nam toen, dwars tegen zijn profeteren in, telkens weer zijn toevlucht tot machtige bondgenoten. Het verwachtte vrede en veiligheid niet van de HERE maar van een wapenwedloop en van sterke allianties. Jesaja stelt dat aan de kaak als afgoderij die tot de ondergang leidt, tot het volstrekte tegendeel van vrede. Alleen God geeft vrede (Jes. 26:12). Juda was ver verwijderd van het vertrouwen op Jahwe.
In die situatie droomt Jesaja van het messiaanse vrederijk waar het vertrouwen op de HEREonaangevochten zal zijn en dus ook de vrede volkomen zal zijn. Jesaja heeft veel van die vrede gedroomd. Ik noem een paar plaatsen waar die droom verwoord wordt: 2:2-5; 9:3-6; 11:6-10; 32:15-20.
Dromen van vrede: is dat zinnig? Of is het een vlucht uit de harde, kille werkelijkheid die ons maar al te vaak de keel dreigt dicht te knijpen?
Dromen van vrede
Het is een bekend gegeven dat mensen graag wegvluchten in dromen, wanneer hun leven ingekapseld is in grauwe miezerigpeid of bijna onleefbaar geworden is door geweld en onderdrukking en onrecht. De enige mogelijkheid om even aan de misère te ontsnappen ligt in de droom. Wie honger lijdt, droomt van eten. Wie zucht onder een knoet, droomt van vrijheid. Wie gebukt gaat onder oorlogsgeweld, droomt van vrede.
Dergelijke dromen zijn bedwelmende middelen. Ze brengen je in een roes, zoals alcohol. Je wordt er high van, zoals door drugs. Maar wanneer de bedwelming uitgewerkt is, is de realiteit altijd weer harder en grauwer en onontkoombaarder dan daarvoor.
Dergelijke dromen helpen je niet. Je gaat je er uiteindelijk alleen maar beroerder door voelen.
Maar er zijn ook andere dromen die de realiteit niet verdoezelen, maar die je inspireren om de misère niet slechts te dragen maar ook te lijf te gaan. Zo'n droom had Martin Luther King. I have a dream. Die droom maakte hem niet passief en apathisch.
Hij werkte niet als een pijnstiller, maar bood perspectief en zette hem en velen met hem aan het werk. Wie zo droomt, blijft met beide benen in de werkelijkheid staan, maar ziet die werkelijkheid niet meer als een onveranderlijke granieten rots waaraan niets valt te verwrikken.
Dat karakter draagt Jesaja's dromen over vrede ook. Zijn droom wil stimuleren en een ander zicht geven op de werkelijkheid. Hij wil de mensen wegroepen van het gangbare wereldse gedachtenpatroon en hen motiveren tot een andere houding.
Oriëntatiepunt
Jesaja's droom gaat niet op in een toekomstvisie maar heeft ook iets normatiefs in zich. Het is een toekomstvisie die nu al, in onze verwrongen situatie, een richtlijn en oriëntatiepunt wil zijn voor ons handelen. Precies zoals de Here Jezus kan verwijzen naar de situatie in den beginne en die model kan stellen voor ons handelen vandaag (Matth. 19:8), zo mogen we ook de toekomst die God zal scheppen, zien als een referentiekader voor ons handelen nu.
Israël heeft trouwens ook een tijd gekend waarin dat het geval was en waarin het onderwijs van de HERE dat je veiligheid niet afhangt van de grootte van het leger en van de sterkte van de bewapening - daadwerkelijk in praktijk gebracht werd.
Toen de Israëlieten Kanaän veroverden, hebben ze massa's paarden en strijdwagens buitgemaakt. Maar op bevel van de HERE hebben ze die allemaal vernietigd (Joz. 11:6). Later heeft David grote aantallen paarden en strijdwagens buitgemaakt. Ook hij heeft die, op een klein aantal na dat geen gewicht in de schaal kon werpen, vernietigd (2 Sam. 8:4). Het geloof dat de HERE de veiligheid garandeerde, vertaalde zich concreet in het afzien van een krachtig legerkorps met paarden en strijdwagens. Dat betekende dat Israëls leger in de ogen van de omringende volkeren hopeloos primitief en verouderd was en niet veel voorstelde.
Het paard faalt ter overwinning
Op die manier moest Israël daadwerkelijk voorleven, dat het paard faalt ter overwinning en dat geen koning behouden wordt door een machtig leger (Ps. 33:16,17). In zijn defensie-politiek moest Israël duidelijk laten uitkomen: dezen beroemen zich op wagens, genen op paarden, maar wij zien van wagens en paarden af en roemen in de naam van Jahwe, onze God (Ps. 20:8). Men moest genoegen nemen met een zwak leger dat, naar menselijke maatstaven gemeten, geen schijn van kans had tegen de verpletterende overmacht van vijandelijke paarden en wagens.
Tot en met Davids tijd bleef men zich aan deze richtlijnen houden. Maar toen kwam Salomo, de vredekoning.
Het is triest om te zien dat hij een andere koers ging volgen. Hij bouwde een leger op met zoveel paarden en wagens, dat het kon wedijveren met de legers van de machtigste volken uit zijn tijd. Sindsdien is men op dat spoor doorgegaan en bleef men inzake de 1 bewapening de gedragslijn van de wereld volgen. Vandaar dat de HERE in Jes. 2:7 zijn volk verwijt: het land is vol paarden en aan zijn wagens is geen einde. Dat wil zeggen: wat zijn veiligheid betreft heeft men zijn vertrouwen in de HERE opgezegd. En dat is een van de redenen waarom God het huis van Jakob verworpen heeft.
Dit verwijt van de HERE volgt onmiddellijk op de droom van het vrederijk waarin alle wapentuig omgesmeed zal worden tot landbouwwerktuigen. Dat laat eens te meer zien dat we in die droom niet uitsluitend met een toekomstvisie te doen hebben, maar dat hij ook normatieve aspecten heeft en richtinggevend wil zijn voor ons handelen nu.
Richtinggevend
Bovengenoemde bijbelse richtlijnen zijn uitermate belangrijk en actueel met betrekking tot het bewapeningsvraagstuk.
Het minste dat we er van kunnen leren is dit, dat we op een onbijbels spoor zitten als we menen, dat onze veiligheid afhangt van een machtsevenwicht.
Anderzijds moeten we ons hoeden voor de gedachte, dat wij het messiaanse vrederijk kunnen realiseren.
Wie meent dat dit tot onze menselijke mogelijkheden behoort, heeft Jesaja's droom niet goed geproefd. We kunnen het hooguit wat benaderen. Niet via de Verenigde Naties of via vredesbewegingen, ook niet via onze inspanningen of via accoorden over wapenvermindering, maar alleen via Jezus wordt deze aarde weer een paradijs.
In deze bedeling blijven er altijd tegenkrachten, demonische machten, aan het werk, die soms met één klap alles wat aan moeizame vooruitgang tot stand gebracht is, ongedaan kunnen maken. Het is kortzichtig het bestaan van deze machten te ontkennen of te negeren.
Bovendien lopen er ook door ons eigen handelen barsten en scheuren, waardoor de vrede die wij veroveren, ook gebrekkig en onvolkomen blijft. En met alle goede bedoelingen kunnen we ook op een heel verkeerde manier bezig zijn. Wie bijvoorbeeld het in elkaar beuken van een paar straaljagers op een vliegbasis door enkele actievoerders identificeert met tiet omsmeden van zwaarden tot ploegscharen, houdt er wel een heel wonderlijke voorstelling van ploegscharen op na.
Evenals ons kennen is ook ons werken aan vrede stukwerk. Het blijft brokkelig, vertoont hiaten en schiet meer dan eens aan zijn doel voorbij. Maar dat alles neemt niet weg dat de droom van Jesaja ons mag blijven inspireren en aan het werk zetten, totdat Christus komt om die droom voorgoed tot werkelijkheid te maken.