De wet als alternatief? (2)
1993-05-21
We gaan in deze schriftoverdenking nog weer terug naar wat we de vorige keer hebben gezegd over de funktie van de wet. We zijn toen aan twee verzen voorbij gegaan, die zich,mijns inziens, niet zo gemakkelijk laten grijpen.- Jaargang 37
- nummer 11
Vss 19 en 20: Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, en zij is op last van (God) door engelen in de hand van een middelaar gegeven. Een middelaar is niet (de vertegenwoordiger) var één; God echter is één.
Paulus stelt hier dus de vraag naar de funktie van de wet, als de wet geen alternatief is voor de belofte. Welke funktie vervult de wet dan in het heilsplan van God?
De apostel geeft hier voor ons gevoel een heel omslachtig antwoord. Dat doet hij om zo zorgvuldig mogelijk de plaats van de wet af te bakenen t.o.v. de belofte. En, naar ik denk, om de ontoereikendheid van de wet aan te tonen.
Welke funktie heeft de wet in Gods heilsplan? Om de overtredingen te doen blijken is zij er bij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, zegt Paulus. N.H. Ridderbos geeft in zijn prachtige studie 'Paulus' een hele duidelijke uitleg van dit vers. Het is de moeite waard om dat eens rustig door te lezen. De redenering van de apostel is als volgt: God heeft de belofte gegeven aan Abraham en zijn zaad, waarmee Christus wordt bedoeld (vs 16). Abraham heeft in zijn leven voor een deel de vervulling van de belofte mogen zien, maar zoals dat vaker in de Schrift gebeurt, de vervulling heeft meerdere verdiepingen. De belofte aan Abraham krijgt z'n echte vervulling pas in zijn zaad, in Jezus Christus. En in die tijd tussen Abraham en Christus is de wet erbij gekomen.
Dat was in de dagen van Mozes; Paulus noemt zelfs een datum: 430 jaar na Abraham.
De funktie van de wet is, en dat hebben we vorige keer besproken, het ontmaskeren van de zonde als zonde.
Het prikkelen van de begeerte door het gebod. De wet maakt een mens dus niet vrij, maar toont nog eens te meer aan, hoe sterk de mens gevangen zit in de zonde. De wet, en dat is een konsekwente redenering van Paulus, kan een mens niet rechtvaardig maken voor God. Er ligt a.h.w. een deksel op het leven, vanwege de zonde én vanwege de wet, en het leven zal op den duur verstikken, als niet iemand dat deksel wegneemt.
En dan volgt een zin, waarin Paulus uitlegt hoe de wet er gekomen is, en ook dat is een aanwijzing, dat voor Paulus de wet niet gegeven is voor de verlossing van de mens. "Zij is op last van (God) door engelen in de hand van een middelaar gegeven." Die middelaar zal Mozes geweest zijn; de nadruk ligt hier echter niet op zijn persoon, maar op zijn ambt. De omschrijving is wat omslachtig, maar wel begrijpelijk.
God heeft de wet in handen gesteld van de middelaar.
Door engelen of in de tegenwoordigheid van engelen. In het eerste geval spelen zij een berniddelende rol, in het tweede geval treden ze op als getuigen.
Waarmee het rechtskarakter van de wet onderstreept wordt.
God-engelen-middelaar. Het lijkt alsof met deze formulering een afstand wordt geschapen tussen God en de wet, nu deze in de hand van de mens wordt gegeven. De wet in mensenhanden weerspiegelt niet meer de volle glans van Gods heiligheid. Daarbij komt ook de bemiddelende rol, die Mozes (de middelaar) vervult in de uitleg en toepassing van de wet. Het radikale van Gods geboden lijkt te worden afgezwakt in de menselijke toepassing ervan. Voor de mozaïsche wetgever geldt in veel gevallen: tegemoetkomendheid jegens de zwakheden van mensen. Denk o.a. aan de huwelijkswetgeving, waar de Heiland aan herinnert in Matt. 19, "met het oog op de hardheid van uw hart heeft Mozes toegestaan uw vrouwen weg te zenden..."
En dan komen we bij vs 20. Geen gemakkelijke zin om te begrijpen. De N.B.G.-vertaling leest: "Een middelaar is niet (de verteqenwoordiger) van één; God echter is één". De Statenvertaling heeft: "En de middelaar is niet (middelaar) van een, maar God is een." In de Groot Nieuwsbijbel lezen we: "Maar voor een middelaar is geen plaats als het om één partij gaat, en God is één."
U proeft wel, hoe je ook vertaalt, de bedoeling wordt niet direkt duidelijk.
Laten we daarom proberen de gedachtengang van Paulus nog eens te volgen.
Hij stelt: Bij de wet komt er een middelaar aan te pas. En bij een middelaar is.meer dan één partij in geding.
Maar God is één.(1)
God is één. Dat herinnert ons aan de geloofsbelijdenis van Israël. Voor Israël is er geen ander dan de Here, de soevereine God, de Schepper van hemel en aarde. Daar legt Paulus nu de nadruk op, om te laten zien dat God soeverein, vrijmachtig is in zijn heilshandelen. We hebben gezien, dat bij de wet twee partijen in geding zijn. God en mens.
In het jodendom heeft dat geleid tot een zekere gelijkwaardigheid van God en mens. Twee gelijkwaardige partners in het verbond. Maar daarmee wordt God afhankelijk gemaakt van de medewerking van de mens, wordt Hij ingeperkt in zijn vrije beschikking.
Echter als het om het heil van de mensgaat, om de rechtvaardiging van de goddeloze, dan is God niet afhankelijk van de mens, zegt Paulus. God is één, dat betekent: God is soeverein, vrijmachtig in het vervullen van zijn heilsplan.
Hij gaat daarin een eigen weg, buiten de mens om, de weg van de belofte. En dat betekent: Een mens wordt niet gerechtvaardigd door de werken, maar door genade. Soli Deo Gloria.
1 Met dank aan dr. H.M. Mulder, die mij bij het lezen van deze verzen zeer behulpzaam is geweest.