4. De luchtpostbrief
1993-05-21
Nog niet zo lang geleden moesten onze kinderen een fijne tante missen.- Jaargang 37
- nummer 11
Een paar maanden later stierf ook opa.
Met beiden hadden ze een goede band. Je praat er natuurlijk veel over met elkaar. We missen ze heel erg, vooral met verjaardagen en feestdagen.
Je kunt ze niets meer vragen, je kunt ze niets meer vertellen.
Met je verstand zeg je, dat het goed is dat de Here ze heeft verlost uit hun lijden. En je probeert je te troosten met de bijbelse toekornstverwachtinq.
Maar de gedachte dat ze nooit meer bij je aan tafel zullen zitten, is nog steeds heel pijnlijk. De dood is zo definitief.
Dit beseffen wij, dit beseffen ook onze kinderen.
Maar voor jonge kinderen is het heel moeilijk te begrijpen, waarom een tante of een opa niet meer op bezoek komt.
Daar moest ik aan denken toen ik die luchtpostbrief weer terugvond. Ik moest hem schrijven van onze toen vijfjarige zoon. Aan oma, die al anderhalf jaar niet meer bij ons was.
In de levens van de kinderen was in die tijd zoveel veranderd waar oma niets van wist. Hij had daar grote moeite mee en begon daar ook steeds over. Ik probeerde er wel op een verantwoorde manier met hem over te praten, maar op een zondag nam hij een besluit. Er moest nu dadelijk een brief aan oma geschreven worden.
Met een luchtpostenvelop eromheen.
Hoe dan verder - dat was onze zorg.
Ik zie dat beeld van die prachtige zondag nog haarscherp voor me.
We zitten in de tuin in de zon. En alles staat in bloei. Onze oudste en zijn vriendje zijn aan het stoepen met een voetbal.
Hij staat naast me en zegt wat ik op moet schrijven, want dat kan hij zelf nog niet:
Oma, Annetje en ik en een buurjongetje zijn bij juf Van de Wegen op school.
Oma, ik wil dat u gauw terug komt uit de hemel. Here, ik wil dat u oma gauw weer levend maakt. De Here moet gauw weer terugkomen.
Oma, wij hebben een witte volkswagen.
Hij kan 130 kilometer. Oma, wij zitten nu in het zonnetje.
Oma, ik hoop dat u gauw uit de hemel komt. En alles gaat goed op aarde.
Oma, de bloemetjes overal bloeien goed. Ze krijgen veel water van de Here.
Ik hoop dat de bloemetjes in uw tuin ook nog goed groeien. Oma, ik vind dat de Here moet terugkomen. Here, ik hoop dat u komt.
Oma, de groeten van Dik, Annetje, Koos, papa en mama. Ook van Henkjan de groeten en van de buren.
Nu de envelop er omheen: "Wat moet er op staan?"
Hij denkt even na. Dan, heel beslist: Aan oma Hilversum. De brief moet gauw in de hemel komen bij de Here.
Ik heb hem natuurlijk heel ver opgeborgen.
Later vroeq hij nog eens: "Heeft oma die brief nou gekregen?"
En ik zei: "Natuurlijk" - in de wetenschap dat de ogen van de Here er over gegaan zijn. Het idee dat oma nu van alles op de hoogte was, gaf hem rust.
En zo hebben we het maar gelaten.