De wetslezing in de kerkdienst
1993-06-04
Eerbied en vreugde- Jaargang 37
- nummer 12
Dominee H. Smit van Barendrecht heeft in de laatste nummers van ons blad op een zeer kiese wijze de sfeer van de avondmaalsviering ter sprake gebracht: de heerlijke gedachtenis aan de bittere dood van onze Heiland. Ik vat de gedachte van zijn laatste artikel wel goed samen (meen ik) als ik zeg dat hij nadruk heeft willen leggen op het eigen karakter van de vreugde die een christelijke eredienst mag kenmerken.
Ik moest bij het lezen van wat hij schreef denken aan wat een meisje op het belijdenisgesprek, toen het ging over Christus' zoendood voor ons, eens heel mooi zei: Het is verschrikkelijk dat het gebeuren moest maar het is heerlijk dat het gebeurd is.
Verschrikkelijk en heerlijk, het zijn allebei woorden die erop passen. Het geheel eigen karakter van de blijde samenkomst van de gemeente heb ik altijd fijn aangeduid gevonden in het woord van Psalm 2: 11b: "... en verheugt u met beving". Daarin staan ook een paar dingen bij elkaar (vreugde en vrees) die in het gewone leven moeilijk te kombineren zijn maar die nu toch precies de gevoelsmengeling beschrijven die ons bevangt in de ontmoeting met onze God. "Wij worden verzadigd met het goede van uw huis, met het heilige van uw tempel", zegt een psalm (65 : 5b). Wij zouden zeggen dat 'het heilige van de tempel' er voor zorgt dat we geen hap door de keel kunnen krijgen maar de Schrift paart het moeiteloos aan het huiselijke begrip en het gezellige woord 'verzadigd worden'. Wij moeten ons daarom realiseren dat als we de sfeer van de avondmaals-viering (en in het algemeen die van de kerkdienst) beschrijven wij ons bezig houden met niets minder dan een geheimenis. Geen wonder!, de ontmoeting tussen God en mens is volstrekt uniek en staat zonder parallel in het leven.
Dominante plaats
Dit nu zo zijnde vraag ik me toch af (zonder met ds. Smit in diskussie te treden want ik ben het geheel met hem eens) of wij soms niet onnodig onze kerkdienst met een overernst kunnen belasten. Konkreet heb ik nu het oog op de wetslezing aan het begin van de dienst. Ik weet het.. ze is stevig verankerd in de gereformeerde traditie.
Maar wordt het niet eens tijd dat we er kritisch naar kijken? De gedachte die er achter zit is mij bekend en stuit bij mij op geen enkel theologisch bezwaar.
De idee is immers dat wij alleen langs de weg van de verootmoediging voor de Here kunnen treden. De wet herinnert ons eraan dat wij zoals we zijn voor God niet akseptabel zijn tenzij wij de genade van Christus over ons inroepen. Oorspronkelijk (en dat is in veel orthodoxe kerken nog zo) werd dan ook de lezing van de Tien Geboden gevolgd door schuldbelijdenis en verootmoediging en daarop volgde dan de genadeverkondiging. Wie zou dat geloofsmatig kunnen aanvechten?
Goed, je zou er tegenin kunnen brengen (en dat is dan ook wel gebeurd) dat de Tien Geboden in de Heidelbergse Katechismus niet als kenbron van onze ellende fungeren maar als regel der dankbaarheid. Dat heeft er met name in onze (vrijgemaakte en nederlands gereformeerde) traditie toe geleid dat schuldbelijdenis en genadeverkondiging meestentijds achterwege blijven, de Tien Woorden liturgisch alleen zijn komen te staan en nu als christelijke leefregel gelezen worden. En dan vaak nog afgewisseld met gedeeltes uit de Brieven die datzelfde doel beogen. Zo is eigenlijk iets raars ontstaan want een betere plaats voor iets dergelijks zou eerder het einde van de dienst zijn. Zoals de apostel zijn aanwijzingen ook geeft op het einde van zijn brieven. Maar dat terzijde. Mijn eigenlijke vraag is: Komt het aan de Tien Geboden toe dat ze in onze kerkdienst een zo dominante plaats innemen?
Duidelijkheid gewenst
Het is waar dat je in de Schrift tevergeefs naar een passage zoekt waarin zo beknopt het hele menselijke leven bestreken wordt als in de Tien Geboden het geval is. Dat zou je een liturgisch voordeel van de Tien Woorden kunnen noemen. Wil je het geheel van Gods wil over ons leven ter sprake brengen dan kun je dat het best doen aan de hand van dat korte en handzame formulier. Daar staat echter het grote nadeel tegenover dat het in het vierde gebod van de Dekaloog over de sabbat gaat die wij niet onderhouden, ik bedoel: niet willen onderhouden. Ik ken natuurlijk de theologie die aangeeft hoe dat in bepaald opzicht toch weer wèl het geval is (zie Heid. Kat. zond. 38), maar liturgisch spreek ik hier toch van een beduidend bezwaar want je kunt die theologie niet bij elke wetslezing hoorbaar maken. In de liturgie moet het om dingen gaan die in zichzelf duidelijk zijn en dat is het vierde gebod bij enkele voorlezing in een christelijke kerkdienst volstrekt niet. Je kunt wel zeggen dat de gemeente ten naaste bij weet hoe het bedoeld is maar de kerkdienst is een publieke aangelegenheid. Als vandaag de dag een Turk de kerkdienst binnenwandelt en hij hoort zeggen: Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt, dan zijn we bezig misverstanden te zaaien.
Stijf en streng
Maar mijn eigenlijke vraag is toch of het wel verantwoord is aan het begin van de kerkdienst het gebod in tienvoudige vorm over de gemeente uit te gieten. Kan de nodige verootmoediging niet anders bereikt worden? Ik denk zelfs dat die verootmoediging op z'n mooist en zuiverst is wanneer ze als een onbedoeld gevolg uit het bijwonen van een kerkdienst voortvloeit.
"Here, ga uit van mij want ik ben een zondig mens", zei Petrus. Wat bracht hem tot dit getuigenis? Het antwoord kan duidelijk zijn: niet een wetslezing maar de wondermacht van de Zaligmaker.
Het evangelie dus, mag je zeggen (zie Lukas 5 : 8). Het was om zo te zeggen Petrus' spontane reaktie op de kerkdienst die hij zojuist had meegemaakt. Legt het voorlezen van de Tien Geboden niet een ongelofelijke stijfheid en strengheid over onze kerkdienst? Met z'n "gij zult niet...", "gij zult niet..."? Ik heb er altijd het beeld bij gehad van een appèl op het kazerneplein waarbij de soldaten stram in de houding de dagorder aanhoren.
Nog afgezien van het ridikule voorbijmarcheren, op het eind, van de os en de ezel. Zeker, je kunt ook dat laatste weer verdedigen met de stelling dat aan de taal best te merken mag zijn dat de kerk al eeuwen en eeuwen oud is. Natuurlijk, zo kan je alles verdedigen. Maar een betere vraag is: Moet dat echt zo blijven?
Vastgezette benen
De vaste vormen zijn wel heel nadrukkelijk aanwezig in onze kerkdiensten.
Met opzet, moet je zeggen. Daar is geen twijfel over mogelijk als je de oude Abraham Kuyper mag geloven.
Die schreef in zijn Encyclopaedie der Heiige Godgeleerdheid, dl 111. p. 517: "Vooral op hetgeen in den eredienst namens God den Heere geschiedt moet de Liturgie zich met de borst toeleggen, overmits niets meer de stichting stoort, dan wanneer het Goddelijke zich vertoont in gebrekkigen, willekeurigen of onvasten vorm" (schuinzetting van mij). Daar denken de Evangelischen wel een beetje anders over. En iets ervan zou ik toch wel van ze over willen nemen. Een zekere vrijheid in de inrichting van de kerkdienst. Aan vier of vijf elementen ben je wel gebonden, dat is waar. Een christelijke protestantse kerkdienst verliest z'n herkenbaarheid als er niet gebeden en gezongen wordt, geen Schriftlezing en -uitleg plaats vindt en geen zegen wordt opgelegd (we laten nu even de viering van doop en avondmaal en de kollekte terzijde). Maar voor de rest? De voorganger mag zeker proberen voor bepaalde gelegenheden bepaalde liturgieën in elkaar te zetten. En ik weet niet of u dat ook opvalt maar er zijn steeds vaker bijzondere gelegenheden. Wel eens teveel, en dat is ook weer vermoeiend.
Maar voor mij is een avondmaalsviering in de lijdenstijd nogal verschillend (geworden) van die in de oogsttijd, om maar iets te noemen. En ik vind het een fijne uitnodiging (om het niet zo vriendelijke woord uitdaging nu even te vermijden) om met je liturgie aan het bijzondere van deze of gene gelegenheid recht te doen. Maar 0 wee, moet je de ouwe Bram in het zoëven aangehaalde werk horen over zo'n dominee met eigen fratsen: "Een Dienaar des Woords die... aldoor zelf wil spreken, moet juist door strenge Liturgie gebonden en... van zijn dwaling en zonde overtuigd worden". Tja, zo blijft er niet veel speelruimte over, natuurlijk. Hierzljn de beide benen waarop we liturgisch lopen en dansen vastgezet.
Vriendelijker
Ik ben niet tegen vaste liturgieën maar het mogen er wel meer zijn dan twee (morgen- en namiddagdienst) of eigenlijk één. En wat de 'wets'lezing betreft, ik geef er zelf de voorkeur aan om wanneer ik een leefregel-gedeelte (genomen uit het Oude of Nieuwe Testament) lees dat achterin de dienst te doen. (Het hoeft trouwens niet eens altijd, geloof ik). Aan het begin van de dienst lees ik graag een psalm met de gemeente die we dan met het eerste vers vóór en het laatste vers na ook zingen. Ook nu zeg ik er weer bij dat ik zulke dingen niet doe vanuit een zucht tot verandering maar meer vanuit een nadenken over de aanhoudende klacht dat onze kerkdiensten iets stijfs en strengs hebben, haast iets militairs. Ik ben van mening dat onze diensten inderdaad wel wat vriendelijker van opzet kunnen zijn, wat meer toegankelijk ook voor mensen die zo eens binnenlopen.
Maar moet dat dan niet landelijk geregeld worden? Je hoort dat vaak. "Onze kerkdiensten moeten een landelijke herkenbaarheid hebben."
Goed, maar die hebben ze toch ook zo wel? Wanneer we met onze variatie maar blijven binnen de boven aangegeven grenzen (de vijf sine-quanon's) dan lijkt ons landelijke kerkelijke leven zelfs op niets minder dan de bijbel zelf waarin immers vier heel verschillende evangelies met hun ene boodschap broederlijk naast elkaar staan. Verscheidenheid binnen bepaalde grenzen sluit eenheld niet uit.
Integendeel, ze kan die juist nadruk geven. En wat de Tien Geboden aangaat, ze komen genoeg (en terecht!) aan de orde bij de uitleg van de Katechismus.
Liturgisch echter vind ik ze steeds minder geslaagd, zeker voor regelmatige lezing.