Wet en Evangelie
1993-06-04
Langzamerhand bestaan we als kerken zo 'n 25 jaar; eerst als 'buitenverbanders', sinds 1979 als 'Nederlands Gereformeerde kerken'.- Jaargang 37
- nummer 12
In dit artikel wil ik - verre van mij te vermeten in staat te zijn de geschiedenis te schrijven van deze 25 jaar - niet meer doen dan een enkele vraag stellen, een kwart eeuw na het ontstaan van onze kerken; iets overziende van de weg die we sinds het eind van de zestiger jaren met elkaar aan de hand van de Here hebben afgelegd.
Wet en Evangelie
Wat brengt mij ertoe een artikel over dit onderwerp te tooien met de beladen titel 'Wet en Evangelie'? Nu, dat vindt zijn verklaring in het verleden, in de.geschiedenis van reformaties en kerkscheuringen. Wat zie je immers in de loop van die geschiedenis vaak gebeuren? Dat het aanvankelijke enthousiasme, de spontane vreugde over de herontdekking van (de diepte van) het Evangelie en van de vrijheid van de kinderen Gods na enige tijd plaats maakt voor iets anders, voor een zekere angst namelijk om ten volle te blijven leven uit de diepte en de vrijheid van het Evangelie. En dikwijls zie je dan hoe datgene wat in eerste instantie zo geweldig bevrijdend was gaandeweg een andere rol krijgt; hoe allerlei extra zekerheden waaraan eerst geen behoefte was nu weer worden ingevoerd - kortom: hoe de vrijheid van het Evangelie haar plaats moet afstaan aan de druk van de wet.
Ik wil daarvoor kort - te kort - wijzen op twee voorbeelden uit de geschiedenis van de kerk.
Luther
In 1517 publiceerde Luther zijn 95 stellingen; drie jaar later volgde de definitieve breuk met de kerk van Rome, toen hij de pauselijke banbul en het kerkelijk wetboek plechtig verbrandde bij de stadspoort van Wittenberg.
De Reformatie was een feit. Het Evangelie kwam in zijn bevrijdende kracht weer helemaal in het centrum te staan van het kerkelijk leven. En van dat Evangelie, van het levende en krachtige Woord van God verwachtte Luther eigenlijk alles; niet van hemzelf zou het moeten komen, van zijn organisatietalent of iets dergelijks, maar enkel en alleen van het heldere, duidelijke Woord van God. Vandaar ook de grote moeite die Luther ervoor heeft gedaan om de Bijbel in de volkstaal te vertalen, zodat iedereen zelf kon horen en lezen wat God te zeggen heeft.
Het Woord moet het doen!
Toen Luther dan ook in de volgende jaren voor de taak werd gesteld om nu ook heel de kerk te hervormen, deed hij dat als vanzelf vanuit dit ene allesbeheersende centrum, uiteenvallend in deze twee beginselen:
1. Het Woord van God moet het doen; de dienst van het Woord is het allerbelangrijkste in de kerk van Christus op aarde.
2. Elke plaatselijke gemeente is zelfstandig en behoort dat ook te zijn.
Is Luther uiteindelijk aan deze uitgangspunten trouw gebleven? Nee. Na een aantal jaren zag hij in feite geen mogelijkheid om deze principiële inzet ook voluit overeind te houden. En dat kwam, doordat hij gaandeweg moest konstateren dat de Reformatie nauwelijks vorderde. De mensen waren nu weliswaar in naam protestants, maar in de praktijk nog net zo onwetend en bijgelovig als vroeger; het Woord werd weliswaar overal gepredikt, maar er veranderde veel minder dan Luther had gedacht.
Dit is voor Luther een grote teleurstelling geweest. En in die situatie zag hij in de jaren 1525-1528 geen andere mogelijkheid dan de overheid te hulp te roepen om de Reformatie ter hand te nemen. De landsvorst, de wereldlijke regent, moest de kerk dienen als een soort nood-bisschop, omdat en zolang de geestelijke leiders van de kerk hun plicht verzaakten.
De bedoeling van Luther was dus uiteindelijk een voorlopige regeling te creëren, in verband met de dreigende chaos. Maar van dat 'voorlopige' is weinig overgebleven; in de in deze jaren gekozen vormen is de grondslag gelegd voor het kerkrechtelijk model dat eeuwenlang van kracht zou blijven in de Duitse Lutherse kerk: een landskerk, onder suprematie van de wereldlijke overheid - met alle bezwaren vandien!
Zo is, weinige jaren na het begin van de Reformatie, een soort nieuwe wet ingevoerd, omdat het leven bij het Evangelie alleen te riskant bleek te zijn. De vrijheid van het Evangelie werd op termijn ingeruild voor de gehoorzaamheid aan de veel hanteerbaarder wet.
De Vrijmaking
Ook van de Vrijmaking in 1944 kan gezegd worden dat zij als een bevrijding werd ervaren. Weliswaar had de naam 'Vrijmaking' in eerste instantie slechts betrekking op het zich vrijmaken van als onschriftuurlijk ervaren synode-besluiten, maar voor velen klonk in die naam toch meer mee: was immers niet de Schrift zelf en het verstaan ervan nu bevrijd van de abstrakte dogmatische denksystemen die in de eerste helft van de eeuw het levende spreken van de Here God als in een harnas hadden opgesloten?
Vrijmaking: niet alleen van synodebesluiten, maar ook tot een hernieuwd, bevrijd luisteren naar de Schrift als het Woord van de levende God.
En weer heeft het leven in de vrijheid niet lang geduurd; op z'n laatst in 1948 (Amersfoorts Congres) begon de herwonnen vrijheid haar plaats af te staan aan de nieuwe wet van de Doorgaande Reformatie: de reformatie die in de kerk begonnen was (1944), moest nu bok konsekwent voortgezet worden op alle terreinen van het leven. Was die gedachte op zich verkeerd? Nee, dat was ze niet; ons leven is een eenheid, en behoort ook als een eenheid geleefd te worden voor het aangezicht van de Here. Maar wanneer door ánderen vastgesteld wordt welke konsekwenties ik daar in mijn leven aan moet verbinden, dan wordt de vrijheid van het Evangelie van Christus onvermijdelijk in de hoek gezet door de druk die deze nieuwe wet op de levens gaat uitoefenen.
Een typerende illustratie daarvan vond ik dit voorjaar in een artikel van de psycholoog W. Scholte in het Nederlands Dagblad, waarin hij als zijn indruk weergeeft, "dat de overdaad aan regels in de Gereformeerde kerken (vrijg.) in kerkorde en door synodes uitgevaardigd en nog veel meer de niet beschreven regels voor de omgang met elkaar in de kerken, te veel een sfeer van vrees uitstralen" (ND, 20 maart 1993). En inderdaad, dat is precies wat ik bedoel; weliswaar hier beschreven voor de situatie anno nu, maar de wortels daarvan reiken stellig zo'n 45 jaar terug.
En opnieuw konkludeer ik: Het leven in de vrijheid van het Evangelie werd ook in de jaren na 1944 meer en meer ingeruild voor de gehoorzaamheid aan de veel hanteerbaarder wet.
De scheuring
En nu wijzelf. En daarmee ook de vraag die ik in de ondertitel van dit verhaal aan u beloofde. Het is deze vraag: herhaalt de geschiedenis zich ook in de afgelopen 25 jaar, in de weg die onze kerken hebben afgelegd? Zijn er dingen aan te wijzen die zich bevinden in datzelfde spanningsveld van Wet en Evangelie, en zijn daar dan in de loop van 25 jaar ook veranderingen in te vinden?
Laat ik eens proberen, vragenderwijs, een drietal punten op een rij te zetten.
1. In de eerste jaren na de scheuring is in veel kerken een aantal bepaald niet onbelangrijke besluiten genomen; ik denk met name aan de verlening van het aktieve kiesrecht aan de zusters der gemeente, en aan de invoering van de Nieuwe Berijming. Toegegeven: niet alle kerken hebben in die jaren deze besluiten genomen, maar vele toch wel. En dat met een soepel heid die ons vandaag kan verbazen. Er kwam immers geen Landelijke Vergadering aan te pas, geen commissie die grondig alle voors en tegens had afgewogen, er waren (voorzover mijn beperkte waarneming strekt) nauwelijks stemmen die vonden dat dit soort dingen de competentie van een plaatselijke kerk toch overstegen - kortom: in een grote, onbekommerde vrijheid hebben onze kerken in meerderheid destijds deze stappen gedaan. (Wie wil weten hoe het ook anders kan zij verwezen naar het ellenlange getouwtrek over het aktieve kiesrecht voor vrouwen, zoals zich dat afspeelt op synoden van onze Vrijgemaakte broeders en zusters - en naar dat gehannes zitten wïj dan ook weer met enige verbazing en verbijstering te kijken...) Vergis ik mij nu, of zijn we op dit cruciale punt - het onbekommerd leven in de vrijheid zoals Christus die voor ons heeft verworven - toch met elkaar wat geremd geraakt? Als vandaag de kwestie van het aktieve kiesrecht voor vrouwen in onze kerken voor het eerst aan de orde zou worden gesteld, zouden wij dan anno 1993 nog diezelfde soepelheid en spontaniteit hebben die destijds beslist kenmerkend voor ons was? Hebben we nog dezelfde. moed als toen? Of zijn we intussen wat teruggekomen van deze weg?
2. Ik noem in dit verband nog iets; ook omdat ik bij het ontstaan ervan zelf betrokken ben geweest. Op verzoek van meerdere Landelijke Vergaderingen heeft de (landelijke) Gezangencommissie aan de kerken een selektielijst aangeboden met liederen uit het Liedboek waarvan de commissie van overtuiging was dat deze verantwoord gezongen kunnen worden in onze erediensten. Vanaf het begin is deze selektie bedoeld als een handreiking aan die kerken die eigenlijk wel uit het Liedboek willen gaan zingen, maar die graag wat hulp en oriëntatie willen hebben met betrekking tot de vraag wat nu echt verantwoord is. De selektie is in de optiek van de commissie dan ook altijd meer een mintmumdan een maximum-lijst geweest. Zo zijn er bijvoorbeeld diverse gezangen waarvan bepaalde verzen volledig verantwoord zijn,' maar die toch in hun geheel niet in de selektie gekomen zijn, omdat er ook andere verzen in staan, waar we minder positief over konden zijn. Het is nooit de bedoeling geweest om plaatselijke kerken te binden aan deze selektie, als ware dit het absolute maximum: Dit mag je dan zingen, maar ook beslist niet meer, want zo schrift de landelijke selektie het voor!
En toch is dat nu precies wat ik tegenwoordig soms tegenkom: dat de handreiking die de landelijke selektie wil zijn, gaat fungeren als een nieuwe wet, waar we elkaar dan aan proberen te binden. Ik kan dat niet anders zien dan als een verandering ten opzichte van wat ons oorspronkelijk voor ogen stond.
(Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier natuurlijk niet over de vrijheid die elke plaatselijke kerk heeft om te zeggen: Wij zingen de liederen van de selektie, en niet meer dan dat. Dat is uiteraard het goed recht van elke kerk).
3. Een beslist kenmerkende karaktertrek van onze Nederlands Gereformeerde kerken is de zogenaamde Prae-ambule, de verklaring die voorafgaat aan de artikelen van het Akkoord van Kerkelijk Samenleven, en waarin we als kerken hebben uitgesproken "dat het al of niet aanvaarden van het Kerkelijk Akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden".
Vandaag worden er stemmen gehoord die zeggen: Die Prae-ambule heeft z'n tijd gehad; we moeten af van dat lossige, we hebben nu een steviger en degelijker kerkverband nodig. En opnieuw: dat lijkt me echt een verandering ten opzichte van wat ons oorspronkelijk bewoog.
Te veel vrijheid?
Nu ja, zegt iemand, maar als de vrijheid te ver doorslaat, dan wordt het losbandigheid; dan kan iedereen met een beroep op de Christelijke vrijheid voor zichzelf wel de ruimte opeisen om de meest vreemde dingen te doen...
Ja, ik denk dat precies dat gebeurd is: dat we wat geschrokken zijn van de konsekwenties van de vrijheid waar we ons in eerste instantie zo over hadden verheugd. En zo is er langzamerhand iets opgekomen in de geest van: Vrijheid, nu ja, alles goed en wel, maar het moet natuurlijk wel binnen de perken blijven.
De anderen Wélke perken? Wie bepaalt de grenzen van de vrijheid? Het valt mij op dat in dat verband onder ons nogal eens onze Christelijke Gereformeerde en vrijgemaakt Gereformeerde broeders en zusters ten tonele worden gevoerd.
Ik denk dat wij noch hen noch onszelf daar een dienst mee bewijzen. Zeker: er zijn bij ons bepaalde dingen anders dan bij hen, en wij zullen stellig bereid (moeten) zijn om allerlei zaken waar we op zich aan gehecht zijn ter diskussie te stellen wanneer dat de eenheid van Gods kinderen dient - maar dat zal dan toch duidelijk moeten worden in het gesprek over de kerkgrenzen heen, en niet in het binnenkerkelijk gesprek over deze dingen; alsof met het konstateren van de onloochenbare verschillen dan ook onmiddellijk vast staat dat datgene wat wij anders doen dan zij door hen niet anders dan als negatief en bedreigend kan worden ervaren. Waarom zou het verschil nogmaals: dat er werkelijk wel is!waarom zou dat niet evengoed als positief en verrijkend ervaren kunnen worden? Laten de broeders en zusters uit de andere kerken zich hierover in het gesprek met ons vrijmoedig uiten; wij zullen stellig aandachtig naar hen luisteren. Maar nog eens: naar mijn overtuiging zijn noch de Christelijke Gereformeerden noch de vrijgemaakt Gereformeerden ermee gebaat wanneer zij. zonder daar zelf bij aanwezig te zijn, argumenten moeten leveren voor onze onderlinge Nederlands Gereformeerde gesprekken.
Wat overigens onverlet laat dat het gesprek over deze dingen onder ons stellig wel gevoerd dient te worden.
Maar dan in de ruimte die het Evangelie ons geeft, en niet in de engte waarin de wet ons tracht te dringen.
Want nimmer, nimmer is enige wet in staat om de gaten te stoppen, waarvan wij vrezen dat het Evangelie ze laat vallen.