Het beest uit Openbaring 17 (1)
1993-06-04
Uit wat ik tot dusver over de uitleg van het boek Openbaring naar voren bracht zal duidelijk zijn geworden, dat dit laatste bijbelboek volgens mij betrekking heeft op de ondergang van Jeruzalem in 70 na Chr.- Jaargang 37
- nummer 12
Uitdrukkelijk heb ik gesteld(1), dat ik bij lange na niet voor alle problemen die dit boek ook dan nog voor de exegese opwerpt, een oplossing heb. Het valt trouwens te betwijfelen, of het ooit zover zal komen. Onze kennis van de wereld waarin de bijbel speelt, is te onvolledig om alle zinspelingen op figuren, toestanden en gebeurtenissen daarin te kunnen verstaan. Dat geldt reeds waar een bijbelschrijver 'recht toe recht aan' spreekt. Hoeveel te meer zou het dan niet opgaan voor cryptische aanduidingen als die waarvan het laatste bijbelboek bol staat.
Toch kan ik mij voorstellen, dat men bij de nieuwe invalshoek waartoe ik kwam, op z'n minst op één punt met vragen blijft zitten van zo'n gewicht, dat een antwoord - indien mogelijk - wenselijk zou zijn, wil men zich aan de nieuwe exegese gewonnen geven. Ik bedoel hoofdstuk 17.
Ook in dat verschrikkelijk moeilijke gedeelte heb ik al tastend de weg gezocht. Mijn voorlopige bevindingen wil ik maar aanstonds presenteren. Dan kunnen anderen meedenken en, waar nodig, mij corrigeren.
Rome?
Het beest uit Op. 17, waar de vrouw op zit, heeft zeven koppen en tien horens (v. 3). Ten aanzien van die zeven koppen krijgt Johannes van den hem 'rondleidenden' engel te horen: "Het zijn zeven bergen" (v. 9). Hier heeft het gros van de exegeten al te vlot gezegd: dat moeten de zeven heuvelen zijn waarop Rome is gebouwd(2).
Deze mening lijkt mij bij nader toezien onhoudbaar. En dan voer ik niet als bezwaar aan, dat hier van 'bergen' sprake is, terwijl Rome zeven 'heuvels' telt. Dát is nl. geen punt. Want het NT bezigt - behalve tweemaal in een citaat uit het OT, Lc. 3,5 en 23,30 - nooit een speciaal woord voor 'heuvel'.
Het griekse woord 'oros' , dat in onze tekst staat, omvat zowel 'heuvel' als 'berg'.
Nee, het bezwaar tegen de interpretatie, dat hier de zeven heuvels van Rome zouden zijn bedoeld, ligt in wat volgt: "En het zijn zeven koningen" (v. 10).
Keizers?
Men heeft dat op de keizers van Rome willen laten slaan. Maar afgezien van andere problemen waarvoor men dan komt te staan(3), één omstandigheid pleit pertinent tegen deze uitleg.
Zowel de zeven bergen als de zeven koningen zijn zinnebeeldig uitgedrukt door dezelfde zeven koppen. Als nu - en zo legt men het in de hier aangehaalde exegese uit - elk van de zeven koppen één bepaalden keizer voorstelt, dan moet toch elk van de zeven koppen ook één bepaalde heuvel van Rome uitbeelden. Als die koppen t.a.v. de personen ('koningen') individualiserend moeten worden geduid (de eerste is Augustus, de tweede Tiberius enz.), dan moeten ze ook t.a.v. de geografische locaties ('bergen') individualiserend worden opgevat, en nièt collectief; dus niet zoals ze samen de stad Rome vormen.
Om een beeld te gebruiken: als iemand - b.v. met het oog op een te organiseren elf-stedentocht - de burgemeesters van de elf friese steden bijeen zou brengen, dan zou ik me kunnen voorstellen, dat hij zei: "Hier heb ik nu de elf friese steden bij elkaar".
Zo'n vereenzelviging van burgemeesters met de steden waar zij hun ambt uitoefenen is heel goed denkbaar en ook voor ieder verstaanbaar.
Alleen maar: zo'n vereenzelviging impliceert wel, dat elke burgemeester met maar één bepaalde stad wordt vereenzelvigd; met z'n eigen nl., met die waar hij de scepter zwaait.
Daarvan nu kan geen sprake zijn, als men Op. 17,9 op Rome laat slaan. Het is nl. niet zo, dat elk van de zeven heuvels van Rome een binding heeft met maar één bepaalden keizer. Het is niet zo, dat b.v. Augustus op de Aventijn resideerde en Nero op de Caelius.
Nee, alle keizers resideerden in die éne stad Rome, al was die toevallig ook uit zeven héuvels samengesteld.
Als dus de 'bergen' en de 'koningen' elkaar dekken - en zó heeft Johannes het hier aangegeven - dan gaat het niet aan de bergen collectief te interpreteren (nl. als 'Rome'), omdat men door de dan volgende bewoordingen (v. 10) gedwongen wordt de 'koningen' individueel te duiden (i.c. als Augustus, Tiberius, Claudius etc.).
'Gevallen'
Daar komt nog iets bij. V. 10 vervolgt: "de (eerste) vijf zijn gevallen". Die laatste term wijst op geweld. De vijf zijn kennelijk ten val gebracht: van hun troon gestoten; of misschien zelfs gesneuveld; of - nog erger - vermoord.
Dat nu geldt niet van alle eerste vijf keizers van Rome.
Residenties in successie
Wat moeten we dan met die zeven koppen, die zowel bergen als koningen voorstellen?
Wel, het blijkt dat het in die koningen om zeven historische machthebbers gaat, die in successie ten tonele verschijnen: vijf zijn gevallen, de zesde is momenteel in functie, de zevende moet nog komen (v. 10). Willen nu 'bergen' en 'koningen' elkaar dekken, dan zullen we in die zeven bergen de opeenvolgende residenties van die zeven koningen moeten zien.
Wat moeten we ons nu bij 'bergen' voorstellen? Ik denk: hooggelegen vestingen, waar machthebbers resideren. In het OT vinden we 'berg' op verschillende plaatsen zo gebruikt. Ik noem u enkele sprekende voorbeelden.
In Jes. 2 kondigt Jahwe van de hemelse machten zijn oordeel aan "tegen al wat verwaand is en trots, tegen al wat zich hoogmoedig verheft" (v. 12, Will.-vert.); tegen "al die ceders van de Libanon, tegen al die eiken van Basan" v. 13 (N.B. grootvorsten worden graag met statige bomen vergeleken, met woudreuzen; denk maar aan Nebukadnezar, Dan. 4); "tegen al die hoge heuvels, tegen al die statige bergen (v. 14); tegen elke machtige toren, tegen elke onneembare vesting (v. 15)". De parallellie tussen v. 14 en v. 15 maakt duidelijk, dat 'berg' op een hooggelegen vesting slaat.
In Jes. 41 troost Jahwe zijn nietig volk ("Jakob, klein wormpje" ... "Israël, nietig wezentje") met de belofte, dat Hij zijn volk in staat zal stellen zijn vijanden, die in sterke forten resideren, te vernietigen: "Ik maak een dorsslee van u, milt dubbele snede, nieuw en scherp. Dorsend vergruizelt gij bergen, van heuvels maakt gij kaf" (v.v.14.15).
En dan het dreigement dat Jeremia tegen Babel slingert uit naam van Jahwe: "Ik kom op u af, berg van bederf die de hele aarde hebt bedorven ... Ik hef mijn hand tegen u op, ik werp u van de rotsen naar beneden ...". (51, 25), Een 'berg' die van de rotsen naar beneden wordt gegooid: dat kan alleen slaan op een op de rotsen gebouwde vesting, een fortificatie, een citadel.
Wat heeft nu Johannes in concreto voor ogen gestaan bij die zeven 'bergen-met-hun-koningen'? Om dat te bevroeden, moeten we even duiken in de geschiedenis van de joodse oorlog.(4)
De galilese fase van de joodse oorlog
Als in 66 de opstand tegen Rome is uitgeroepen, wordt al spoedig een begin gemaakt met de organisatie van het verzet. Wat het Noordën van Palestina betreft: in Galilea worden de zes belangrijkste steden in staat van verdediging gebracht, t.w. Jotapata, Tarichea, Tiberias, Sepphoris, Gischala en de berg (!) Tabor; hetzelfde gebeurt in Gaulanitis met Gamala.
Als de romeinse generaal Vespasianus - die later, in juli 69, tot keizer zal worden uitgeroepen - in de lente van 67 aan zijn opdracht, de joodse opstand te onderdrukken, begint. richt hij dan ook allereerst zijn aandacht op de genoemde zeven vestingsteden.
1. T.a.v. Sepphoris is de gang van zaken niet geheel duidelijk (Schürer, a.w. 492, n. 32). Zeker is.idat deze stad van het begin af niet van harte achter de revolte stond. Maar, (tijdelijk?) verstoken als ze was van een romeinse bezetting, hinkte ze op twee gedachten. Zo begon ze wel aan de versterking van de muren, maar liet de romeinse troepen, toen deze verschenen, toch maar zonder slag of stoot binnen (a.w. 490, n. 21).
2. Een veel zwaardere klus bleek de verovering van Jotapata, een belangrijke berg(!)vesting ("the not unimportant mountain stronghold", Schürer, a.w. 493, die vlak daarvoor spreekt van "the strong fortress of Jotapata"). Hier zwaaide de bekende joodse geschiedschrijver Josephus de scepter als bevelhebber van het garnizoen. Pas in juni/juli viel deze belangrijkste galilese vesting in handen van de Romeinen.
3. Evenals Sepphoris ziet ook Tiberias af van verder verzet.
4. Aan een gedurfde actie van Vespasianus' zoon Titus is het te danken dat in augustus/september ook Tarichea voor de Romeinen moet zwichten.
5.6. Vespasianus richt nu eerst zijn aandacht op het zwaar versterkte Gamala in Gaulanitis. Hier stuit hij op hevig verzet. Na aanvankelijk de stad al te zijn binnengedrongen, zien de romeinse troepen zich genoodzaakt zich met zware verliezen daaruit weer terug te trekken.
Terwijl het beleg van deze stad voortduurt, zendt Vespasianus een afdeling soldaten naar de berg Tabor (5), dienog vóór de val van Gamala (6) wordt veroverd.
Als Gamala valt, schrijven we september/oktober 67.
7. Rest als enige versterkte stad in het Noorden: Gischala. Ook daar zetten de bewoners reeds de dag nadat Titus voor de stad is verschenen, de poorten voor hem open. De nacht daarvoor hebben de garnizoenscommandant, Johannes van Gischala, en zijn zelotische aanhang de stad heimelijk verlaten.
De strijd gaat zich nu verder op het hoofd bolwerk, Jeruzalem, concentreren.
En het is daarheen dan ook dat Johannes van Gischala zich begeeft.
Daar zal hij tot.het einde van de strijd (in 70) de hoofdrol spelen.
Hij was trouwens van het begin af aan de grote oorlogsdrijver geweest (a.w. 490), de ziel van het verzet. Zoals men aan Lodewijk XIV het woord in de mond heeft gelegd "L'état c'est moi" (De staat, dat ben ik), zo had Johannes van Gischala met recht kunnen zeggen: Het verzet, dan ben ik.
Hij was een fanaticus van de eerste orde, iemand die geen enkel gezag boven zich duldde(5), een niets en niemand ontziend monster, dat als een beest in het door hem gedomineerde Jeruzalem heeft huisgehouden.
De achtste kop
Als het u zo gaat als mij, begint u na het op u laten inwerken van dit historisch exposé iets te dagen, wanneer u de raadselachtige woorden van Op. 17 nog eens weer leest. En dan denk ik in 't bijzonder aan het ogenschijnlijk volstrekt absurde elfde vers: "En het beest, dat was en niet is, is tevens de achtste (koning); hij is (één) van de zeven (vorige koningen)(6) en gaat zijn ondergang tegemoet". Rationeel oordelend is men geneigd te zeggen: dit is je reinste wartaal. Hoe kan - om te beginnen - hier sprake zijn van een achtsten koning? De koppen van het beest - en die waren het immers die elk een koning voorstelden - waren toch maar zeven in getal? Maar bovenal: hoe kan het beest zelf tegelijk ook nog eens twee van zijn eigen koppen zijn, nl. één van de zeven èn de achtste?
Nu, juist dit meest cruciale punt, uitgerekend dit op het eerste gezicht volstrekt ongerijmde elfde vers, wordt opeens volkomen doorzichtig, als men het houdt tegen het licht van de pas gereleveerde geschiedenis.
Het beest is - als niet alle tekenen bedriegen - Johannes van Gischala.
Hij was van het begin tot het bittere einde de kwade genius in de joodse opstand. Hij was de belichaming van het ideaal dat de Joden nastreefden; een eigen staat naar aards model, een politieke grootheid die in de wereld haar partij kon meeblazen.
Hij was ook één - en wel de laatstevan de zeven garnizoenscommandanten(7) die in een bergvesting van Galilea en Gaulanitis de scepter zwaaiden.
En tevens. was hij het die later het bevel over de achtste en sterkste vesting, Jeruzalem, op zich nam.
Als in het Noorden zeven 'koppen' waaronder 'het beest zelf' - hebben gefaald, presenteert 'het beest zelf' zich nogmaals als 'achtste kop', nu in Jeruzalem.
Nu wordt ook duidelijk, wat Johannes in 13, 3 bedoelt: "En één van de koppen van het beest leek dodelijk gewond; maar zijn dodelijke wond genas(8).
Na de smadelijke aftocht van den commandant van de vesting Gischala, die nog wel de generale leider van het verzet was, zullen velen aan het welslagen van de hele onderneming hebben getwijfeld. Met de vlucht van hun leider (in zijn hoedanigheid van 'zevende kop') leek aan de zaak van het verzet de doodsteek te zijn toegebracht. Maar ziedaar: hij weet na aankomst in Jeruzalem het verzet opnieuw leven in te blazen en de mensen weer achter zich aan te krijgen (13,3 slot).
Daar, in Jeruzalem, zal hij zijn teugelloze heersersdrift en zijn onverzoenlijke haat tegen de Romeinen, maar vooral ook tegen het Lam en de zijnen, ten volle uitleven..
(wordt vervolgd)
Noten
1 Opbouw, jrg. 36, blz. 370, slot van noot 11.
2 Zo b.v. A.J. Visser, De Openbaring van Johennes', Nijkerk 1975,blz. 192:"Ditmaal is Johannes evenwel duidelijker. De zeven koppen duiden aan: de zeven bergen waarop de vrouw gezeten is. Dat was niet mis te verstaan.
Romewas van ouds bekend als de "stad op de zeven heuvelen", en de vrouw, die gezeten is op de zeven heuvelen, moet dus wel de stad Romezijn".
3 Zie Visser, a.w. 193, die weer even stellig is in zijn identificatie als daareven: "dat kunnen niet anders zijn dan romeinse keizers", maar dan vervolgt: "Moeilijker echter is het een antwoord te geven op de vraag wie deze keizers dan wel zijn. Zeer vele oplossingen zijn gewaagd".
4 Ik ontleen de hier volgende historische gegevens aan Emil Schürer, The History of the Jewish People in the Age of Jesus Christ (175 B.C. - A.D. 135), Revised and Edited by GezaVermes and Fergus Millar, vol. I, Edinburgh, 1973,p. 484-508. Dit werk is een herbewerking van het in 1885 verschenen boek van Emil Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes im Zeitalter Jesu Christi, dat tot 1924 verschillende herdrukken beleefde en als standaardwerk is blijven gelden. De engelse bewerkers hebben het weer 'up tot date' willen maken door de na 1924 verschenen literatuur over dit onderwerp daarin te verwerken.
5 Schürer, a.w:-490. Wat dat betreft beantwoordt hij aan het beeld dat Paulus van de antichrist schildert in 2 Thess. 2, 4. En inderdaad had Johannes van Gischala, de tempelberg onder zijn direct bevel (a.w. 501) en wist hij later, toen Eleazar, die de binnenste tempelvoorhof beheerste, tijdens het Paasfeest de tempelpoort voor de feestgangers had opengezet, ook zijn mannen met verborgen wapens bij zich daar naar binnen te smokkelen en Eleazar met zijn aanhang te vermoorden (a.w. 502).
Paulus noemt den antichrist "zoon des verderfs" (v. 3), d.w.z. 'voor het verderf bestemd'.
Dat is wat Johannes uitdrukt (Op. 17,8 en 11)met de woorden "hij gaat naar het verderf", d.w.z. 'hij gaat zijn ondergang tegemoet'.
6 Voor 'ek' in de betekenis 'één uit die en die groep', zie b.v. Col. 4, 9.
7 Het in Op. 17 gebruikte woord 'koningen' te betrekken op militaire commandanten kan rn.i. nauwelijks op bezwaren stuiten. Oudtijds was het bevel over het leger een zo voornaam facet van het koningschap - zie b.v. 2 Sam. 11,1; Job 15,24; Ps. 33, 16;48, 5; Spr. 30, 31- dat ook legeraanvoerders wel als 'koningen' worden betiteld. Zo lezen we in Ps. 68, 13: "de koningen der legerscharen vluchtten". Men denke verder aan het sprinkhanen leger uit Op. 9. Dat het hier om een strijdmacht gaat, ziet men o.a. uit v. 9. Van dit leger nu wordt gezegd: "Zij hadden over zich als koning den engel des afgronds" , v. 11 (Vgl. ook Spr. 30, 27)
8 Hiermee kom ik terug van de mening die ik aanvankelijk had (zie Opbouw, jrg. 36, blz. 370, noot 3), als zou deze dodelijke wond een variant in uitdrukkingswijze zijn op "(het beest) dat was en niet is en toch zijn zal". De van deze láátste woorden gegeven uitleg (Israël als zelfstandig aards rijk, dat bij het in ballingschap gaan van de kaart verdween, maar nu, belichaamd in Johannes van Gischala, weer 'terug is van weg geweest') meen ik te kunnen handhaven. Maar op die gewonde kop valt een ander licht, nu ik aan de weet denk te zijn gekomen; wie die zeven koppen zijn.