Het beest uit Openbaring 17 (2)

1993-06-18
  • Jaargang 37
  • nummer 13
De datering van het boek Openbaring
Als deze uitleg juist mocht zijn, dan is het boek Openbaring - of althans dit zeventiende hoofdstuk(9) - met vrij grote nauwkeurigheid te dateren. Blijkens 17, 10 zijn vijf steden, t.w. Sepphoris, Jotapata, Tiberias, Tarichea en de berg Tabor gevallen. Die laatste vesting heeft het hoofd in de schoot gelegd tijdens het beleg van Gamala, de zesde 'kop', die op het moment dat Johannes dit schrijft 'is', d.w.z. nog overeind staat in zijn verzet tegen Rome. Zo nu is de situatie rond september 67.
De zevende ("de andere", v. 10, nl. van de twee die na de val van vijf nog resten), t.w. Johannes in de burcht Gischala, moet dan nog aan de beurt komen. En wanneer het zijn beurt is, zal hij inderdaad "maar kort stand houden" (v. 10), zoals we boven zagen.

Het beest tegen de hoer
Wat het vervolg betreft: de tien horens kan ik niet thuisbrengen. We zullen, dunkt mij, moeten denken aan onderbevelhebbers die in Jeruzalem(10)? een bepaalde sector van het front onder hun commando hadden. Johannes zal voor deze posten zelotische partijgangers hebben gekozen, die zich restloos naar zijn bevelen voegden (v. 13).
Maar namen zou ik (nog?) niet weten te noemen.
Wel speel ik met de gedachte, dat 'het beest uit de aarde' (13, 11), alias 'de valse profeet' (16, 13) wel eens Phannias (of Pinhas) zou kunnen zijn, al kan ik dit vermoeden niet hard maken.
Verdacht van romeinse sympathieën was nl. bij de reorganisatie van het verzet in fanatiek-nationalistische zin de hogepriester Antipas uit de weg geruimd in de winter van 67/68 (Schürer, a.w. 496). Men koos toen door het lot iemand die niet tot een van de hogepriesterlijke families behoorde. Het lot viel op Phannias, een boeren-kinkel, die ritueel van toeten noch blazen wist, als we Josephus mogen geloven(11).

Als we nu in 13, 14-17 lezen, hoe het beest uit de aarde zich in het bijzonder richt op het reorganiseren van de cultus, dan gaan onze gedachten toch wel het eerst uit naar dezen hogepriester 'nieuwe stijl'. Beter is na te trekken, dat Johannes en zijn trawanten de hoer (Jeruzalem) gaan haten; en hoe.
Despotische monsters als deze Johannes hebben totaal geen hart voor het volk dat ze leiden. Ze gebruiken het alleen om zelf groot te worden. Hun begeerte naar eigen macht en roem dicteert hun doen (vgl. Hab. 1,7), ook tegenover hun onderdanen. Ik ga even de schildering die vers 16 van Op. 17 geeft, na: "Ze zullen haar vereenzaamd maken": Hoeveel werkelijke of vermeende tegenstanders Johannes van kant heeft gemaakt of laten maken, valt moeilijk te schatten. En nog minder, hoeveel mensen hij de hongerdood heeft ingejaagd. Hoezeer is daarmee de bevolking van Jeruzalem - en men bedenke, dat' ook vele bewoners van het platteland daarheen de wijk hadden genomen - uitgedund.
Hoe eenzaam zat zij - ook toén - terneder, de eens volkrijke stad (vgl. Klaagl. 1, 1).
"en naakt": Rijken onder de bevolking waren per definitie het mikpunt van de aanslagen van Johannes, en niet minder van diens rivaal Simon Bar Giora.
"Although they fought each other, (they) nevertheless regarded moneyed citizens as their common enemy" schrijft Schürer, a.w. 500; en op p. 497 heet het: "Zealot fury... was directed mainly against the prominent, rospeeted, and well-to-do". Johannes heeft inderdaad de burgerij 'uitgekleed'.
"haar vlees eten": Ik noemde al de slachtingen die Johannes heeft aangericht.
"haar met vuur verbranden": Behalve dat de machthebbers door hun hardnekkig verzet er uiteindelijk voor verantwoordelijk waren, dat de Romeinen de tempel in de as legden, hebben zij eerder in onderlinge naijver Jeruzalems grote voorraad levensmiddelen eigenhandig in brand laten steken, om die uit handen van hun rivalen te houden, in blinde jaloezie niet bedenkend, dat ze zo zelf ook eerder met voedselschaarste te maken kregen dan nodig was geweest(12).

666
Wie mocht menen, dat nu het berekenen van het naamgetal uit 13,18 een fluitje van een cent moet zijn, vergist zich.
AI weten we nu - als ik tenminste de gegevens uit 17, 9 vlgg. juist uitleghet beest te identificeren, daarmee weten we nog niet, onder welke naam het Johannes voor ogen stond.
Om te beginnen: ging Johannes bij de berekening uit van een griekse of van een hebreeuwse (of aramese) vorm?
Maar verder: koos hij, omdat de naam Johannes vrij algemeen is - hij droeg die zelf ook - een andere benaming, b.v. de Gischalenser? Of een omschrijving als Bar Levi? (Wij weten nl., dat Johannes' vader Levi heette.) Men vergelijke namen als Bar Abbas en Bar Kochba.
Of ook: ging hij soms nièt uit van de volledige naam, maar van een samen getrokken vorm daarvan? (Silvanus b.v. werd in de omwandeling Silas genoemd, zoals wij met Kees aanspreken wie als Cornelis in de burgerlijke stand staat ingeschreven.) Zo'n samentrekking heeft natuurlijk een heel andere getalswaarde dan de officiële vorm.
Men zou ook kunnen denken, dat hem een bijnaam of zelfs een spotnaam voor ogen stond. Zo ging de keizer Gajus de geschiedenis in als Caligula, wat 'soldatenlaarsje' betekent. (Als kind door zijn vader eens meegenomen naar de troepen, werd hij nl. door enkele soldaten in een paar legerlaarsjes gestoken.) De beruchte Antiochus IV, die zelf zich sierde met de bijnaam Epiphanes (omdat hij zich een op aarde verschenen god waande) werd door het volk - met verandering van slechts één letter - als Epimanes ('gek') betiteld. Johannes van Gischala maakte, ofschoon hij aanvankelijk de mensen wist te begeesteren, zich uiteindelijk door zijn gruwelijk optreden bij velen zeer gehaat. Ook de mogelijkheid van een spotnaam is dus niet uit te sluiten.
Ten laatste: toen men nog onder de romeinse keizers naar een naam zocht waarvan de letters samen de getalswaarde 666 zouden opleveren, heeft men wel gedacht, dat Johannes het randschrift rond de beeldenaar van een munt voor ogen heeft gehad; een randschrift waarin niet alleen naam en titel van den bewusten keizer in afkorting te lezen vielen, maar daarbij ook nog het cijfer dat zijn regeringsjaar aangaf. Dat maakt het raden bepaald niet simpeler.
Toch is het denken in die richting, ook als wij onze zoektocht van Rome naar Jeruzalem verleggen, zeker niet dwaas. Wij weten nu (Schürer, a.w. 190), dat in de jaren van de joodse opstand de Joden eigen munten hebben geslagen waarop het jaar vermeld stond, geteld naar het begin van de opstand. En men bedenke, dat het naamgetal van het beest aan het slot staat van een passage die spreekt over de uitsluiting van de tegenstanders van het beest van koop en verkoop.
Alsook, dat deze laatste maatregel afkomstig is van den man die mogelijk - zie boven - als hogepriester ook over de heilige tempelmunt ging.
En dan laat ik nog maar buiten beschouwing, dat het niet helemaal vast staat, dat we op 666 moeten uitkomen.
De handschriften die dit getalopgeven in 13, 18 zijn wel in de meerderheid, maar er is daarnaast toch altijd nog een variant 616, die niet a priori terzijde kan worden geschoven. Ook Irenaeus kende deze lezing.
AI met al acht ik de kans dat we met redelijke waarschijnlijkheid dit getalraadsel weten op te lossen, toch nog altijd niet zó groot. Voor een goede suggestie houd ik me intussen aanbevolen.
Zelf heb ik die eigenlijk niet(13).

Noten
9 Men moet nl. rekening houden met de mogelijkheid dat Johannes zijn visioenen niet allemaal aaneengesloten kreeg en tegelijk te boek stelde. (Overigens zie ik nog geen áánleiding te vermoeden dat Openbaring 'in afleveringen' is verschenen.)
10 Ik vraag me af, of in v. 12 in plaats van de duur van hun heerschappij niet veeleer het tijdstip waarop ze die ontvangen, is aangegeven.
Ik ben geneigd niet te vertalen "één uur (lang)", maar "op één en hetzelfde tijdstip... met het beest", oftewel: "tegelijk met het beest". (De accusativus om het 'tijdstip waarop' aan te geven, ook in Jh. 4, 52b.) Johannes heef! dan willen aangeven, dat deze tien 'horens' pas een rol gaan spelen, zodra 'het beest' gaat optreden als 'achtste kop', dus als commandant van Jeruzalem. (Voor 'één' in de betekenis 'één en dezelfde' zie b.v. al dadelijk het volgende vers: "Dezen hebben één mening", d.w.z. 'hun staat één en hetzelfde doel voor ogen'; zie ook Filipp. 2, 2 slot.) De gedachte dat Jeruzalem tijdens het beleg militair in tien sectoren is opgedeeld geweest, zou kunnen kloppen op wat we lezen in 11, 13; dat nl. op een gegeven moment "een tiende deel van de stad instortte". Mogelijk moeten we hierbij denken aan het bezwijken (in april/mei 70) onder Titus' stormrammen van de meest noordelijke (de buitenste) muur, waarvan de bouw door Agrippa I was begonnen, maar pas tijdens de opstand was voltooid (Schürer, a.w. 503).
11 B.J. IV 3, 8. Josephus vermeldt daarbij nog, dat ze hem tegen wil en .dank meesleurden van zijn land. Heeft het met deze herkomst te maken, dat Johannes hem ziet "opkomen uit de aarde" (Op. 13, 11)???
12 Ik moet in dit verband nog eens terugkomen op wat ik lang geleden (Opbouw jrg. 19, blz. 354, middenkolom onder 3) schreef over de woorden uit Op. 6, 6 "en breng geen schade toe aan de olie en de wijn". Mijn daar gegeven verklaring, dat in deze tijd van gevechten olie en wijn als medicamenten voor de gewonden werden gereserveerd en niet meer voor consumptie werden vrij gegeven, lijkt mij op zichzelf nog altijd een mogelijke uitleg. Maar nu ik me nog eens verdiep in de gegevens die we van elders over de joodse oorlog hebben, zou ik toch ook een andere mogelijkheid onder de aandacht willen brengen.
Josephus vermeldt (B.J. V 13, 6), dat, toen er van de bevolking van Jeruzalem niets meer te roven viel, Johannes van Gischala overging tot tempel roof. Behalve dat hij de tempelschatten liet omsmelten, liet hij ook de voorraden heilige wijn en olie voor de offers, die in de tempel lagen opgeslagen, eruit halen en aan zijn soldaten uitdelen.
Het zou kunnen zijn, dat Op. 6, 6 met dit feit te maken heeft, al zie ik nog niet, hoe.
13 Na lezing van dit artikel droeg mijn vriend, drs. Ph. Roorda - dien ik ook vanaf deze plaats hartelijk dank voor zijn hulp bij mijn nieuwtestamentische onderzoekingenmij een plaats aan waaruit nog eens heel scherp blijkt, hoezeer juist Op. 17, 9 vlgg. voor de exegeten een struikelblok vormt om in de hoer Jeruzalem te zien. Het is de desbetreffende passage uit Peake's Commentary on the Bibie, onder redactie van Black en Rowley (herdruk 1977). Op p. 1054, linkerkolom onderaan, begint het inleidend cdmmentaar op "XVII 1-6 The Harlot on the Beast". Ik kan niet nalaten dit gedeelte te citeren: ,,1. the great harlot: one would think this more appropriate of Jerusalem than of Rome. The Heb. prophets constantly accused the holy city of the spiritual sin of fornication, namely religious syncretism and imprudent associations with foreign kings; in v. 2 this city, whatever it is, is accused of just that kind of association with the kings of the earth. It is difficult to resist the conclusion that all this is very fittingly applied to Jerusalem. Such a conclusion is strengthened by the observation that the last words of eh, 18 ('in her was found the blood of prophets and of saints, and of all who have been slain on earth') remind us vividly of words which Jesus used of Jerusalem in Mt. 23:35 ('that upon you may come all the righteous blood shed on earth, from the blood of innocent Abel to the blood of Zechariah...o Jerusalem, JenfSalem, killing the propbets...'), So once more the queston arises whether Rev. is not really directed against militant and persecuting non-Christian Judaism, which arrested the spread of the Gospel in its earliest days, rather than secular Rome."
Ondanks deze sterke argumenten vóór 'Jeruzalem' zwicht de schrijver vervolgens 'ter elfder ure' toch nog voor de schijn dat de zeven bergen op Rome slaan en de koningen op romeinse keizers: "On the other hand there are considerable difflculties in the acceptance of such a view and the rejection of the more usual identification with Rome. v, 12 for instance (the ten kings). would most naturally be a reference to Roman emperors, and the seven hills of v. 9 look like those on which Rome is built".
Dit - begrijpelijk! - misverstand hoop ik met dit artikel uit de wereld te hebben geholpen.
Bij de bestudering van Op. 17 is de indruk bij mij achtergebleven, dat de exegese van Openbaring bij het in rekening brengen van de joodse oorlog aan een blikvernauwing is gaan lijden: men heeft nog wel aandacht voor het beleg van Jeruzalem. Maar dat daaraan een fase van de oorlog is voorafgegaan die zich in Galilea afspeelt, schijnt men zich nauwelijks bewust te zijn geweest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief