Israël en de Kerk

1992-01-03
  • Jaargang 36
  • nummer 1
Nav. Willem J. Ouweneel - ISRAËL EN DE KERK, oftewel: Eén of twee volken van God? Confrontatie van de verbondsleer en de bedelingenleer, Vaassen 1991.

In zijn boekje probeert Ouweneel een bijdrage te leveren aan het denken over de relatie tussen Israël en de Kerk. Hij meent dat veel verschillen over de positie van Israël niet zozeer komen door de detail-uitleg als wel door "het bredere theologische 'denkkader', het leerstellige 'raamwerk' waarin de uitlegkundige bevindingen hun plaats moeten krijgen. Vanzelf blijkt dan dat de visie op Israël onlosmakelijk samenhangt met de visie op de Kerk - haar wezen, oorsprong, positie, roeping -, "op het verbond, op de doop, op onze roeping in de wereld, op de hele eschatologie." (p. 11) Zelf geeft de auteur aan dat hij voor een bondige aanpak gekozen heeft, waardoor veel punten veel beknopter aan de orde komen dan hij eigenlijk zou willen. En dat maakt het gesprek met hem er niet gemakkelijker op.
Ik ga in dit artikeltje niet in op alles wat Ouweneel te berde brengt. Dan zou ik vele van de door hem genoemde teksten moeten exegetiseren.
Slechts een aantal opmerkingen wil ik maken naar aanleiding van (de teneur van) het boek. En in die opmerkingen hoop ik dan ook het 'denkkader' te laten doorklinken. Opvallend vond ik het dat Ouweneel, die gezien de bibliografie vanuit verre streken z'n literatuur heeft gehaald, het proefschrift van de gereformeerd vrijgemaakte predikant H.R. van de Kamp, 'Israël in Openbaring, Een onderzoek naar de plaats van het joodse volk in het toekomstbeeld van de Openbaring aan Johannes', Kampen, 1990, links laat liggen. Daardoor (?) gaat hij niet in op de exegetische argumenten die Van de Kamp aanvoert, en die Ouweneels visie bepaald niet ondersteunen.
Van de Kamp overigens gaat wel in op eerdere publikaties van Ouweneel die met dit onderwerp te maken hebben.

1. Op p. 14 geeft de schrijver een uitleg van de titel van zijn geschrift.
"Niet: 'Kerk en Israël', zoals zo vaak gezegd wordt; Israël was eerst." Hier heb je het probleem gelijk voor je.
Ouweneel, als aanhanger van de 'bedelingenleer', meent dat Israël er was vóór de Kerk. Gezien talloze uitlatingen in zijn boek over een toekomst voor Israël moet je tot de konklusie komen dat Ouweneel meent dat God met Israël begonnen is, dat vervolgens de gemeente in het vizier komt, en "dat Israël pas bekeerd en hersteld wordt wanneer de Gemeente in de hemel is opgenomen. Tijdens het messiaanse vrederijk zal Israël het middel punt op aarde vormen, en zal de Gemeente verheerlijkt met Christus in de hemel zijn." (p. 24) Komt dit er op neer dat Ouweneel de gemeente ziet als een interim, een tussenstadium van Gods handelen met Israël, ook al probeert hij dat op p. 127 weer wat recht te trekken? De uitspraak 'Israël was eerst' zal het ongetwijfeld goed doen, maar het is niet waar. Hieruit blijkt dat de auteur vanuit een veronderstelling werkt. Volgens mij begint Gods handelen met mensen bij de mensheid als geheel, bij Adam (= mens), geen mens uitgezonderd om zo te zeggen. Vervolgens treedt er dan in Gods handelen een versmalling op en vind je de Kerk, Gods bijzondere volk, in de gedaante van Abraham!
Israël, om later, na Christus, te worden uitgebouwd tot een universele Kerk.
De inzet van de Bijbel is de schepping van de wereld; niet van één bepaald stuk land en één bepaald volk. De schriftelijke openbaring van de HERE begint niet bij Israëls volksbestaan, maar bij de schepping van de wereld.
Het gaat God eerst om de wereld en de hele mensheid en (pas) in tweede instantie om het beloofde land en het volk Israël. De God van de schepping werd de God van Israël. Niet andersom!
2. Ouweneel is in zijn geschrift nogal bezig met het verwerpen van allerlei termen. Omdat de Bijbel geen naam noemt voor de optelsom van alle gelovigen van alle tijden, komt hij tot de konklusie dat de gemeente iets anders is dan die optelsom. Ook heeft hij het tamelijk uitgebreid over de termen 'inlijven bij Israël' en 'lichaam van Christus'. Wat hij daarover schrijft doet nogal geforceerd aan. Het wekt de indruk dat hij alles genoemd wil hebben wat (eventueel) zijn mening kan ondersteunen.
3. Een derde punt is de omgang met de Schrift. Een aantal voorbeelden wil ik hier noemen. Ouweneel meent dat het elkaar onder de neus houden van een aantal Schriftplaatsen om de ander te weerleggen geen zin heeft. En dat je ook de diskussie niet mag "vertroebelen door oneigenlijke, irrelevante of 'vrome' argumenten". (p. 27) Daarbij noemt hij dat je wel kunt horen dat de profetieën letterlijk vervuld worden in Israël en dat iemand daarop reageert dat ze vervuld worden 'in Christus'. Hij noemt dat "een oneigenlijk argument, omdat niemand dat zal ontkennen.'"Bovendien", zo schrijft hij, "is het irrelevant, want het feit dat alle profetieën slechts (onderstreping MJ) 'in Christus' vervuld worden, zegt nog helemaal niets over de wijze waarop zij 'in Christus' vervuld worden." Hier laat hij zich flink in de kaart kijken. Ik zou niet de moed hebben om het woordje 'slechts' in verband met de vervulling in Christus te gebruiken.
Een ander voorbeeld treffen we aan op p. 41. Daar stelt de schrijver: "Daarom kon de Gemeente niet vóór Hand. 2 bestaan, want toen werd pas de Heilige Geest uitgestort en kwam Deze op aarde wonen." Volgens hem bestaat er op dit punt geen kontinuïteit met het OT, want toen was de Geest wel werkzaam op aarde, rnaar niet woonachtig.
En dan volgt de veelzeggende opmerking: "Daarom kon David nog bidden: "neem uw Heilige Geest niet van mij" (Ps. 51,13), wat geen christen in het licht van Joh. 14, 16 vandaag nog kan bidden."
Zulk Schrift-gebruik moet dienen om ons te doen geloven dat Gods handelen onder het NT in grote mate verschilt van dat onder het OT! Evenals wat we vinden op p. 74: "De gedachte dat ook de kinderen van de gelovigen tot de Gemeente behoren, stoelt niet op rechtstreekse uitspraken van het N.T., maar is een consequentie van de verbondstheologie en de verwarring van de oudtestamentische qahal en de nieuwtestamentische ekklesia. De (oudtestamentische) qahal bestond uit gezinnen, de nieuwtestamentische ekklesia bestaat uit individuele gelovigen."
En nog een voorbeeld van het Schrift-gebruik in dit boekje is wat n.a. Joh. 4, 22: "Het heil is uit de Joden", gezegd wordt: "Het heil is uit de Joden, en het is ook in de eerste plaats voor de Joden." (p. 61) 4. Wat hiermee direkt te maken heeft vinden we in het hoofdstuk: 'Profetische citaten uit het O.T. in het N.T.' In het NT treffen we heel wat citaten aan uit het OT. Iets wat daar wordt betrokken op Israël, wordt in het NT betrokken op de gemeente. Ouweneel meent dat dat nog helemaal niets zegt over Israël. Volgens hem geeft bijv. Paulus in Rom. 9, 25v. niet de uitleg van Hos. 1 en 2, maar "slechts (weer dat woord! MJ) een toepassing".
Op één voorbeeld wil ik wat nader ingaan. In I Pt. 2, 9 worden titels van Israël uit Ex. 19 toegekend aan de nieuwtestamentische gemeente. Volgens Ouweneel is dit geen bewijs dat de Kerk van de nieuwe bedeling bet nieuwe 'Israël' is, omdat de tekst als zodanig niet zegt "dat de gebruikte titels niet langer van toepassing zijn op het etnische Israël c.q. sluit niet uit dat deze titels straks weer in hun letterlijke betekenis zullen gelden voor een nationaal en geestelijk hersteld Israël. Het citaat hoeft daarom niet méér in te houden dan een typologische parallel tussen het oude Israël en de Kerk van vandaag. Béide worden 'volk van God' genoemd." Maar er is meer te zeggen. Petrus gebruikt hier het woord 'laos' voor volk. En juist dit woord is in de Septuaginta (de Griekse vertaling van het OT) uitgekozen om Israël als het volk van God te onderscheiden van de andere volken, de 'ethnoi'. Dat Petrus - en niet alleen hij, zie bijv. Hd. 15, 14 en Tit. 2, 14 - met dit woord de gemeente aanduidt, betekent, en helemaal gezien de andere typeringen uit Ex. 19, dat God een volk heeft op aarde. Dat volk heeft Hij uit Egypte bevrijd. Aan dat volk heeft Hij bij de Sinaï zijn verbondsregels gegeven.
En dat volk spreekt Petrus aan.
Het is één en hetzelfde volk van God.
Typerend is dat een hoofdstuk als Rom. 4, waarin de apostel Paulus ons verkondigt dat Abraham door het geloof gerechtvaardigd werd en waarin we lezen dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, in deze studie geen enkele rol speelt. Wel komen we het woord tegen: "De landbelofte wordt niet vervuld in een of ander geestelijk 'land', maar in het aloude beloofde land. Het herstel van de tempel wordt niet verwerkelijkt in een of andere geestelijke 'tempel', want volgens een dergelijke uitleg zou het niet gaan om een herstel van wat verloren ging, maar slechts om vervanging door een geestelijke tegenhanger." (p. 67v.) Geen woord hierbij over (uitspraken van) Christus!
En nog iets over Ouweneels Schriftgebruik.
Het lijkt heel eerbiedig om profetieën over bijv. het herstel van Jeruzalem 'letterlijk' te nemen. Alleen, daarbij negeert hij grotendeels wat ons geopenbaard is in het NT en met name in de Openbaring aan Johannes.
Aan dr. Van de Kamp komt de eer toe een nauwkeurige en gedetailleerde exegese te hebben geboden van m.n. die hoofdstukken van Openbaring die in de diskussie over de plaats van Israël een rol spelen. En ook daaruit blijkt dat we bij de profetieën over Jeruzalem niet moeten denken aan een echte stad, zoals wij die kennen, maar Openbaring onthult ons de werkelijke zin van de profetie. Juist vanuit zijn exegese, en niet vanuit een theologisch 'denkkader', is Van de Kamp tot zijn eerste stelling bij zijn proefschrift gekomen: "Gods voltooide Israël wordt, blijkens het toekomstbeeld van de Openbaring aan Johannes, gevormd door het totaal van de gelovigen uit álle volken. Een aparte positie voor leden van het joodse volk wordtbehoudens de bijzondere plaats voor de twaalf apostelen in Op. 21, 14- in het toekomstbeeld van Openbaring niet beloofd." Hopelijk ziet Ouweneel nog eens kans om op de publikatie van Van de Kamp in te gaan. Dat zou voor het gesprek over Israël en de Kerk zeer nuttig en verhelderend kunnen zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief