Wat leeft er in het hart van de mens? Wat leeft er in het hart van God?

1992-01-17
  • Jaargang 36
  • nummer 2
"Toen zei de HEERE tot Mozes: Wat roept gij zo luid tot Mij? Zeg tot de Israëlieten dat zij optrekken".

Slavendienst
De vorige keer, bij Exodus 13, werd o.a. benadrukt: de christelijke gemeente zal er op bedacht moeten zijn dat zoals Farao na de uittocht uit Egypte het volk niet ongemoeid liet, zo laat de zonde ons niet vrij rondlopen, ook niet nadat Jezus Christus ons door Zijn bloed heeft vrijgekocht uit de macht van de zonde. Hoe heerlijk en machtig de verlossing door de Here Jezus ook is, we zullen er op bedacht moeten zijn dat de zonde erop uit is ons opnieuw tot slavendienst te brengen.

Onder geleide
Op weg naar het beloofde land is het volk niet alleen; de wolkkolom trekt mee, ter bescherming en als gids... het NT getuigt van een verdieping van dat heilrijke handelen van de HEERE; Jezus Christus zegt: Ik ben het licht der wereld, wie achter Mij aan komt, die zal nooit meer in het duister wandelen, maar het licht des levens hebben - een woord dat verstaan mag worden als persoonlijke vervulling van de belofte van de meetrekkende wolkkolom.

Benauwdheid
In Exodus 14 horen we hoe het volk in een uiterst benauwde situatie terechtkomt.
Ze kunnen geen kant meer op: vóór hen de Rode Zee, achter hen de Farao en zijn legers; het dringt ineens tot hen door: ze zijn reddeloos verloren... ze zitten als ratten in de val.
Deze geschiedenis opnieuw lezend, valt op dat er naast angst en grote verslagenheid onder het volk de brutale mond al spoedig opengaat.

Het hart van de mens
Wie ernstig neemt wat het volk hier zegt, die begrijpt: dit is verschrikkelijk!
Hoe durven ze de HEERE zo te benaderen?
Wie tot nu toe nog dacht dat de mens die ècht de ellende van dichtbij gekend heeft, dat die mens niets liever wil dan bevrijd te worden... die zal hier ontdekken dat als de nood aan de man komt, dan komt er uit het hart, het diepste van de mens iets ánders te voorschijn.
Immers, de Israëlieten die gezucht hebben onder de zwaard rukkende hand van Farao, die weten wat het is om in een stikkende benauwdheid te verkeren, die zeggen hier: waren we maar in Egypte gebleven. daar kunnen we tenminste rustig ons slavenbestaan voortzetten!

Positief?
Dat is niet alleen merkwaardige taal na die diepe ellende in Egypte, het is ook dwaze taal na wat de HEERE in Egypte allemaal gedaan had. Want dat kon Israël als geen ander weten: hoe de HEERE oppermachtig was gebleken, hoe geweldig in kracht - zelfs de sterke Farao moest gehoorzamen op Zijn wenken! Wat hier door Israël wordt gezegd is onvoorstelbaar vreemd en ronduit beledigend voor de HEERE. Wie nog positieve verwachtingen van een mens had, die wordt hier uit de droom geholpen.

Het hart van God
En toch: toch is dat niet het méést opmerkelijke uit dit hoofdstuk: dat is gelegen in de reactie van de HEERE.
De HEERE, Die niet doet naar wat wij deden, Die ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden, maar Die in Zijn onbegrijpelijke liefde en trouw opnieuw handelend en verlossend optreedt!!
De HEERE strekt Zijn handen uit naar een volk dat Hem niet riep, een volk dat Hem telkens weer ongehoorzaam was.
Hij verlost het volk op majestueuze wijze, door de Rode Zee te doen opdrogen voor het volk van Zijn verbond en diezelfde Rode Zee de Farao en zijn legers te doen verzwelgen.
Laat het u gezegd zijn: dat de HEERE rijk is aan ontferming, telkens weer, ook als wij het opnieuw verbruid hebben...

Wonder van ontferming
Want de doortocht door de Rode Zee, het wónder van Israëls verlossing, is niet verklaarbaar uit de mensen; daarom ook niet binnen het bereik van de mensen - de HEERE liet een sterke oostenwind waaien... de verlossing is puur ZIJN werk!
Maar bovenal: het is Zijn werk ook in die zin, dat Hij ermee kwam, op een móment dat je 't niet meer kon verwachten, zo brutaal was het volk, zo zeer had het de HEERE gekrenkt en op het hart getrapt... en tóch HIJ KWAM VERLOSSEN.

Geen boosheid?
Zeg nu niet: dat de HEERE uiteindelijk geen boosheid kent.
Die mensen kom je altijd weer tegendie denken: de HEERE doet uiteindelijk geen vlieg kwaad.
Hier lezen we anders: de HEERE brengt op glorieuze wijze het vernietigend oordeel over Farao en zijn legers.
Daarin zien wij dat de HEERE wel degelijk komt tot een vreselijk gericht.
Deze geschiedenis, fundamenteel voor het bestaan van Gods volk, deze geschiedenis behoort bij het a-b-c van Gods volk, de gemeente. Daarom kan ze ook een illustratie zijn van de doop (vgl. het gebed voor de doop: Gij Die de verharde Farao met heel zijn leger in de Rode Zee hebt verdronken, maar Uw volk Israël droogvoets daardoorheen geleid; waarin U ons een voorafbeelding van de doop hebt gegeven).

Gehoorzaamheid tot behoud
De verlossing is Gods daad waarop wij niet anders kunnen reageren dan door gelovig te gehoorzamen.
"Zeg tot de Israëlieten dat zij optrekken".
Een bevel, zeker, maar tot behoud!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief