"Allemaal beestjes!"
1992-01-17
De heer Van Frankenhuyzen uit Wageningen is jarenlang als entomoloog (insektenkundige) verbonden geweest aan de Plantenziektekundige Dienst in zijn woonplaats. In die hoedanigheid was hij steeds bezig met onderzoek naar het voorkomen van insekten, hun beschrijving, en in veel gevallen hun bestrijding.- Jaargang 36
- nummer 2
Hij is inmiddels gepensioneerd, maar beoefent zijn 'hobby' nog 'steeds met hartstocht. Als je met hem een gesprek hebt, is het niet je probleem: hoe krijg ik hem aan het praten? Het probleem is meer: hoe kan ik zoveel mogelijk van het besprokene een beetje verantwoord in ons blad kwijt?
Hoe bent u met dit werk begonnen?
Dat is een lange historie. Ik ben indertijd bij de Plantenziektekundige Dienst gekomen, vlak na de oorlog. Ik kwam in de Buitendienst, als inspekteur voor aardappel- en bloembollenexport en -import. Dat was een soort werk waar ik helemaal niet voor deugde! Natuurlijk was het niet onmogelijk om je de kennis van bloembollen etc. eigen te maken. In die tijd waren er trouwens nog geen cursussen; je werd gewoon voor de leeuwen gegooid. Ik had echter ook met exporteurs te maken, die een totaal ander slag mensen waren dan ik zelf. Op het persoonlijke vlak ging het regelmatig fout. Men had na verloop van tijd door dat het met de omgang met die mensen niet zo goed lukte.
In 1948 ben ik naar Goes overgeplaatst en heeft men me in het waarnemingswerk van insekten etc. gezet; dat was ook een totaal nieuw terrein, maar ik bleek daarin goed te zijn! Ik ben tegelijk naar bijscholingscursussen voor de fruitteelt gegaan, want die fruitteelt vond ik geweldig interessant. Ik ging allerlei dingen melden waarvan men in Wageningen zei: "Oei! Daar hebben we nog nooit van gehoord. Daar moeten we maar eens met hem over gaan praten!" Op een gegeven moment hadden we samen een gesprek en zei men: "We zullen eens geregeld iemand sturen, die met je op pad gaat."
Toen kwam er een hoge ambtenaar uit Wageningen en we gingen samen op pad. Ik herinner me nog dat ik na afloop van die dag tegen mijn vrouw zei: Ik heb nu toch een mooie dag gehad! Geen spanning met exporteurs of met produkten. Ik heb waarnemingen gedaan en heb samen met die man dingen gevonden en ik heb eigenlijk veel meer gezien dan hij! Dat heeft hij allemaal opgeschreven. Ik ga eens aan de PD schrijven om te vragen of, als die man met pensioen gaat, ik hem mag opvolgen en dat ik daar nu al voor kan gaan leren. Want ik zag tegen die man geweldig op! Maar eind 1953 kwam een van de direktieleden uit Wageningen me zelf uitnodigen voor een gesprek. Dat was dus voordat ik die brief ooit had geschreven. En al gauw werd een tijdelijke baan in dit waarnemingswerk omgezet in een vaste baan, want men konstateerde dat ik daar precies geknipt voor was.
Toen was ik voor het eerst echt gelukkig bij de PD! Ik kreeg ook een grote mate van vrijheid, want mijn onmiddellijke chef was op dit terrein niet ter zake kundig, maar verleende wel alle medewerking. Mijn primaire taak was om het 'Weerpraatje' op de radio, net voor half een, te voeden met betrouwbare gegevens over insekten.
Wat moest u dan doen?
Eerst hebben we, in het hele land, twaalf vanglampen neergezet om gegevens te krijgen voor die Waarschuwingsdienst.
Vang lampen zijn lichtbronnen, waar insekten, die in de avondschemering vliegen, op afkomen.
Het was mijn taak om al die vanglampen eens per maand af te gaan, per trein. Naar aanleiding van die vangsten maakte ik grafieken, aan de hand waarvan men precies kon zien: dan en dan is er een top in het voorkomen van deze insektensoort.
Dan moesten wij proberen uit te zoeken waar de zwakke plek in de levenscyclus zat. Dat werk heb ik dus 35, 40 jaar gedaan. We moesten altijd maar zoeken naar de zwakke plekken in de levenscyclus van schadelijke insekten.
Daarbij heb ik natuurlijk ook een aantal nuttige insekten aangetroffen, die ik ook ben gaan kweken. Er was zoveel werk dat ik het zelf bijna niet aankon.
Al gauw kreeg ik het verzoek van de Landbouw Universiteit of ik studenten voor stage wilde opleiden. Daar heb ik ontzettend dankbaar gebruik van gemaakt en zo hebben diverse studenten samen met mij een publikatie geschreven.
Dat is op een geweldig fijne wijze gaan funktioneren. Ik heb heel veel te danken aan die studenten, die een half jaar lang met me optrokken en meestal heel enthousiast over hun stage waren. Ze stonden natuurlijk volop in de praktijk van de tuinbouw.
Ik werd namelijk de officiële 'veldentomoloog van de PD'. Je hebt ook een wetenschappelijke afdeling; die mensen zitten de hele dag achter de microscoop de beesten te determineren en geven de uitslag om wat voor beestjes het gaat. Dat is soms heel belangrijk, want soms gaat het over insekten, die voor het eerst in ons land worden aangetroffen. Mijn werk was om veel buiten te zijn. Dat deed ik persoonlijk ook veel liever. Ik was de enige veldentomoloog in het hele land.
Met wat voor soort problemen kreeg u te maken?
Wel, zo nu en dan komt er een nieuwe plaag Nederland binnen. We hebben een paar uitermate warme zomers gehad, in 1947, 1949 en 1959. Ik kan van elk van die zomers problemen vertellen. Een van de aardigste voor mij was de komst van de 'Vruchtbladroller' . Er is een theorie, dat de Duitsers die hebben meegebracht met hun camouflagemateriaal. Die theorie wordt ook weer tegengesproken, want het eerste motje is gevangen door Graaf Bentinck in Oud Beyerland, in 1939. Dat was een heel bekende entomoloog.
Toen we in '47 die plaag kregen, ben ik daar helemaal bij betrokken geweest. Een van mijn eerste klussen is geweest, om samen met een entomoloog van 'Zeelands Proeftuin', die een heel goede vriend geworden is, de levenswijze van dat beest uit te zoeken. In mijn Goese periode heb ik er daar dus al bij geholpen.
Mijn eerste lezing ging ook over dit gruwelijke beest, dat werkelijk als een stoomwals door de fruitteelt ging en bij appels, peren, pruimen en kersen vooral de schil beschadigde. Wij denken dat hij in hete zomers een enorme kans heeft gekregen, want dan ontwikkelde hij namelijk een generatie extra. (Dat kan soms ook zeer tot nadeel van het beest zijn, want ik heb indertijd een ander beest gevonden, dat in '59 een extra generatie ontwikkelde en daardoor geen schade heeft gedaan. Toen heb ik in het blad 'Groente en Fruit' een artikel geschreven: 'Waar bleef de zuringbladwesp in 19597' Hij kwam, nadat hij een tweede generatie in een jaar had ontwikkeld, niet meer tot zijn schadelijke fase. Als ik daarnaar geen waarnemingen had gedaan, had niemand geweten hoe dat nu kon! Maar omdat ik altijd in het veld was, kon ik dat verschijnsel op het spoor komen.
Moest u dus het hele jaar door steeds dezelfde insektesoort bekijken? Gebeurt dat dan steeds op dezelfde plaatsen?
Hoe moet ik me dat voorstellen?
Ik had een systeem ontwikkeld, waarbij ik 120 waarnemers opleidde - dat waren vrijwilligers, die zelf ook in de fruitteelt werkzaam waren en dus goed gemotiveerd waren. In principe reisde ik die mensen allemaal af. Daarvoor had ik een formulier ontworpen, dat nog steeds gebruikt wordt. Daarvan heb ik er duizenden exemplaren laten drukken. Alle dieren stonden erop vermeld. In de winter gaf ik dan de nodige instruktie: "Zo zien die beesten eruit." Daarom ben ik toen ook begonnen met fotograferen. Vervolgens kwam de vraag van de mensen: "Maar hoe onthouden we dat? Er is in heer Nederland geen boek, dat ons hierover inlicht." Toen ben ik begonnen met platen te maken, in 1960. Het jaar tevoren had ik met die mensen geen excursie gehad, want in die hete zomer moest iedereen alleen maar overal bevloeien en nog eens bevloeien! Om die reden was er geld over; ik heb toen voor elkaar gekregen dat ik van het geld, dat over was, plaatjes mocht gaan maken. Eerst was het een zwartwit uitgave, om de waarnemers te laten zien om welke beesten het precies gaat. (Hij haalt boeken te voorschijn, eerste drukken en ook latere, waaruit blijkt hoe ze steeds meer informatie gingen bevatten. "En hier heb ik grafieken van het voorkomen van de diverse insektesoorten, over een aantal jaren bezien; daar heb ik heel veel mee gewerkt. Elk jaar is de 'fenologie' weer anders! Kijk eens naar dit insekt!
In '56 hadden we een laat voorjaar en dus een heel late 'tweede vlucht', in '57 was het weer een warme zomer, maar toen is hij toch niet zo geweldig opgetreden. Er waren dat jaar veel parasieten; ook dat heb ik allemaal kunnen opmerken.") In 1977 zijn de laatste delen uitgekomen, nog steeds voor die 120 waarnemers.
Vonden die vrijwillige waarnemers dit belangrijk?
Zeker wel, want het waren allemaal mensen met een eigen boomgaard. Nu hadden ze een instrukteur die hun vertelde dat ze niet voor de bloei van de bomen moesten spuiten erna, en in juni en in augustus. Ze hoefden geen zes bespuitingen te doen, maar slechts drie. Als ze de beesten maar kenden! In 1964 ben ik begonnen aan de 'Geïntegreerde Bestrijding' in ons land te introduceren. (Een volgend boekje komt op tafel, dat destijds verscheen met een subsidie van TNO, van f 15.000, voor kleurenplaatjes. Ook een ander, lijvig werk, wordt tevoorschijn gehaald: 'Verantwoorde Bestrijding van ziekten en plagen op appel en peer van deze schadelijke en nuttige insekten en mijten.) Het doel van deze Verantwoorde Bestrijding was de vraag: wanneer moeten we waarnemen en wanneer bestrijden?
Alle normen, die ik in 1964 had opgesteld zijn in de loop der jaren wetenschappelijk getoetst. Daar is niet zo verschrikkelijk veel van overgebleven!
Maar je moet gewoon de moed hebben te zeggen: ik ben van mening, dat die mensen niet moeten spuiten, als het niet nodig is. Maar wanneer is het nu niet nodig? Ik heb dus een klopnet ontwikkeld. In het voorjaar kunnen mensen met behulp van zo'n net insektenwaarnemingen doen. Je slaat op de boomtakken, je krijgt een bepaalde vangst, die je moet uitzoeken en met de loupe bekijken.
Dan zeiden we: "Als je nu drie rupsjes vindt van een bepaalde vlinder, hoef je niet te spuiten. Als je er vier vindt weL" Dat was natuurlijk ontzettend willekeurig! Toch zijn we met die normen doorgegaan, die weliswaar allemaal getoetst moesten worden..
Er is later een speciale proeftuin gekomen, van TNO, waar men al die dingen kon gaan toetsen.
Is dat dus het begin geworden van een heel nieuw terrein van onderzoek en toepassing, dat tevoren niet bestond?
Dat is juist. Van dit hele terrein was maar heel weinig bekend. Voor mijn tijd had je zes tot negen insekticide bespuitingen per jaar en die zijn nu gereduceerd tot twee, hoogstens drie, maar soms nog minder. Er wordt in de tuinbouw tegenwoordig veel minder gespoten dan vroeger! (Hoe dat met de landbouw zit kan ik veel minder overzien.) Het meest wordt echter nog steeds gespoten in de bloementeelt; in kassen heb je veel generaties van beesten, veel problemen, veel resistentie, veel import van vreemde beesten; dat is een eindeloos moeilijk vak!
Bij de fruitteelt is het gebruik van bestrijdingsmiddelen enorm afgenomen.
En helemaal ook in het belang van de teler zelf. Hij kan, door bespuitingen te beperken, veel geld uitsparen, mits hij daar verstandig mee omgaat. Men ging inzien dat mijn adviezen juist waren, want ze gingen sukses boeken.
De deskundigheid bij de fruitteler is ook erg toegenomen.
Het is leuk om te vertellen dat de bestrijdingscursus, die ik met anderen heb ontwikkeld, is uitgegroeid tot een officiële cursus, van rijkswege, aan de Middelbare Tuinbouwschool in Tiel.
Daar heb ik elk jaar een volgeboekte cursus van 30 uur; zo belangrijk vindt meri dit vak. De fruittelers moeten de beesten kennen! In het boek staan vijf schadelijke insekten, beschadigers, en vijftig nuttige.
Dit werk heeft echt uw hart, is het niet?
Het is allemaal zo interessant! Een van mijn zoons heeft ook een beetje een tik van de molen, die is onderwijzer en belde me vorig jaar op: "Pa, ik heb op mijn cotorniaster op school, van wel een meter of veertig lang, een spinsel."
Ik zeg: "Joh, wat interessant!
Daar kom ik direkt op af!" Nu was het een beest, dat ik wel kende, maar niet van cotorniaster, ik ken hem van cratelis; hij heet ook 'cratigella'. Daar heb ik toen een schitterende diaserie van gemaakt. Ik ben zo blij dat ik dat gedaan heb, want het jaar erop was er niets van overgebleven. Dat had ik al voorzien, want hij zat vol met parasieten.
Wel, die parasieten heb ik naar het wetenschappelijk instituut gestuurd, naar alle mensen van wie ik dacht: dat is interessant voor ze. En nu staat die haag er weer groen bij en ik heb me een ongeluk gezocht naar een paar beestjes! Maar vorig jaar, al die duizenden eitjes, die in het spinsel waren afgezet, dat was werkelijk schitterend!
Een keer kwam ik bij de Duno in Arnhem een bijzondere cicade tegen, die ik niet kende. Wel, ik die natuurlijk gevangen en bij de deskundigen van de PO gebracht. Dan zie je wat systematiek vermag, want daar zei men: "Waar heb je die vandaan? Dat is een Amerikaanse cicade; die komt hier helemaal niet voor." Maar ik kon vertellen dat daar en daar er duizenden exemplaren zaten. En de mycologen, de paddestoeldeskundigen, zeiden: "Als jullie die soort hebben, moet er ook een heel vervelende schimmel zijn, want die cicade staat erom bekend dat hij die plant vatbaar maakt voor die schimmel en het mogelijk maakt dat die schimmel parasitair gaat worden. Toen ben ik die schimmel gaan halen. En dat was toch interessant!
Ik heb een heel onderzoek gedaan naar de levenswijze van dat beest. Niemand had me dat opgedragen, maar spring ik dan in!
Ik had gehoord dat op het War Cemetary in Oosterbeek de rododendron niet meer bloeide, en dat was ook in een particuliere tuin het geval. Toen heeft mijn assistent in die particuliere tuin alle aangetaste knoppen weggehaald; daar is die jongen dagen aan bezig geweest! Het volgende jaar hadden we toch weer een enorme aantasting.
Toen hebben we gespoten en bleek het dat we die larven in de vroege stadia heel gemakkelijk te pakken konden nemen, met een insekticide, dat minder giftig is dan keukenzout.
Dan ben je nog niet van die schimmel af. In elk geval hebben we na een aantal jaren spuiten ook in een ander arboretum die cicade uitgeroeid.
Er stonden heel kostbare rododendrons, die niet meer bloeiden, maar gelukkig gered konden worden. Zo gebeurt er van alles, maar het werk komt in principe nooit klaar; er worden steeds nieuwe soorten geïmporteerd.
Heeft dit werk iets uitstaande met uw Christen-zijn? Of had u het net zo goed kunnen doen, als u ongelovig was geweest?
Ik ken de uitspraak van een entomoloog, die zei: Als je een dag gelukkig wil zijn, moet je gaan trouwen, maar als je je leven lang gelukkig wil zijn, moet je entomoloog worden! Mensen in de entomologie zijn gelukkige mensen, omdat het een verschrikkelijk mooi terrein is. En ook vaak een onafgegraasd terrein, met zoveel interessante aspekten dat het eindeloos is!
Voor mij betekent het echter ook dit: Ik mag werken in de schepping, ik mag meewerken aan de vraag: Hoe kunnen we op een milieuvriendelijke manier gaan fruit telen? Hoe kunnen we de chemische middelen, die niet gespoten hoeven te worden, in elk geval in de doos houden? Ik heb al die chemische middelen (parathion, DDT, etc.) zien komen en ook weer gaan. Ik heb ook milieuvriendelijke middelen gezien, waarvan ik ook niet weet hoe die gefabriceerd worden en wat voor afvalstoffen er over blijven. Hoe dan ook, dan is het toch heel mooi, als je die taak hebt gekregen.
Maar verder teruggaand, ik heb zoveel moeite gehad in het begin van mijn werk, toen ik met die exporteurs moest optrekken. Ik zat daar niet op de goede plek. Wat kun je God dan loven, als Hij nota bene zegt: Ik zal jou wel een plekje geven waar je je helemaal thuis voelt, waar je kunt ontplooien en waar je beleven kan wat in je hart niet is opgeklommen, wat je nooit van je leven geloofd zou hebben.
| Onlangs werd bij een vergadering van bestuur, redaktie en medewerkers van ons blad gezegd: we zouden eens wat meer interviews in 'Opbouw' moeten hebben! Bij bespreking bleek dat daarbij niet gedacht werd aan interviews over 'theologische onderwerpen', maar over zaken als: wat voor werk doet iemand en wat heeft dat met zijn/haar Christenzijn te maken? Hierbij een eerste interview, het eerste in een reeks, naar wij bedoelen. |