Mystiek in de literatuur (6)
1992-01-17
In de maanden maart, april en mei 1991 hebt u in Opbouw enkele artikelen kunnen lezen over mystiek in de literatuur. Ik moet de reeks nog afsluiten en ga daar nu aan beginnen.- Jaargang 36
- nummer 2
Voor de duidelijkheid herhaal ik maar even dat ik me beperk tot de mystiek in protestantse kringen.
Johanna Breevoort
Een geliefde christelijke schrijfster uit de tijd voor 1940 was Johanna Breevoort.
Uit haar verhalenbundel 'Heimwee naar huis' neem ik het volgende fragment over:
Wij hadden het zo best en we leefden zo braaf als eigengerechtigde farizeeërs.
God moest wel in liefde en vrede op ons, ijverige, bevindelijke mensen neerzien. Toen heeft God ons bekeerd, mijn man en mij, onder de prediking van de oude Kees van den Oever. We hadden al drie kinderen. 'k Zal het nooit vergeten. Al mijn todden en lompen werden me van me lijf gescheurd, wij leerden onszelf kennen als arme, naakte zondaars van God. Toen was al die vromigheid weg. Wij voelden dat wij vijanden van God waren en we wisten niet waar we ons bergen moesten.
De oude Kees donderde van de preekstoel: "Nou, je moest met je haren langs de rand van de hel getrokken worden, anders kwam je er niet." Je voelde de verdoemenis in je hart. Toen was ik niet meer 'een kind, van God bemind'. Ik was 'n ellendeling. Toen verbeeldde ik mij niet meer dat ik vader Brakel al een heel eind achterna kwam op zijn trappen des geestelijken levens.
't Was de vraag of ik wel een voetstap op de heilsweg had gezet. Als je toe wilt nemen in de genade, moet je toch genade bezitten en ik vond niets dan vijandschap tegen God in mijn hart.Ik voelde me een vreemdeling van God en de beloften. Mijn man kreeg ook sterk met zichzelf te doen, maar die had dadelijk meer uitzicht op Christus en leefde meer in de liefde. (De oude vrouw vertelt over het zware leven dat ze gehad heeft: zeven kinderen zijn jong gestorven, vier bleven in leven.) Dat was een benauwde tijd, dat verzeker ik je. Altijd in vreze des doods, bang voor de eeuwigheid, in zorgen van het dagelijks bestaan. God gaf wel vreugde ook. Ja, anders zouden we bezweken zijn. God troostte ons soms.
Kees van den Oever kon je ook wel 'uithalen'. Dan liet hij je zien dat je toch een werk Gods in je ziel kon hebben en dan kon je huilen als een kind om Gods liefde en geduld met zulke boze schepsels.
Maar lang rust gaf Kees je nooit, dan joeg hij je weer op. Je moet een Borg voor je ziel hebben; met bevinding kun je eeuwig verloren gaan. Van Kees van den Oever gingen we langzamerhand af en ook de oude Klinkert voldeed mijn mans zieleleven helemaal niet meer. We zochten de oude paden, zie je. Toen, met die Doleantie, ik kon het met die verbondsleer niet goed vinden. Niet dat de oude Klinkert de verbondsleer preekte, hoor. Dat helemaal niet. Maar we voelden ons niet meer thuis in die grote kerken na de vereniging en mijn hart trok naar de oude gezelschappen. Ja, die gezelschappen van vroeger! Dat was boter, kaasje en melk, hè. Zalig. Het is net of het nou zó niet meer is, als vijftig jaar geleden.
Rudolf van Reest
Wie de sfeer in protestantse mystieke kringen goed wil proeven, kan terecht bij de romans van Rudolf van Reest. Of zijn boeken echt tot de 'literatuur' gerekend mogen worden, betwijfel ik, maar voor mijn doel zijn ze toch heel geschikt.
Hier volgt een gedeelte uit de roman Gebondenen. (Meute-Aoltje is één van de vromen, een ingeleid kind van God. Op een avond spreekt zij in een gezelschap iemand als volgt aan:
- "En vrouw Van Dijk, wat houd jij je nou stil, weet je nog niks te vertellen?
Ja mens, ik begrijp het wel, nog zo dood als een pier natuurlijk, ja, het gaat maar zo gemakkelijk niet. Het moet je van.boven gegeven worden. Als ik zo eens op mijn wegje terugzie, dan mag ik zo wel eens bij ogenblikjes komen te zeggen: Here, waar heb ik toch aan verdiend dat Je met Je grote goedheid op een zondig schepsel als ik ben, hebt neergezien, want vroeger, mens, ik heb er van mezelf nooit naar omgekeken. Ik keek meer naar pronk en praal dan naar het goede. Tot het lieve Wezentje me er krachtdadig bij bepaald heeft dat al wat stof is, neemt een end, door de tijd die alles schendt, en dat onze ziel voor eeuwig geborgen moet zijn, zal het niet op een grote rampzaligheid uitlopen. Ik héb toen wat beleefd! Het is gebeurd dat, als ik de koeien ging voeren, ik door de stal gekropen ben, ik zou je nog de plekjes kunnen aanwijzen.
Er liggen wat traantjes van me. En al zeg ik het zelf, het is nog maar bij ogenblikjes dat ik erbij leven mag, want het kan soms wel gebeuren, als de dominee het zo na aan je hart komt te leggen, dat ik bij mezelf denk: Aote, Aote, is het nou wel goed met je? Want het kan ver gaan met een mens. Je ziet het maar aan een koning Saul. Hij was' ook bij de profeten, maar het eind is toch maar geweest dat hij zó naar de hel ging."
Het was zeer stil geworden na deze woorden. Men was gewend zo'n getuigenis van Meutje-Aote te horen, maar altijd weer maakte het diepe indruk.
Men wist dat Meutje-Aote het zeer nauw nam en dat ze, al kon ze van wonderlijke bevindingen spreken waar het hele dorp jaloers van was, toch altijd maar weer tobde of het wel echt was. Maar juist deze zielsgestalte vond men in Middeldijk de zuiverste. Dat was immers het bewijs dat men het zwaar opnam. De twijfel was toch eigenlijk de hoogste trap des geloofs die men bereiken kon? Deswege luisterde men vol eerbied naar Meutje-Aote en werd zij beschouwd als een de grootsten onder het volkje.-
Voor uw gemak heb ik het Zeeuwse dialect maar overgezet in Nederlands.
Het loopt met Meute-Aoltje slecht af; ze maakt door ophanging een eind aan haar leven en dat veroorzaakt grote opwinding in het dorp. Wie had dat nou van zo'n ingeleid Godskind verwacht?
Voor vrouw Van Dijk worden het moeilijke dagen. Op die avond in het gezelschap heeft ze gezegd:
Als ik zie wat jullie hebben meegemaakt, dan zink ik weg, dan kom ik nog eeuwig om, het blijft alles maar zo dood als een pier daar binnen bij mij. Ik kan het wel opgeven, het helpt mij toch niets. Ik wou dat ik maar met Meutje-Aote mee kon reizen naar de eeuwigheid.
Vrouw Van Dijk tobt maar door. Ze had wel eens met de dominee over haar moeiten willen praten, maar ze durft niet. Ze ziet de grote eeuwigheid voor zich, ze ziet zich voor eeuwig verdoemd.
Ze weet dat ze die straf verdiend heeft door de erfschuld en door haar dadelijke zonden. Vroeger heeft ze wel eens, diep in een verborgen hoekje van haar hart, een klein hoopje gekoesterd dat God haar nog eens bekeren zou en daarom heeft ze de omgang met bekeerde mensen gezocht, maar nu durft ze nergens meer te komen. Al haar hoop is nog gevestigd op de preken van dominee Van 't Hof...
- Haar dorstende ziel was zondag aan zondag wijd geopend om als het mogelijk ware één klein woordje van hoop en troost te kunnen opvangen en weg te leggen voor de nieuwe week van angst en smart die haar wachtte. Maar nooit was er één woord dat ze zich durfde toeëigenen. Als dominee zich een enkel woord van genade, van verzoening en zonde-vergiffenis liet ontvallen, dan werden die terstond weer achtervolgd door de vurigste waarschuwingen niet van "gestolen goed te willen leven, want er moest toch immers kennelijk aan het hart des mensen iets gebeurd zijn, wil de ziel kunnen zeggen dat zij deel had aan de goddelijke toeknikjes.
die van de hoge hemel zo nu en dan naar deze aarde gezonden worden."-
Een andere roman van Rudolf van Reest heet: Schapen zonder herder.
Daaruit komt het volgende fragment. Het gaat over Maaike die ernstig ziek is:
Maar met het lichamelijke lijden had Maaike niet het meeste te kampen.
Haar zielenood was zo groot. Ze had aan die preek van die vreemde dominee veel gehad. Ze had de lokkende Heiland als het ware voor zich zien staan en het had in haar beangste ziel een ogenblik gejubeld, omdat ze meende dat dit voor haar was geweest.
Maar de ingeleide mensen hadden het haar wel beter verteld. Op de gezelschapsavond hadden de kinderen des hemels, het ware volkie, haar ernstig gewaarschuwd om zich toch geen hemel in te beelden, want zo gemakkelijk gaat dat niet! En als ze luistert naar hetgeen dat volkie vertelt van hun weggetje, dan begrijpt Maaike heel goed dat het nog niks met haar is. De oude dominee kon haar ook geen licht geven.
Zondag aan zondag vertelde hij trouw dat de mens van nature de verdoemenis deelachtig is, dat hij gered moet worden door de Zaligmaker, dat hij uit zichzelf onmachtig is en dat, wanneer God hem niet redt, hij voor eeuwig verdoemd zal worden... En nu dominee aan haar ziekbed kwam, werd het er niet beter op. Op alle angstige vragen die haar ziel ontvielen, kreeg ze het bescheid dat, als God behagen in haar schepte, Hij op zijn tijd wel zou komen... Maar hoe weet ik dat God in mij behagen scheppen wil? En als Hij eens geen genade voor mij heeft, wat dán, dominee?" En dan zat dominee met die benauwde vragen waarbij de angst uit haar grote ogen keek, deerlijk verlegen. En dan haalde hij zijn schouders op en zei dat ze maar geduldig moest afwachten en maar bidden, "want God is vrijmachtig in zijn genade."
En het volkie kon haar al evenmin helpen als de dominee. Aan haar ziekbed werd veel gezucht fin geklaagd en dan werd Maaike getroost met de woorden dat God het moet komen te geven, anders wordt het niks met de doemwaardige zondaar. Van nature is de mens onmachtig, een steen en een blok. En dan werden haar bij het vertrek hartelijke woorden toegevoegd als deze: "Mocht je nog maar eens een openingetje komen te krijgen aan die Middelaarstroon, opdat je ziel van het eeuwige verderf gered wierd; want meid, het zal toch wat te zeggen wezen, de weg zo goed geweten te hebben en dezelve niet te hebben bewandeld.
Er staat niet voor niemendal geschreven dat zij met dubbele slagen zullen geslagen worden. En daarom, meid, het beste ermee."
De neiging is sterk nog veel meer te citeren, maar ik moet een beetje aan de ruimte in Opbouw denken. Als uw interesse gewekt is, kunt u deze romans zelf eens ter hand nemen. U maakt dan kennis met een somber soort christendom, een christendom dat tot wanhoop voert, soms zelfs tot krankzinnigheid en zelfmoord. Dat er ook een ándere bevindelijkheid is, hoop ik een volgende keer te laten zien aan de hand van 'In zijn arm de lammeren' door C. Lambregtse.
Toch, terecht worden we wat huiverig als we horen dat nog steeds gepreekt wordt: een gelovige moet beslist zijn eigen Pniël kennen