Waar niets tegen valt te zeggen

1992-01-17
  • Jaargang 36
  • nummer 2
In een vorig artikel in Opbouw d.d. april 1991 heb ik de vraag gesteld of de betekenis van de bijzin in art. 4 N.G.B. inhoudt de belijdenis van de onfeilbaarheid van de Schrift.
Deze vraag was bij mij opgekomen, doordat in 1988 door Ds De Jong in een Opbouwvergadering gezegd werd, dat hij dit zinnetje niet meer voor zijn rekening kon nemen. Het kan bekend zijn, dat hij deze opmerking inmiddels teruggenomen heeft, maar dit feit neemt niet weg, dat de vraag naar de eigenlijke betekenis van deze woorden blijft bestaan.
Temeer omdat de kerk van Enschede-Noord aan de Landelijke Vergadering met klem had gevraagd om een volstrekte erkenning van het onfeilbare woord van God.
Dat Enschede-Noord inmiddels dit verzoek heeft teruggenomen en vervangen door een verzoek om niet relativerend te spreken over de belijdenis, verandert niets aan de ernst van de zaak. De leer van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift was kennelijk in het geding.


In mijn vorig artikel verdedigde ik de uitleg van dit bijzinnetje in art. 4 N.G.B. dat de canoniciteit van de 66 bijbelboeken daarmee werd onderstreept.
Dus als een toevoeging aan de voorgaande woorden, waarin gesproken wordt over de canonieke boeken.

Daarmee trachtte ik aan te geven, dat de N.G.B. niet spreekt van een leer der onfeilbaarheid van de Heilige Schrift, maar daarentegen wel belijdt de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Schrift in zaken van leer en leven.

In het Nederlands Dagblad van 20 april noemde de heer J.P. de Vries dit een merkwaardige uitleg en betoogde, dat er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen het gezag van de Schrift en haar onfeilbaarheid. Hij schreef over de (!) pijler onder de belijdenis van de volstrekte betrouwbaarheid (!) van de bijbelboeken als Gods geïnspireerde Woord en spreekt uit, dat de belijdenis van de onfeilbaarheid niet slechts rust op die paar woorden uit art. 4, maar zelfs het speciale onderwerp is van het volgende artikel.

Het is opvallend, dat de woorden onfeilbaarheid en betrouwbaarheid hier als synoniemen worden gebruikt, m.i, ten onrechte.

Ondergetekende heeft zich nog weer eens verdiept in de historie en gelezen, wat Prof. J.N. Bakhuizen van den Brink schreef in zijn boek: 'De Nederlandse Belijdenissen.' Dit boek heeft als ondertitel: 'in authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijkingen'.
Bakhuizen van den Brink heeft in zijn boek naast elkaar geplaatst:
- de Confessie van Parijs, 1559, wel genoemd de Confessio Gallicana
- De Confession des Pays-Bas, 1619, de authentiek verklaarde tekst van Dordrecht in de franse taal
- de Confessio Belgicana, een latijnse tekst, voorkomend in de acta van de Nationale Synode van Dordrecht, 1620, deze is nimmer authentiek verklaard.
- de Nederlandse Geloofsbelijdenis, eveneens authentiek verklaard door de Nationale Synode van Dordrecht, 1619.

De emeritus hoogleraar stelt in zijn boek, dat onze nederlandse geloofsbelijdenis met de franse geloofsbelijdenis van Parijs moet worden vergeleken en daarom nam hij deze als eerste op in zijn vierkolommendruk.

Tijdens mijn speurtocht naar de betekenis van de bijzin in art. 4 N.G.B. ontdekte ik enkele opvallende zaken.
Vergelijken we enkele teksten uit de belijdenissen dan lezen we: Het valt onmiddellijk op, dat in de Gallicana ontbreekt, wat in de beide andere teksten wel voorkomt, n.l. de bijzin bij canonieke boeken. Vanzelf komt dan de vraag op: wanneer zijn deze woorden van de bijzin in art. 4 in onze belijdenis opgenomen en met welk doel geschiedde dit. We mogen ervan uitgaan dat het Guido de Bres geweest is, die dit heeft gedaan. Hij heeft niet zonder meer de franse belijdenis van Parijs overgenomen. Maar wel heeft hij kennis genomen van een ontwerp belijdenis van Calvijn. Die had een kortere samenvatting van de belijdenis over de Schrift.
Bij hem was te lezen: "Derhalve houden we de boeken van de Heilige Schrift van het oude en nieuwe testament voor het geheel van de ene, van God gegeven, onfeilbare waarheid, waar tegen niets mag worden ingebracht (la verité infaillible, á l'aquelle il n'est licite de contredire)."
Calvijn stelt dus met nadruk, dat de onfeilbare waarheid geen tegenspraak duldt.
Hiermee hebben we impliciet ook ontdekt, waar het gebruik van het woord onfeilbaar vandaan komt.
Calvijn sprak van een onfeilbare waarheid.
In art. 7 N.G.B. komt het gebruik van het woord onfeilbaar terug, waar gesproken wordt van een onfeilbare regel des geloofs.
In de Gallicana begint art. 4 als volgt: Wij erkennen die boeken als canoniek en als een regel voor ons geloof. De N.G.B. heeft de volgende woorden: AI dese boeken alleen (!) ontvanghen wij voor heijligh ende Canonyck om ons gheloove na deselve te reguleren.
Nergens komen we een spreken van de Onfeilbare Schrift tegen. Deze bewering valt nog nader te bewijzen door te verwijzen naar de titel van de Confession de Foy, vervat in een boekje dat door toedoen van De Bres in Doornik over de muur van het kasteel werd geworpen met het doel, dat het boekje de landvoogdès Margaretha en dus ook PhilipsII zou bereiken.
Dit boekje heeft een nadere omschrijving, waarin te lezen valt, dat de gelovigen verlangen te leven naar de zuiverheid van het evangelie van onze Heer Jezus Christus.
Zo werd het ook omschreven in de eerste Nederlandse vertaling van 1562. Bijna 20 jaar later ziet een kerkelijke uitgave het licht, waar op het titelblad te lezen valt: "Belijdenisse des gheloofs der Kercke Jesu Christi in de Nederlanden na de suyverheit der Evangelii ghereformeert"
Deze uitgave werd verzorgd door Arent Cornelissen in 1583, predikant te Delft. Hoewel telkens weer gestreefd werd naar herdruk en/of herziening overeenkomstig de oorspronkelijke Franse teksten, blijkt het woordgebruik terug te keren.

Het is ook zinnig kennis te nemen van het spreken van Calvijn over de Schrift. In boek I kwam ik de volgende uitdrukkingen tegen: Handelend over de Schrift spreekt Calvijn van:
- haar sekerheijt, kracht, oudtheyt, authoriteyt en noodzakelijkheyt.
- zij steunt niet op d'authoriteyt van mensen
- haar eenvoudigheyt is van seer grote kracht
- zij is de enige regel van de volmaeckte wijsheyt
- in de Schrift hebben wij de onverwinlijcke waerheyt
- de zekerheyt en de geloofwaardigheyt van de Schrift is door de Heylighe Geest in 't hart gewrocht.

Ik heb nergens kunnen vinden dat Calvijn spreekt van een onfeilbare Schrift. Ook niet bij De Bres. In de 'Stok des Geloofs' lezen we hoe hij spreekt over de Schrift: Dat de Heiige Schrift zuiver is, volkomen en getrouw.. etc.
Dit alles in overeenstemming rnet ' Psalm 12:7: De redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.' Het zijn de Canonieke boeken waarin de Schrift is vervat. Die alleen dienen om ons leven te reguleren. Daar zal men niets aan mogen toevoegen, evenmin zal men er iets op mogen afdingen.
In art. 4 N.G.B. belijdt de kerk welke boeken zij als canoniek erkent en in art. 5 belijdt ze, waardoor deze boeken als Gods Woord worden erkend. De woorden: daer niet teghen te segghen valt vinden we in art. 4 Daarmee wordt dan toch aangegeven wat het woord canoniek inhoudt en tegelijk dat slechts deze boeken gehanteerd mogen worden om leerstellingen te funderen. Het was ook hard nodig, omdat de kerk eeuwen lang ook apocriefe boeken in de bijbel opnam en er gezag aan toekende.
Met moeite heeft men afstand kunnen nemen van de apocriefe boeken, er werd nog wel gepreekt uit de apocriefe boeken, maar men was niet onduidelijk over de vraag welke boeken wel en welke niet van goddelijke oorsprong waren.
Zowel in de Franse als in de Nederlandse tekst werd uiting gegeven aan deze overtuiging door in een bijzin te onderstrepen dat aan de canoniciteit van genoemde boeken niet mocht worden getwijfeld.
Hoezeer het ging om de vraag welke boeken wel en welke niet tot de canonieke moesten worden gerekend, moge blijken uit het feit, dat de Nationale Synode van Dordrecht expliciet de namen van de bijbelboeken opnam.
Bij de revisie van de belijdenis ging zij uit van de tekst van het z.g. Waalse manuscript. Dit Waalse manuscript was in 1580 vervaardigd, op perkament geschreven en ondertekend door de predikanten.
Het is in bezit van de Waalse bibliotheek te Amsterdam en bevat de tekst van de Confession de Foy van het jaar 1566, vastgesteld door de synode van Antwerpen en in gebruik bij de Frans sprekende kerken in de Zuidelijke Nederlanden.
Eén van de ondertekenaars was Taffin, hofprediker van Willem van Oranje, van wie de mededeling afkomstig is, dat de Confessie is opgesteld door Guido de Bres Zeker waren er Nederlandse teksten in omloop, zoals blijkt uit een uitspraak van de Synode van Dordrecht (1574): Men sal de Nederlandsche Belijdinghe des Gheloofs om seeckeren oorsaecken laten zoals zij is en wachten tot een generale synode bijeenkomt".
Deze generale synode kon eerst bijeenkomen in 1618/1619, omdat politieke verwikkelingen het bijeenroepen vertraagden.
De roemruchte, generale Synode heeft opdracht gegeven de belijdenis te herzien en een verbeterde tekst te produceren, zowel in de Nederlandse, de Franse en de Latijnse taal. De synode gaf aan de herzieningscommissie als leidraad mee de Confessie uit het Waalse manuscript, dat in 1583 door Arent Cornelissen te Delft was vertaald in het Nederlands.
De commissie begon met haar werk, nadat zowel de franse en de nederlandse versie waren voorgelezen in het bijzijn van de buitenlandse afgevaardigden.
Echter werden de art. 30, 31 en 32 van de N.G.B. overgeslagen, omdat de Engelse afgevaardigden ernstige kritiek hadden op de inhoud van deze artikelen, die handelen over de regering der kerk. Zij waren voorstanders van het episcopale stelsel.
Nadat de afgevaardigden allen hadden verklaard te kunnen instemmen met de inhoud van de artikelen, toog de herzieningscommissie aan het werk om de tekst te herzien.
Prof. H.H. Kuyper heeft in zijn boek De Post-Acta of Handelingen van de Nationale Synode van Dordrecht precies aangegeven welke wijzigingen in de tekst van 1566 zijn aangebracht, zowel in de Franse als in de Nederlandse versie. Het totaal van de wijzigingen omvat in Kuypers boek meer dan 30 bladzijden. Eén van de voor ons onderwerp belangrijke wijzigingen hield in, dat de namen van de Bijbelboeken met name werden genoemd (In de Nederlandse tekst vergat men per abuis het boek Habakuk).

In dit relaas van wijzigingen is niets te vinden over de woorden: Daer niet tegen te segghen valt. Daarmee is vastgesteld, dat deze zinsnede reeds voorkwam in de editie van 1566 en dus van De Bres afkomstig moet zijn, gelet op de mededeling van Taffin, die immers vertelde, dat Guido de Bres de opsteller was van de Confessie.
Een opmerking van Kuyper, dat de editie van 1566 reeds een geduchte revisie betekende van de oorspronkelijke Franse belijdenis, zal wel slaan op het feit, dat de N.G.B. uitgebreider sprak in haar belijden over de Schrift dan de Franse.
We kunnen gissen naar de bedoelingen van De Bres, toen hij afweek van de Confessio Gallicana, zelfs tegen het advies van Calvijn in.
Heeft De Bres gedacht aan een 'leer der onfeilbaarheid'?
Is het werkelijk merkwaardig te noemen, als we daarbij vooral denken aan de strijd van De Bres met de Roomsen en met de Wederdopers. Met de Roomsen over twee zaken: ten eerste over de vraag welke boeken canoniek waren en welke niet en ten tweede over de vraag of het gezag van de Schrift rustte op het getuigenis van de Heilige Geest, dan wel op een uitspraak van een concilie of een synode.
De strijd tegen de Wederdopers ging over de canoniciteit van het Oude Testament.

Blijft de vraag of canoniciteit identiek is aan onfeilbaarheid. In aansluiting bij de taal van de Schrift en bij het woordgebruik van de vaders van de N.G.B., De Bres en Calvijn, komt het mij voor, dat we schriftuurlijker over het gezag van de Schrift spreken, als we het gebruik van het woord onfeilbaar beperken tot het gebruik in art. 7 N.G.B., waar sprake is van een onfeilbare regel des geloofs. We omzeilen dan de inmiddels opgekomen gedachte, dat onfeilbaar ook inhoudt, dat geen enkele vergissing in de datering van gebeurtenissen of de vermelding van gegevens zou kunnen hebben plaatsgevonden.
Het gaat dan in de woorden van art. 7 om de belijdenis dat slechts canonieke boeken ons kunnen en mogen leiden in alle vragen van leer of leven. Die canonieke boeken erkennen wij als volkomen betrouwbaar, omdat we geloven, dat die boeken en ook die alleen door de Heilige Geest ingegeven zijn.

Noot:
Na het gereed komen van mijn artikel kwam ik een publikatie in Bijbel en Wetenschap tegen, het Tijdschrift van de Evangelische Hogeschool.
Deze publikatie bevatte een interview met Prof. Dr. A. Troost, leerling van Prof. Dooyeweerd, aan wie een speciaal nummer van dit orgaan gewijd is.
In het verslag van het interview las ik de volgende passage:

Schriftkritiek waarbij het gaat om een ongelovige verwerping van Gods Woord vindt hij verwerpelijk... Maar een theorie van de onfeilbaarheid der Schrift vind ik passen in het kader van de moderne natuurwetenschappen.
Het is een voorbeeld van een typisch rationalistische denkhouding...

Gallicana
1559
Art.4
..livres canoniques du viel et nouveau Testament, desquels le nombre ’s ensuit.
(canonieke boeken van het oude en nieuwe Testament, waarvan het aantal is als volgt)

Franse tekst N.G.B
1619
..Livres Canoniques, ausquels il n'y a que repliquer.
Le nombre est...
(canonieke boeken, tegen welke er niets in te brengen valt)
Het aantal is...

Nederlandse tekst N.G.B.
1619
Canonijcke boeken, daer niet teghen valt te segghen.
Deze worden aldus ghetelt…

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief