Een ieder blijve bij de roeping waarin hij was toen hij geroepen werd
1992-01-31
Sinds ik in september van het vorige jaar mijn artikel schreef naar aanleiding van de voorgenomen overgang van ds A. den Boer naar het christelijke gereformeerde kerkverband zijn er enige reakties op mijn uitlatingen in de pers verschenen. Ook persoonlijk heb ik er post over gekregen. Laatstelijk schreef ds. Joh. Schaeffer erover in ons blad.- Jaargang 36
- nummer 3
Zo het geheel overziende heb ik wel behoefte om er nog eens op terug te komen. Ik hoop dat ik er de zaak niet erger mee maak, want ik heb wel. begrepen dat het bij sommigen allemaal zeer gevoelig ligt en met mijn 'geamuseerde irritatie' van de vorige maal voel ik me hier en daar niet goed overgekomen.
Tegemoetkoming
Laat ik beginnen met een paar punten waarop ik mijn geachte lezers meen enigszins tegemoet te kunnen komen.
Ik had geschreven over het eenheidsgeschetter dat we op elkaars landelijke vergadering of synode van tijd tot tijd ten gehore brengen en dat om zijn leugenachtigheid een gruwel voor God wordt wanneer we daar na een overgang als deze gewoon mee doorgaan.
"Wat een forse taal! Dat zijn we helemaal niet van u gewend!" Klopt, maar ik probeerde me dan ook de taal eigen te maken van degenen die het streven naar kerkelijke eenheid als een goddelijk gebod voorstellen en daarbij de krachtige termen bepaald niet schuwen.
Ik vond dat ze maar eens aan eigen lijf moesten merken hoe dat voelt. Eigenlijk wilde ik dus langs homoeopathische weg van deze overdreven taalvoering in onze kerkelijke diskussies afkomen. Het is toch zonneklaar dat we in ons woordgebruik op dit punt wat bescheidener moeten worden? "Gescheiden voortbestaan van onze kerken is een gruwel voor God", - op wie maakt zo'n gezwollen zin nog indruk als die al vijftig jaar gehoord wordt? Meende men dit echt dan waren we toch verder met de eenheid?
Maar goed, akkoord!, ik neem die termen terug, niet eens op de bikkelharde voorwaarde maar slechts in de schuchtere hoop dat het voortaan met onze woorden de nuchtere kant op zal gaan.
Ik had ook gezegd dat fusie (eenwording) en proselytisme (individuele overgangen) zich met elkaar, in de onderlinge verhouding tussen kerken, niet goed verdragen. Met die gedachte ben ik het nog voor de volle honderd procent eens maar mijn woordgebruik was op dit punt toch niet vlekkeloos.
Want terecht schreef een Christelijke Gereformeerde broeder mij dat hij in zijn kerk nog nooit iets van zendingsijver t.o.v. Nederlands Gereformeerde broeders en zusters had gemerkt. Zo is het! En het omgekeerde geldt even sterk. Had ik het woord 'proselytisme' maar in het woordenboek opgezocht.
Dan zou ik gevonden hebben dat daar inderdaad een (ziekelijke) bekeringsijver mee bedoeld wordt. Ik zou het dan zeker als onbruikbaar terzijde hebben moeten leggen. Ik ging echter uit van de letterlijke vertaling van dit woord uit het Grieks (het 'tot je overkomen') en dacht aan het verschijnsel van de spontane overgang van de ene naar de andere kerk. In die betekenis paste de term wél in mijn verhaal. Verkeerd woord dus, sorry. Het is één van de weinige keren dat mijn klassieke vorming mij bij mijn persarbeid in de weg heeft gestaan.
Waar verschillende mensen aan beide kanten van de kerkelijke streep het meest over gevallen zijn is het feit dat ik bij mijn wat uitvoerige opmerking over de christelijke gereformeerde prediking ook de opleiding in Apeldoorn ter sprake heb gebracht omdat de studenten daar in de door mij gekritiseerde richting zouden worden gedreven.
Kort gezegd kwam die kritiek van mij hierop neer dat de preektekst bij de christelijke gereformeerden teveel volgens een eenheidsrecept behandeld en te weinig in zijn eigenheid gerespekteerd wordt. Ik moet trouwens zeggen dat ik precies op dit punt ook veel weerklank gekregen heb, óók van beide kanten van de streep. Maar dat komt natuurlijk niet in de krant. Wel, het is duidelijk dat je met zo'n opmerking over Apeldoorn gevoeligheden raakt omdat iedereen onmiddellijk gaat denken aan personen die daar voor de opleiding in de predikkunde verantwoordelijk zijn. En aan één persoon in het bijzonder.
Terwijl toch van de andere kant juist die personen, die ene bepaald niet uitgezonderd, meer dan anderen in die kerken tot onze geestverwanten behoren.
Vervreemd ik op deze wijze niet ook hen nog van ons zodat de eenwording van onze kerken nog verder onder de horizont wegzakt? Nu, als vertegenwoordigers van de zware preekrichting die bij ons op weinig waardering stuit, moet ik inderdaad niet op de eerste plaats de Apeldoornse hoogleraren noemen. Anderen gaan dan echt voor. Maar ze ongenoemd laten is ook niet eerlijk. Uiteindelijk kiezen ze daar in Apeldoorn voor hun zware broeders meer dan voor ons en zullen zij altijd trachten aan hun wensen zover mogelijk tegemoet te komen. Daar heb ik in de twintig jaar dat ik ook in Apeldoorn studerenden heb begeleid voldoende signalen van opgevangen. Neem ik dat de Apeldoornse staf kwalijk? Welnee, waarom zou ik? Ze zijn toch ook christelijk gereformeerd? Waarom zou ik iemand met een zuur gezicht aankijken als hij alleen maar wil zijn wat hij metterdaad ook is? Dat siert hem toch?
Ik wil alleen maar zeggen dat je je niet moet vergissen in het 'ons na staan' van de Apeldoorners. Uiteindelijk is het hemd hun nader dan de rok. Zij vormen met de anderen één geheel.
Koehandel
Laat ik hier met een wat algemener opmerking bij aansluiten. Wat mij bij onderhandelingen tussen kerken tegenstaat is dat er een koehandel ontstaat over bepaalde groepen in de afzonderlijke kerken. "Ja, met jullie zouden we het wel kunnen vinden maar van die daar verder bij jullie zijn moeten wij niets hebben". Mensen denken dat ze op die manier aan kerkelijke eenheid werken, maar in werkelijkheid organiseren ze alleen maar een kerkelijke herverkaveling, een herschikking van de stukken op het bord. Wat schieten we daarmee op? In mijn artikelen over de vrijgemaakten heb ik dat ook bij herhaling naar voren gebracht. Die willen ook als maar eenheid met Nederlands Gereformeerden, maar dit is het fraais dat er steeds aan voorafgaat: "geef mij eerst op een schotel het hoofd van...". Heb je eigenlijk wel respekt voor de kerkengroep als geheel waarmee je onderhandelt, als het je toch maar om een deel gaat?, vraag ik me af. Ds Schaeffer schrijft in het vorige nummer van ons blad: "Wat wet keer op keer blijkt is dat men bij onze Christ. Geref. broeders worstelt met de werkelijkheid dat een deel van hen wel met ons verder wil en een ander deel dat inderdaad niet wil". Als hij gelijk heeft betekent dat toch dat we onze inspanningen om tot eenheid te komen fatsoenshalve moeten staken? Dat lijkt mij tenminste beter dan er de konstatering op te bouwen en er de konklusie uit te trekken dat iemand als ds Den Boer niet is overgegaan naar dé Christelijke Gereformeerde Kerken maar slechts naar een déél ervan, zoals Schaeffer verder gaat. Want dat onderscheid kan hij juist bij die kerken niet zo goed waarmaken, er,igszins centralistisch georganiseerd als ze zijn.
Schaeffer meent trouwens niet in alle ernst wat hij zegt, althans hij gaat op dat spoor niet verder, want nog even verder schrijft hij: "En juist met het oog op de interne problematiek van de Christ. Geref. kerken zou de federatiegedachte... een zeker perspektief kunnen openen". Nu, kijk eens aan, hier vinden we elkaar weer helemaal, want hieruit blijkt dat ook ds Schaeffer voor de eenheid van de Christelijke gereformeerden (hoe wankel dan ook) opzij gaat. Ik neem tenminste aan dat hij met zo'n federatie niet zoveel anders bedoelt dan wat ik eerder met 'vriendschappelijke betrekkingen' heb aangeduid. (Al vind ik 'federatie' in dit verband een nogal onduidelijk woord.) Meer zit er inderdaad niet in. En ik blameer daarvoor de Christelijke Gereformeerden niet. Als ik zelf christelijk gereformeerd was zou vrede in eigen huis bij mij ook de prioriteit hebben boven samenwonen met de buren. Maar ik zou dat geloof ik wel duidelijker zeggen.
Praktisch pluriform
Ik denk dat kerken de uitdaging om allereerst de inwendige vrede te behartigen moeten aangaan. Als het werkelijk waar is wat ds Van den Brink een keer heeft geschreven, dat namelijk het schisma liegt, dan moeten wij niet proberen om door nieuwe schisma's die leugen uit de wereld te helpen.
(Want zoals we nu bezig zijn levert elke vereniging één of twee nieuwe scheuringen op.) Dat zal niet lukken, dat is ook niet radikaal genoeg.
Het schisma liegt inderdaad, ook in die zin dat het maar even duurt of binnen een nieuw ontstane eenheid tekenen zich dezelfde moeilijkheden af als waarom men eerst anderen heeft losgelaten. Nu, dit zo zijnde, laat men dan toch vooral de eendracht in eigen midden bevorderen. Dat is voor ons allemaal in ons kerkelijk drie-stromenland moeilijk genoeg. (Het is trouwens voor ons alle drie ook een noodzakelijke scholing in tolerantie!) En laten we dan tegelijk een ieder z'n best doen om met de buren een zo goed mogelijke verhouding op te bouwen.
Het is de tijd niet om te verenigen. Dat is in de afgelopen vijftig jaar duidelijk gebleken. Professor Van 't Spijker vindt mij vanwege dit standpunt een aanhanger van de pluriformiteitstheorie.
Een beetje geestelijker dan Kuyper destijds, dat wel, maar toch. Ik moet evenwel zeggen dat ik mezelf niet zo theoretisch voorkom op dit punt. Veeleer praktisch. Maar inderdaad, een praktisch uitgaan van de pluriforme werkelijkheid van onze drie .kerken, ja, dat vind je wel bij mij.
Daardoor kan ik enerzijds iemand die na serieus beraad aan christelijk gereformeerd boven nederlands gereformeerd de voorkeur geeft een christelijk uitgeleide doen en tegelijk zeggen dat zo'n overgang illustreert dat we als kerken niet verenigingsrijp zijn.
Men heeft tussen het een en het ander spanning gevoeld bij mij. Zo schrijft professor Van 't Spijker in De Wekker van 4 oktober 1991: "Enerzijds: moge de Here je zegenen in de bediening ginds! En dan vervolgens: en als ze hem aannemen, dan is het helemaal uit. De vloek van God rust erop. Wat voor een wonderlijk kerkbegrip, wat voor individualistische opvatting zit daarachter?" Maar ik kan alleen maar klagen: wat voor een wonderlijke weergave van mijn standpunt is dit.
Want dat het nu maar 'helemaal uit' moet zijn tussen de christelijke en de nederlands gereformeerden, dat heeft niemand bij mij kunnen lezen. Ik heb juist voor en na voor goede verhoudingen gepleit. Maar meer zit er inderdaad niet in. Want de zin uit mijn artikel: "Door zo'n daad van overgang te stellen en die ook te aksepteren beklemtoont men niet de eenheid maar de tweeheid van onze kerken' staat ondanks alle bestrijding nog recht overeind.
De gefuseerde kerken
En de gemeentes dan waar het al tot fusie gekomen is? Nu, rustig doorgaan!
Er bestaat daar toch een goede geestelijke eenheid? Wie zou die uiteen durven breken? Kerkverbandelijk levert het moeilijkheden op, dat is waar. Aan christelijk gereformeerde zijde meer trouwens dan aan onze kant, is mijn indruk. Dat komt natuurlijk doordat bij ons de plaatselijke kerk meer zelfstandigheid heeft dan bij hen.
Zij vormen een echt kerkverband met (in onze ogen) centralistische trekjes, terwijl wij meer los-federatief aan elkaar vast zitten. Bij ons is het bijvoorbeeld mogelijk dat de ene kerk zusters in het (diaken)ambt stelt en de andere daar niet over piekert. En - wat kerkverbandelijk veel verder gaat!dat de ene kerk dus fuseert met een kerk uit een ander bevriend kerkverband en de andere daar absoluut niet aan toe is. Dat alles is mogelijk krachtens het beginsel dat 'het welzijn van de gemeente'· (art. 34 AKS) in het kerkelijke beleid voorop behoort te staan.
(Heeft iemand daar wel eens over nagedacht dat als hij protesteert tegen het feit dat een gemeente er na rijp beraad en behoorlijke kennisgeving toe overgaat een zuster in het (diaken)-ambt te stellen - 'dat doet maar!' - hij nog eerder tegen het verschijnsel van gefuseerde gemeentes in ons midden van leer zou moeten trekken? Het AKS maakt beide even mogelijk maar het laatste is kerkverbandelijk toch ingrijpender dan het eerste.) Nee, als ik zeg dat wij kerkelijke eenwording met de christelijke gereformeerden beter uit ons hoofd kunnnen zetten en dat we niet verder komen dan vriendschappelijke betrekkingen dan zie ik niet in dat ik daarmee gefuseerde kerken in moeilijkheden zou brengen. Je hebt dan te maken met zoiets als een onafgemaakt kunstwerk, een torso, misschien wachtend op latere voltooiing, maar ook zodanig zeker niet onbestaanbaar.
Over-ernst
Uitstel hoeft immers geen algeheel afstel te zijn. Alleen blijkt - en dat is niet alleen onze ervaring, denk aan 'Samen Op Weg' - dat we over fusie telkens weer veel te optimistisch denken.
Dat komt wel omdat we te enkel met theologische faktoren rekenen die kerken uit elkaar houden. Kunnen we het in leer en kerkorde samen vinden dan staat niets aan de eenwording in de weg, menen wij. Maar als dan de theologische hobbels uit de weg geruimd zijn of zo subtiel blijken dat ze geen naam mogen hebben dan blijven er nog zoveel niet-theologische faktoren over. Van die moeilijk te benoemen dingen waarover je je eigenlijk moet schamen dat ze een rol spelen.
En die dat niettemin toch doen. En omdat men er niet goed mee voor de dag durft te komen verbergt men ze achter vermeende principiële verschillen die telkens weer uit de kast gehaaid en opgepoetst worden. Nu, je voelt dan gewoon dat de tijd er niet rijp voor is en daar moet je dan voorlopig maar voor uit de weg gaan. Dat is beter dan elke ontwikkeling in eigen midden af te knellen met het argument 'wat zullen de kerken met wie we in een verregaande staat van eenwording verkeren daar wel niet van zeggen?', het voortdurend rekening houden dus met de ander, waar dan uiteindelijk toch niets tegenover komt te staan. Wanneer die fusie maar steeds op handen blijft heb je er alleen maar de lasten en niet eens de lusten van.
Dat is armzalig. En daarom geldt voorlopig het parool: "ieder blijve in de roeping waarin hij was toen hij geroepen werd" (I Korintiërs 7:20). Zijt ge samen met de christelijke gereformeerden in een gefuseerde gemeente geroepen, maak er des te meer gebruik van. Maar is iemand als alleen maar christelijke gereformeerde of nederlands gereformeerde geroepen, - hij verhelpe het niet (!). Het lijkt willekeurig om Paulus' relativerende woorden uit heel de geciteerde passage op onze kerkelijke problematiek toe te passen maar het vertolkt toch precies mijn gedachte. Ik vind namelijk de verschillen tussen de drie kleine reformatorische kerken meer sociologisch en karakterologisch van aard, vergelijkbaar met het onderscheid tussen slaven en vrijen, besnedenen en niet-besnedenen van Paulus' dagen. Paulus wist ook wel dat het evengelie eenmaal die verschillen weg zou vagen maar hij had er geduld mee, het kon wachten. En dat is in ons geval niet anders. Niemand kan geloof ik in ernst beweren dat de verschillen en de verschillendheid van de drie kerken Gods naam tot een aanfluiting maken. Dat is even weinig het geval als bij het gescheiden (en toch bevriend) optrekken van Walen en Hervormden.
We moeten daarom echt tot een meer ontspannen aanpak komen van het feit dat we elkaar in het organisatorische nog steeds niet hebben kunnen vinden. Plaag er elkaar eens goedmoedig mee. Geef er van tijd tot tijd elkaar de schuld van. Prijs daarnaast ook eens elkaars wijsheid dat we het zo ver nog niet hebben laten komen. Meet de ene keer de verschillen eens breed uit en bagatelliseer ze een andere maal. Kortom, haal het geval weg uit de sfeer van de overernst.
Dat is inderdaad beter dan het als een gruwel voor God voor te stellen.