Jesaja

1992-01-31
  • Jaargang 36
  • nummer 3
Voor mij liggen twee boekjes die eender ogen: Jesaja 1-12 (Oordeel en bevrijding) en Jesaja 13-35 (Boven alle machten uit), beide van de hand van ds. M.R. van den Berg. Voor deze boekjes van 114 en 168 pagina's vraagt de uitgever (Buijten & Schipperheijn) f 15,90 en f 19,90. Het omslagontwerp is van 'Reinier' (die zakelijk zonder familienaam door het leven gaat). Er is maar weinig bijbelkennis voor nodig om in de tekening in kleurpotlood de weer uitgelopen tronk van Isaï (Jes.11, 1) te herkennen. Of de kleurstelling van de groot gedrukte naam JESAJA (de eerste drie letters rood, de laatste drie groen) een diepere betekenis heeft, is voor mij nog een open vraag.
Bij gebrek aan een voorwoord kan de lezer slechts raden hoe de boekjes zijn ontstaan en met welke bedoeling ze zijn uitgegeven. Ik houd het op e'en serie preken, in druk gegeven als hulp bij persoonlijke en gezamenlijke bijbelstudie.
De tijd waarin de preken zijn uitgesproken laat zich slechts globaal afleiden uit zinsneden als 'het oostenrijkse wijnschandaal' (1/27) en 'de voormalige president Reagan' (2/48).
De boekjes laten zich, zoals we van de schrijver gewend zijn, vlot lezen. De duidelijke letter draagt daaraan ook het nodige bij. Helaas zijn de boekjes niet zonder drukfouten. Storend, vanwege de verwisseling van de naam 'HERE' (vgl. Exod. 3,14) en de titel 'Here', is de schrijfwijze 'HERE Jezus' (2/160,162). Hier en daar is ook de taal niet vlekkeloos. Je krijgt de indruk dat de tijd voor de afwerking wat krap bemeten is geweest.
Naar mijn idee geldt dat ook voor de inhoud van de beide boekjes: veel waardevolle bouwstenen, maar ze liggen wat (te) los verspreid. Afzonderlijke verzen worden soms fraai belicht, maar verbanden en grotere lijnen blijven in de schaduw.
De boekjes zijn hun geld wel waard.
De uitgever zag er kennelijk ook brood in, terwijl die al een uitleg van Jesaja door ds. C. Vonk (De voorzeide leer IHa) in zijn fonds had. Vonk schrijft evenwichtiger; van den Berg kleurrijker.
Bij van den Berg wisselen sterkere en zwakkere alinea's elkaar af, maar je vindt bij hem zo ook juweeltjes die je bij Vonk weer tevergeefs zoekt. Het boek van Vonk oogt met de effen blauwe linnen band zwaarder, al kan schijn bedriegen: Vonk behandelt in 300 bladzijden 66 hoofdstukken tegen van den Berg een bloemlezing uit 35 hoofdstukken in ruim 280 bladzijden.
Wie het bekostigen kan (Buijten en Schippe heijn biedt het boek van Vonk alleen in oktober a.s. met korting aan voor f 45,70) raad ik aan beide schrijvers naast elkaar te lezen.
Om terug te keren tot de boekjes van van den Berg: het geheel maakt toch teveel de indruk dat er slechts een nietje door een stapel preken geslagen is. Dat de slordigheden naar het eind toe schaarser worden en de hooqtepunten talrijker, ligt voor de hand bij een serie preken die in de loop van maanden ontstaat: je ziet de predikheer in het gekozen bijbelboek groeien. Het is alleen jammer dat de schrijver niet de tijd en de moeite genomen lijkt te hebben nog eens van voren af aan te beginnen, zwakkere passages schrappend of vervangend en gaandeweg ontdekte thema's en lijnen scherper tekenend. Het vele goede dat er nu al is zou daar alleen maar bij gewonnen hebben. Het is echt spijtig dat met zo'n extra inspanning in hetzelfde bestek nog aanzienlijk meer geboden had kunnen worden. Dat dat inderdaad in hetzelfde bestek moet kunnen bewijzen andere deeltjes uit dezelfde reeks Zicht op de Bijbel (ik denk bijvoorbeeld aan de Lucastrilogie van ds. J.H. Veefkind).
Misschien is het beter nog om te zeggen dat de schrijver de benodigde tijd voor de afwerking niet heeft gekregen.
Zouden kerkeraden niet eens kunnen overwegen hun predikant een kort studieverlof te verlenen voor uitgaven waarmee een bredere kring dan de eigen. gemeente gediend wil zijn?

Ik wil nu een poging doen het hierboven gevelde oordeel nog wat nader toe te lichten. In plaats van met hoofdstuk 1 begint vdB met hoofdstuk 6, bekend als het roepingsvisioen van Jesaja. Aan de vraag waarom het profetenboek zelf dit niet doet, gaat hij stilzwijgend voorbij. Niettemin worden in hoofdstuk 6 allerlei motieven ontvouwd die regelmatig in het boek zullen terugkeren:
- het motief van de heerlijkheid van de HEER (6,3; vgl. 3,8): aanvankelijk krijgt zelfs de profeet deze nauwelijks te zien (6,3), later de oudsten (24,23) en uiteindelijk heel het nieuwe volk (33,21; 35,2): de goddeloze is er onontvankelijk voor (26,10)
- het motief van de HEER als koning (6,5; vgl. 6,1; 33,5.22): ook deze waarneming van de profeet (6,5) wordt in twee fasen 'gedemocratiseerd' (24,23; 33,17)
- het motief van de verblinding (6,9-10; vgl. 1,3; 5,12; 26,10; 27,11; 28,12; 29,9-12; 30,9-10), die uiteindelijk wordt opgeheven (29,18.24; 32,3-4; 35,5)
- het motief van de woestijn (6,11-12; vgl. 1,7; 17,9; 22,4-5; 24,1.12; 27,10), die tenslotte verdwijnt (32,15-16; 35,1.6)
- het motief van de gevelde boom (6,13; vgl. 10,33; 11,1)
Zeker na het naar voren halen van hoofdstuk 6 had meer aandacht voor de terugkeer van dergelijke motieven in latere hoofdstukken verwacht mogen worden. Zo merkt vdB wel op dat de naam 'Heilige Israëls' (1,4 e.a.) nieuw is in het boek Jesaja (2/130), maar brengt hij deze naam niet in verband met het driemaal 'heilig' van de serafs (6,3; zie ook 8,13 en 29,23).
Bij de bespreking van dit zesde hoofdstuk mis ik de notie melaatsheid, die de naam Uzzia aankleeft (6,1 vgl. 2 Kron. 26,16-21) en die de profeet mee lijkt te willen dragen met het tweemaal roepen van het woord 'onrein' (6,5 vgl. Lev.13,45). Ook de zeer pijnlijke herinnering aan de verharding van Farao die meeklinkt in de woorden waarmee Jesaja op pad gestuurd wordt (6,9-10 vgl. Exod. 4,21 e.a.).
Terwijl opschriften de lezer vaak een belangrijke sleutel tot een bijbelboek in handen spelen, gaat vdB geheel voorbij aan het openingsvers van Jesaja.
In dit vers (1,1) wordt niet alleen heel het boek bestempeld als een gezicht (waarvoor kennelijk niet ieders ogen ontvankelijk zijn), maar heet Jesaja ook de zoon van Amoz. Ik vraaç- mij dan af of hier niet de profeet Amos als de geestelijke vader (vgl. 2 Kon.2,12; 13,14) van Jesaja neergezet wordt (variaties in spelling van dezelfde naam komen meer voor in het Oude Testament). In ieder geval keert het thema van de 'dag van de HEER' uit de profetie van Amos (5,18-20) bij Jesjaja terug (2,12; 13,6.9; vgl. 10,3; 13,13; 34,8). Het 'gezicht' van Jesaja (1,1) houdt nauw verband met die 'dag' (vgl. 22,5). Ook het motief van de aardbeving uit de profetie van Amos (1,1; 9,5) duikt weer op bij Jesaja (5,25; 13,13; 24,18-20).
Een voorbeeld van onnodige breedsprakigheid: ik vraag mij af of het zo sprekende beeld van zwaarden die tot ploegscharen worden omgesmeed (2,4) niet aan kracht inboet door een bladzijde vol zinnen als 'En alle ondergrondse bunkers en commandocentraies zijn veranderd in champignon-kwekerijen' (1/32-33).
De aan hoofdstuk 2 gewijde bladzijden vind ik trouwens de meest teleurstellende van beide boekjes. Aandacht voor een nieuw opschrift (2,1), een term als 'het laatste der dagen' (2,2) en een notie als 'wandelen in het licht' (2,5) ontbreekt. Dat de droom van Jesaja niet via de Verenigde Naties, maar langs Jezus als de enige weg (vgl. Joh.14,6) werkelijkheid wordt (1/ 39) klinkt mij net wat te gemakkelijk; het doortrekken van lijnen naar het Nieuwe Testament en onze eeuw vereist grote zorgvuldigheid. Ik zie het beeld van de volken die zich in Jeruzalem verzamelen (2,2-3; zie ook 18,7) eerder oplichten in de beschrijving van wat zich op de pinksterdag voltrekt (Hand. 2,5-6).
Maar vooral: volgens vdB (1/38-39) stelt hoofdstuk 2 ons voor een keuze tussen twee toekomstbeelden (2,2-5 en 2,6-22), terwijl het hoofdstuk daartoe geen enkele aanleiding geeft. Je krijgt eerder de indruk dat dat 'laatste der dagen' (2,2) gestalte krijgt in de weg van die 'dag van de HEER' (2,12). De verhevenheid van de berg (2,2) zal toch nauw in verband staan met de verhevenheid van de HEER (2,17). En de woorden waarmee het huis van Jakob zichzelf aanspoort (2,5) klinken als een echo vooruit van de woorden waarmee de volken elkaar zullen aansporen (2,3).
Een enkele keer treft een slordigheid die een correctieronde niet had rnoqen overleven: in 5,10 gaat het niet over kelderende aandelen (1/51), maar over misoogsten.
Wat betreft de altijd weer intrigerende oproep 'omwikkelen de vermaning, verzegelen de onderwijzing!' (8,16) vraag ik mij af of hoofdstuk 29 daarop geen licht werpt. Daar duikt het verzegelde boek (29,11) op als beeld van zoiets als geestelijk analfabetisme (29,9-12) dat 'het gezicht' (heel de profetie van Jesaja; 29,11 vgl. 1,1) ontoegankelijk maakt. De woorden uit hoofdstuk 8 kunnen dan opgevat worden als beeldtaal waarmee de profeet zijn roeping publiek aanvaardt (8,16 vgl. 6,9-10), vdB laat ook de vraag liggen of in hoofdstuk 12 met het aanhalen van enkele regels niet hele psalmen (118; 105) aangewezen worden die 'te dien dage' zullen worden aangeheven (12,2 vgl. Ps. 118,14; 12.4 vgl. Ps.105,1). Zoals in het lied van Mozes (Exod. 15,1-18) de uittocht uit Egypte bezongen wordt, zo wordt in Jesaja 12 een nieuwe uittocht uit de landen van de ballingschap bezongen (vgl. 11,11-12).
In talloze zinsneden uit het boek Jesaja hoor ik trouwens zinspelingen' op Israëls verleden van uittocht, woestijn en intocht en vdB wijst er daarvan te weinig aan. Er valt op deze plaats ook geen beginnen aan.
Terecht noemt vdB de hoofdstukken 24-27, wel de apocalypse van Jesaja genoemd, een afsluiting en toespitsing van de volkerenprofetieën in de hoofdstukken 13-23 (2/54). Net iets te gemakkelijk spreekt hij dan naar mijn idee vervolgens over 'de stad' (25,2) als een vijandelijke veste (2/63). Want vdB merkt zelf op dat de plaatsing van de pericopen 17,4-11 en 22,1-14 in het geheel van de hoofdstukken 13-23 aangeeft dat het volk van God op één lijn komt te staan met de andere volken (2/35). En inderdaad: de profetieën tegen de volken lijken zich toe te spitsen in een profetie tegen Jeruzalem (22,1-14), 'het dal van het gezicht' (22,1); te verstaan als het dal waari n Jeruzalem ligt (vgl. Ps.125,2) en waarop het gezicht van de profeet (vgl. 1,1) betrekking heeft. Een soortgelijk boemerang-effect vinden we bij Amos (1-2). En zoals in Habakuk 2 'de goddeloze' getekend wordt met trekken van zowel Babel als Israël, zo draagt naar mijn idee 'de stad' bij Jesaja (25,2) tenminste ook (niet enkel; vgl.17,1; 19,18; 23,7; 25,12) de contouren van Jeruzalem (vgl. 22,2; 24,10.12; 27,10; 29,1; 32,14). Deze stad is immers het toonbeeld van de hoogmoed (vgl. 26,5) waartegen de 'dag van de HEER' gericht is (vgl. 2,12). Het herbouwverbod brengt deze stad op één lijn met Jericho (25,2 vgl. Joz. 6,26). Uiteraard gaat het hier steeds om het 'oude' Jeruzalem; niet om het 'nieuwe' (vgl. 1,26; 26,1; 33,20).
Wanneer vdB naar aanleiding van het beeld van de wijngaard in hoofdstuk 27 opmerkt dat dat beeld vaker gebruikt wordt voor Gods volk (2/86) is mij dat te weinig: de liederen van de wijngaard in 5,1-7 en 27,2-6 zijn bijna tot in detail elkaars spiegelbeeld; het tweede komt letterlijk en figuurlijk op het eerste terug.

Het risico van een bloemlezing kan duidelijk gemaakt worden aan de hand van hoofdstuk 28: vdB beperkt zich tot de verzen 7-22 en onderkent daarmee niet dat in de verzen 1-6 Efraïm als spiegel aan Jeruzalem voorgehouden wordt. In ruil voor aandacht daarvoor had van mij wel bezuinigd mogen worden op de anderhalve bladzijde waarin het onsmakelijke tafereel van de verzen 7-8 nog eens aangezet wordt (2/93-94).
Te betreuren valt ook het overslaan van hoofdstuk 34: vdB ziet hier slechts het gericht over de volken aan de eeuwige vreugde (35,10) voorafgaan (2/155). Maar vanaf het begin van het boek lijkt een nieuwe uittocht en dan één binnen Israël ophanden; te denken valt slechts aan de 'egyptische' verharding onder Israël (6,10 vgl. Exod. 4,21 e.a.) en het spreken over 'tekenen en wonderen' (8,18; zie ook 19,20 en 20,3), de begeleidende verschijnselen van de uittocht (zie Exod.7,3; Deut. 6,22 e.a.). Deze nieuwe uittocht, een 'dag van wraak' (34,8), is eerder in het boek al aangeduid als een 'dag van de HEER', die zowel Israël (2,12) als Babel (13,6.9) aangaat. Alles wijst erop dat in de hoofdstukken 34-35 deze nieuwe uittocht zich voor het oog van de profeet voltrekt. Daarbij fungeert Edcm (34; vgl. 63,1-6) als benaming van 'de zondaars in Sion' (33,14) of 'allen die Sion haten' (Ps.129,5), zowel buiten als binnen Israël. Edom als geestelijke tegenpool van Jakob, een naam die in het boek Jesaja opvallend vaak voorkomt (2,5.6 e.a.). De oude tegenstelling tussen dit tweetal (vgl. Gen. 25,23) wordt op de spits gedreven (vgl. Mat. 1,2-3).
Terzijde: het bevreemdt zo gezien ook minder dat Jezus in zijn tekening van de verwoesting van Jeruzalem (Mat. 24,29) juist teruggrijpt op beelden uit Jesaja's profetieën over Babel (13,10.13) en Edom (34,4).

Bij deze greep uit de aantekeningen die ik overhield aan het lezen van de beide boekjes van van den Berg en de eerste helft van het boek Jesaja zal ik het maar laten. Ik hoop daarmee iets aangeduid te hebben van het geraamte van het boek Jesaja, dat ik in de genoemde boekjes te weinig blootgelegd acht.
We mogen benieuwd zijn of de schrijver ook de tweede helft van het boek Jesaja (40-66) nog ter hand zal nemen.
Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het boek als boek een eenheid vormt. Om niet meer te noemen: het beeld van de smeltoven uit 1,25 keert terug in 48,10; de zomen die de tempel vullen (6,1) vinden hun tegenhanger in de aarde als voetbank (66,1) en de inhoud van 11, 6-9 wordt samengevat in 65,25.
Op de achterflap van het eerste deeltje heet Jesaja een niet zo gemakkelijk toegankelijk boek. Wie zich door van den Berg laat meenemen naar dat boek, zal er niet gauw in uitgelezen raken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief