Over de preek.
1992-01-31
Onder de titel: 'OP DE VLUCHT VOOR ELIA?' schreef J. Roelevink in het 'HERVORMD WEEKBLAD' o.a. het volgende over de kanselarbeid van de predikant: - Jaargang 36
- nummer 3
STIJLEN
Het zou echter toch vanzelf moeten spreken dat één en eenzelfde predikant niet alle soorten diensten met hetzelfde succes kan leiden. Hij heeft zijn eigen spreekstijl, die zich niet voor alles leent en die niet alle gemeenteleden even sterk aanspreekt.
Naast het 'betonnen blok' hebben we dansers, acteurs, bekkentrekkers, 'je beste vrienden', vertellers. frikken, pedanten, sentimentelen en recht voor hun raap mensen. Met de stijl hangen ook varianten in preekopbouw samen.
Het kan uiteenlopen van de klassieke drie punten of een andere heldere lijn tot een rijstebrei van verhalen, kreten en krasse uitspraken. Hier komen wel bijzonder de eigen gaven en ondeugden van de verschillende predikanten tot uiting.
Laten we eens enkele mogelijkheden onder ogen zien. Het gaat om karikaturen, maar u zult de typen wel herkennen.
Iedereen stelt zich iets voor bij de verhaaltjesdominee. Hij kiest een aansprekende tekst, vertelt de bijbehorende geschiedenis in geuren en kleuren en laat zich bij de uitwerking vooral door zijn persoonlijke emoties leiden. De preek is een aaneenrijging van eigen belevenissen, 'oorspronkelijke' gedachten en als het goed is, een directe, gevoelsmatige bijbeluitleg die de gemeenteleden aan het denken zet, al was het maar om te besluiten dat men het met de man of vrouw niet eens is.
Aan deze stijl zijn nadelen verbonden.
Soms is iemand zo onder de indruk van zijn eigen woorden, of zo gedreven door effectbejag, dat hij uit de school klapt. Verstandige gemeenteleden zitten dan met gekrulde tenen te luisteren. Een andere bijkomstigheid kan zijn dat de toehoorders zich terugwanen in de kleuterschool. Ze worden niet aangesproken als volwassenen, maar als peuters die ieder moment kunnen afdwalen of weglopen. Vaak laten dergelijke predikanten hun toehoorders achter met een smeuige herhaling van wat ze allang wisten.
Als het brok in de keel is verdwenen, blijkt de maag echter nog steeds leeg te zijn. Kortom, zo'n dominee moet je van tijd tot tijd, maar niet iedere zondag horen.
Dan zijn er de verhalende dominees, hetgeen iets wezenlijk anders is dan een verhaaltjesdominee. Want hier zit wel degelijk één bepaalde dogmatiek achter. Het liefst spreken zij over Naäman, over Simson of over andere onderwerpen waarbij er veel te vertellen en uit te leggen valt. Als het goed is, loopt het verhaal uit op het evangelie van Christus, op de gevolgen voor het leven van alledag. Maar het is niet altijd goed. Sommigen blijven steken in de uitleg van het schriftgedeelte en zeggen amen nadat ze alle achtergronden en iedere komma van de tekst hebben verklaard. De gemeente moet het verhaal zelf verwerken en toepassen.
Ook hier ontbreekt mijns inziens iets wezenlijks aan de preek.
Dan zijn er nog geleerde predikanten, echte en onechte. Die moeten goed worden onderscheiden. Het kenmerk van ware geleerdheid is, zoals eerder opgemerkt, eenvoud, helderheid en een brede blik. Als vuistregel kan worden aangenomen dat er iets mis is, wanneer een betoog moeilijk valt te volgen. De fout ligt dan tien tegen één niet bij de toehoorder, maar bij de spreker. Luisteren naar zo'n preek kan heel vermoeiend zijn, ook al is de strekking goed.
Van een andere orde is de dominee die zich graag voordoet als geleerde.
Veelal valt hij te herkennen aan het schermen met moeilijke woorden, die hij vervolgens minzaam uitlegt of vertaalt.
Iedere zondag opnieuw bewijst deze predikant zijn kennis van Hebreeuws, Grieks en Latijn. Hoe vaak hij daarbij fouten maakt, weten alleen de geleerden die zich in vrijwel iedere gemeente bevinden. Meestal gaat het verschijnsel gepaard met ongewone uitleg van teksten en ingewikkelde redeneringen. De gemeente als geheel is onder de indruk, dat wel. Maar onthoudt ze ook wat ze heeft gehoord en raakt zij niet verveeld? Het is op zijn minst twijfelachtig.
Ten slotte hebben we de keuvelaar. Hij zet het gemeentelid in een denkbeeldige pluchen stoel, lurkt een glaasje prik en maakt zo de situatie rijp voor een aangenaam, maar in feite toch volkomen eenzijdig gesprek. Het kan heel goed werken. Wie gespannen als een veer de kerk in komt, zal zich misschien toch kunnen openstellen voor de boodschap van de zondag.
Tussen de niemendalletjes door wordt ook de ernst gestrooid. Maar nadelen zijn er natuurlijk ook. De keuvelaar gebruikt een tekst meestal als kapstok voor de gedachten van het ogenblik.
Het is immers een gesprek, dat in beginsel alle kanten op kan gaan? Het leuke is juist dat je niet weet waar het uitkomt. En dan is er heel wat gesprekstechniek voor nodig om te eindigen bij het Heil in Christus.
De schrijver van dit artikel heeft er een boeiend verhaal van gemaakt. Uiteraard zullen we één en ander wat moeten relativeren, anders houden we geen dominee meer over. Ik zou in dit verband ook liever niet het woord succes willen gebruiken. Dat is mij veel te zakelijk. Wij leven ook wat de kanselarbeid van de voorganger betreft bij de gratie van de variatie. Sommige mensen vallen daarover. Er zijn er ook heel wat, die het toejuichen.
Iedere predikant doet het op zijn eigen manier naar de gaven, die de Schepper hem verleend heeft, en we moeten maar niet proberen onze dominee in een keurslijf te persen. Een verschil in homiletische aanpak kan ook nog eens een keer iets laten zien van de veelkleurigheid van de wijsheid van God!
U voelt aan, dat wij het zodoende op een ander, een hoger niveau hebben gebracht. Wij mogen vanwege de verhevenheid van de dienst van het Woord als een goddelijk geschenk en een hemelse opdracht nimmer blijven steken in de menselijke kant van het hele gebeuren van de kerkdienst. God verwaardigt nl. een mensje, uit het stof opgerezen, naar de uitdrukking van Calvijn, om zijn heilswoord naar de gemeente toe te dragen. Dat bezorgt als het goed is predikant en gemeente een bepaalde spanning. Want de reaktie op dat heilswoord, dat genadewoord van de hoge God, is geen vrijblijvende aangelegenheid! En het gaat dan metterdaad om HET HEIL IN CHRISTUS! In de prediking dient zijn Naam genoemd en zijn werk verkondigd te worden. Dat is in de stijl van Paulus, die aan de gemeente van Corinthe schreef: "Want ik had niet besloten iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd." (I Cor. 2:2)