Jezus tot Koning maken
1992-02-14
Begrijpelijk- Jaargang 36
- nummer 4
Het wonder van de spijziging van vijfduizend mensen door Jezus wordt ons door alle vier de evangelisten verteld: Alle vier maken melding van oe vijf broden en twee vissen, als willen ze daarmee de grootte van het Wonder benadrukken. Maar er zijn ook verschillen tussen de verhalen van de vier evangelisten: Johannes bv. vertelt niet dat het wonder plaats vond aan het einde van de dag en ook niet over Jezus' medelijden met de schare en niet over de indeling in groepen. En de andere drie evangelisten maken geen melding van de poging Jezus koning te maken. En dat, juist voor dit moment, zo begrijpelijke gebeuren verdient toch wel onze aandacht. Het is toch zo goed voor te stellen dat de mensen die deze gebeurtenis meemaakten, na afloop degene die het wonder verrichtte, wilden eren en Jezus tot koning wilden uitroepen. Want als dit doorgegaan was, dan had Jezus' woord en wil toch duidelijk kunnen triomferen in de wereld.
Maar toch een misser
Het leek en lijkt wel mooi maar toch is het in Jezus' oog helemaal fout, dat ze dit willen doen en wel om drie redenen:
a. het motief is fout, zoals uit het vervolg van Jezus' woorden blijkt. In vs. 26/27 stelt Jezus tegenover de verzadiging met het brood en de indruk die zo'n wonder maakt de spijs, die blijft tot het eeuwige leven.
b. De manier van doen is fout: de mensen willen Jezus met geweld meenemen: ze willen iets afdwingen. Zij willen het zijn, die Jezus tot koning zullen uitroepen.
Maar daarmee draaien ze de volgorde om. Want de goede volgorde is: God zelf stuurt de koning en de mensen hebben die koning te ontvangen en hem te dienen. Mensen als hier uit Joh. 6:15 willen eigenlijk altijd tegen Jezus kunnen zeggen: Uw koningschap hebt u aan ons te danken. Jezus' koninkrijk moet tegelijk hun koninkrijk zijn.
c. Ook het moment is in Jezus' ogen fout: Het moment van het koning zijn van Jezus is er niet als vijfduizend mensen Hem omringen, die verzadigd zijn van het door Hem verschafte voedsel. Dat moment is er pas als Jezus, alleen, voor Pilatus staat en alleen aan het kruis hangt.
Verderop in zijn evangelie vertelt Johannes daarover: hfdst. 18, waar Pilatus vraagt: "Zijt Gij dus toch een koning?" en hfdst. 19, waar als opschrift aan het kruis vermeld wordt: "Jezus, de Nazoreeër, de koning der Joden".
Hier lezen we eigenlijk nog maar een kort voorspel op die lijdensgeschiedenis.
Want nu is dat moment van de diepste openbaring van Jezus' koningschap nog ver weg.
Jezus zoekt de eenzaamheid
"Daar Jezus bemerkte" staat er in vs. 15: Hij begreep wat de mensen wilden.
Het moet voor Jezus een verzoeking geweest zijn. Hij wist zich erkend door de mensen, Hij wist ook van zichzelf wie Hij was en waarvoor Hij op aarde was. En dan kan het haast niet anders of het was verleidelijk voor Jezus om deze weg maar snel te gaan. Het lijkt er haast op of de evangelist Johannes hier globaal iets aanduidt van de verzoeking die Jezus ten deel viel, zoals die door de andere evangelisten beschreven is als "de verzoeking in de woestijn" (Matth. 4, Marc. 1 en Luk. 4).
Die gebeurtenis beschrijft Johannes niet zo uitvoerig, maar mogelijk duidt Johannes er hier, net als in 7:4 en 12:20, wel iets van aan. Hoe dat ook zij, Jezus gaat in elk geval die verzoeking uit de weg door de eenzaamheid te zoeken; Hij heeft de stilte nodig om zich los te bidden van dit gevaar. Hij laat zo zien, dat Hij afkerig is van de koningstitel. Hij heeft zich ook maar zelden Messias laten noemen. In die titel lag toen te veel reden voor misverstand.
Dit misverstand nl. dat men in Hem een politiek leider of een machthebber zou zien. Hij was natuurlijk wel degelijk koning, maar dan een verworpen en verborgen koning. Hij was natuurlijk ook wel degelijk de Messias, maar dat was Hij als een lijdende Knecht, zonder glitter en glamour, zonder glorie en luister.
Onze missers
Net als die mensen toen bij de zee van Tiberias in Galilea gedragen ook wij ons vaak volkomen fout ten opzichte van Jezus. En om dat aan te geven, houd ik hier dezelfde volgorde van fouten aan als die ik eerder gebruikte onder het hoofdje 'maar toch een misser':
a. Ook ons motief, onze instelling is vaak verkeerd gericht: wij zijn vaak (eenzijdig) gericht op het materiële, zo eenzijdig dat andere waardevolle aspecten van het leven haast geen kans krijgen: en dan komt Jezus in ons leven niet op de juiste plaats, niet op de plaats die Hem toekomt.
b. Onze manier van doen is vaak zo meer gericht op onze eigen aktiviteit, waarbij we altijd weer denken dat wij zelf de zaken in onze eigen hand moéten nemen (dat woord moeten krijgt in dat verband een heel sterke nadruk: "Ik vind dat het moet!" en dan volgt er weer een toonbeeld van aktie!). We willen te vaak ons eigen leven, ook in geestelijk opzicht, in de hand hebben, en we willen te vaak zelf de (onze?) kerk opbouwen. We weten vaak te weinig van wachten en ontvangen.
c. Ook is er bij ons veelal een verkeerde beoordeling van het moment. We beoordelen vaak de tijden, ogenblikken en toestanden verkeerd van de kerk, van de geschiedenis, van ons eigen leven ook. Momenten die wij ervaren als nederlagen, als verarming, als nood en als twijfel zijn soms Gods grote momenten, waarop Hij bovenal werkt en zegent. En misschien is Hij nou juist wel afwezig op momenten die wij kenschetsen als triomf en succes en glorie.
Nabij of veraf
Hoewel Jezus zich teruggetrokken had in de eenzaamheid, 'geheel alleen', zo luidt het laatste woord van vs. 15 wat droefgeestig, is het vervolg van het evangelieverhaal toch veelzeggend: In vs. 16-21 lezen we hoe de discipelen aan de avond van die dag over de zee varen naar huis, naar Kapernaüm "in het donker, toen Jezus nog niet tot hen gekomen was". Als de massa uit het oog verdwenen is, is er alleen nog een klein groepje mannen overgebleven, als wier kenmerk nu niet gezegd wordt, dat ze genoeg te eten hebben gehad, maar dat ze in grote nood verkeren: harde wind, onstuimige zee, een klein schip, vermeende spoken op zee. Ja, als mensen Jezus niet meer tot koning maken willen, maar als ze Hem missen en voor Hem huiveren, dàn komt Hij: de niet-glorieuze koning wil dan zijn bij een klein groepje mensen in een wankel bootje, bij zijn bange gemeente. Dat mag ook voor ons vandaag een boodschap zijn: Wie zich verwant voelt met de juichende doorvoede mensen, die Jezus voor zich willen organiseren, moet weten van de mogelijkheid dat Christus geweken is. Wie zich verwant weet met de discipelen in hun kleine schip op de onstuimige zee, mag vertrouwen op de aanwezigheid van Hem, die zegt: "Weest niet bevreesd", en die het schip veilig voert naar het land.