In memoriam broeder D.W.L. Milo

1992-02-14
  • Jaargang 36
  • nummer 4
Het bruiloftslied van Psalm 45 staat mij voor ogen: Mijn hart trilt van blijde woorden, ik draag mijn gedicht een koning voor, mijn tong is de stift van een vaardig schrijver.
Of, zoals de Statenvertaling zegt: ...een pen eens vaardigen schrijvers.
Dat lijkt mij een goede karakteristiek voor broeder Milo. Te meer omdat ook bij hem vaak voelbaar was, dat zijn hart trilde van blijde woorden. God maakte hem blij met de bruid van Christus: de gemeente. Hoe onaanzienlijk zij ook mocht lijken, haar diende hij met zijn grote muzikale gaven. De gemeente van Nunspeet heeft daar weet van. Er kwamen nogal wat soldaten uit naburige kazernes in de kerk. Ze hadden een fors geluid, voerden de boventoon en zetten er de vaart in. Reden waarom broeder Milo, bij het oefenen, hen verzocht wat kalmer aan te doen. Met groot gevoel voor humor vermeldde hij hun antwoord: we zullen 'm in een lagere gearing zetten...!
Begaafd was hij, op velerlei gebied.
En hij wist zich be-gaafd getalenteerd.
In de originele zin van het woord getuige de cursief gedrukte tekst in de (door hem zelf samengestelde) liturgie van de Dienst van Woord en Dankzegging voorafgaand aan de begrafenis: " ...En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?.." (1Cor. 4:7).
Een autodidact? Ja. Een self-made man? Tegen die benaming zou hij bezwaar hebben gemaakt. Hij wist zich geschapen naar/als Gods beeld, uniek als elk ander mens. En woekerend met de gaven die hij had ontvangen, van jongsaf aan. Waarbij een tijd van ziekte en herstel bijv. werd omgezet in tijd voor verdere ontplooiing.
De brede scala van onderwerpen waarover hij schreef verraadt zijn veelzijdige interesses - van hobbies kun je nauwelijks spreken bij iemand die zich zo in zijn stof verdiepte. Soms schreef hij bewust uitdagend, uitlokkend tot respons. Maar bleef een artikei niet onweersproken - je kreeg prompt antwoord, royaal. Zijn hele optreden was gracieus, elegant, doortrokken van Franse hoffelijkheid. Zijn tegenstanders - die had hij - maakte hij niet pardoes af: ook in dat opzicht was hij een weidelijk jager. Dominant?
Ja als een dominant, een grondtoon met veel harmonieuze boventonen die rijk en glorieus meeklonken: je moest goed luisteren. In wat achter de komma stond gaf hij zich bloot - argeloos, maar niet weerloos. Kwetsbaar als een begenadigd kunstenaar. Hooghartig?
Het deed hem zeer als iemand zo dacht: in wezen had hij een heel klein hartje voor God en voor mensen.
En mocht hij al eens een vinger op een zere plek leggen, dan was dat niet om later zout in de wonde te wrijven.
In Milo verliest 'Opbouw' zijn laatste (en oudste, tachtig jaar!) redacteurmedewerker van het eerste uur. Vanaf de eerste jaargang (1957) was hij actief, met name over liturgische zaken aanvankelijk. Maar dan verschijnt in de tweede jaargang een artikel dat ik om andere redenen illustratief acht voor Milo's schrijven. Het is getiteld: 'Willempje' en het begint zo: "Het verhaal van Willempje is een gewoon dorpsverhaal. Echt gebeurd weliswaar, maar niet bijster belangrijk. U kunt het rustig overslaan. En als u het tóch weten wilt, dan volgt het hier."
Daarna volgt het verhaal van Willempje - ze is als kamermeisje begonnen en viert nu haar zilveren jubileum als 'Chef de restaurant' bij een groot nationaal hotel. Meer dan honderd gasten zijn daar aanwezig, ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders.
Geschenken worden aangeboden, door een notaris. Wat hij van Willempje had waargenomen? "In de eerste plaats je grote plichtsbetrachting; voorts je vrome levenswijze, en nog het meeste: dat jij gevoelt de taak, die je is opgelegd door Hem, in Wien, van Wien en tot Wien alle dingen zijn. Dat je in je leven gevoeld hebt een roeping te moeten vervullen, hoe hoog of hoe laag je ook staat, en dat je begrijpt dat je in dienst staat van Hem, Die alles regeert!"
Dit had ook van Milo gezegd kunnen zijn... En Willempje? "...Voor Willempje leeft deze kostelijke feestdag slechts in één moment van bodemloze vreugde voort: dat haar hemelse Vader is groot gemaakt op haar jubileum; dat de HEERE te midden van het zeer wereldse feestgedruis, bij notariële uitspraak is geprezen! Zij dacht aan haar belijdenis, toen ze - nog kamermeisje - van haar dominé de tekst meekreeg: "laat uw licht alz6 schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader die in de hemelen is verheerlijken." Dat leek haar zulk een onmogelijke taaken zie, de taak bleek vervuld voordat ze er erg in had. Ze had alleen maar trouw haar plicht gedaan, en gezorgd dat ze de kneepjes van haar vak goed leerde. Toen schonk de HEERE haar zomaar genade en eer - meer dan ze op kon." En ook dat had mutatis mutandis van Dick Milo gesproken kunnen zijn. Hij woekerde met de talenten die onze goede God hem geschonken had, ook voor 'Opbouw'. Als lezers van "Opbouw" zijn we hem dankbaar.
Maar ook: "Wij willen God de ere geven en maken zijn genade groot." Aan zijn vrouw, door hem vaak H.M. genoemd, die hem sympathetischcritisch begeleidde ook bij zijn werk voor 'Opbouw' en aan zijn kinderen en kleinkinderen dragen we ook de laatste strofe van dit lied van Jan Wit op (Gez. 87: 5): "Zoals de Christus is verrezen door 's Vaders heerlijke overmacht, zo zijn ook wij aan 't licht gebracht om nieuw te leven, zonder vrezen, nu en na dezen."

Moge deze troost naast alle eigen herinneringen hun, als in eerdere verdrietige dagen, bijblijven - nu en na dezen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief