Mystiek in de literatuur (8)
1992-02-28
IN ZIJN ARM DE LAMMEREN is een roman van Cornelius Lambregtse; de eerste druk verscheen in 1971. Lambregtse heeft het boek geschreven als een herinnering aan zijn zoontje dat stierf toen het nog maar drie jaar en zeven maanden oud was. Kort voor zijn sterven zei het kind: "Ik ga naar huis, naar Jezus. Niet huilen, Pappie."- Jaargang 36
- nummer 5
Het boek verplaatst ons naar één van de Zeeuwse eilanden in de jaren twintig.
Hoofdpersoon is Fransje die opgroeit in een arbeidersgezin; het godsdienstig milieu is aan te duiden als mystiek-bevindelijk, maar het komt ons heel wat positiever en sympathieker voor dan wat we in andere literatuur aantreffen.
Ja, er komt ook wel weer een dominee in voor die meent het zijn luisteraars goed aan te moeten zeggen: Het heil in Christus kan niet zo maar aan iedereen worden aangeboden, het wordt alleen geschonken aan degenen die daartoe van eeuwigheid uitverkoren zijn. En dan noemt de dominee verscheidene kenmerken waaruit men kan afleiden of men misschien enige hoop mag hebben daar ook bij te horen.
Maar in het algemeen: het ziet er somber voor de mensen uit, de meesten groeien op als brandstof voor de hel.
De vader van Fransje is niet zo gelukkig met die preek en de vrome Kee al evenmin. Op de terugweg naar huis zegt Kee: "Van de week werd ik er zo bij bepaald wat het de Here Jezus gekost heeft om zijn volk te redden.hoe Hij als een nietig wurmpje in de wereld gekomen is om zondaars met God te verzoenen. Ik werd er zo met nadruk op gewezen hoe dat er in Jesaja staat: AI waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze maken als witte wol. Wat heeft de Here er toch veel voor over gehad om zulke ellendige schepsels als ons van de eeuwige dood te redden. Hoe ernstig heeft Hij ook vermaand en uitgenodigd toen Hij zei: Hoe dikwijls heb Ik u niet willen bijeen vergaderen zoals een hen haar kuikens bijeen vergadert onder haar vleugels. Maar dan zegt Hij erbij: Maar gij hebt niet gewild! Wij staan zo gauw gereed om te zeggen: Ik kan mijzelf niet bekeren. En dat kán een mens ook niet. Maar onze grootste schuld zou nog eens kunnen worden dat we het niet willen ook."
Een poosje later voegt ze eraan toe: "Een mens moet niet ééns bekeerd worden, maar dagelijks, zoals de apostel Paulus zegt. Ik denk dat de dominee die les nog moet leren. Als God een mens bekeert, dan neemt Hij zo'n zondaar aan als zijn kind. Als we nou altijd maar een kind konden blijven, maar we worden zo gauw groot in onze eigen ogen. En toch zegt de Here Jezus nadrukkelijk: Als ge niet wordt als een kind, kunt ge het Koninkrijk der hemelen geenszins beërven. Konden we God nou maar eens net zo onvoorwaardelijk geloven als een kind."
Dat laatste, geloven als een kind, is een leidmotief in het boek. Zie bij voorbeeld het gedeelte waar verteld wordt dat Fransje tijdens een kerkdienst geweldige dorst heeft. Er preekt een dominee die bij de eerste aanblik Fransjes sympathie heeft. Straks zal het Avondmaal worden gevierd; de dominee nodigt iedereen uit met de woorden: En die wil, kome! Dát staat in de Bijbel! En in zijn ijver en stille strijd tegen een zekere dodelijke lijdelijkheid die de dominee van de Zeeuwen kent, gaat hij ertoe over een aanschouwelijke geste te maken. Met zijn rechterhand neemt hij het glas water vanonder zijn lessenaar en houdt dat over de rand van de preekstoel omlaag alsof hij het de gemeente aanbiedt.
Dan vervolgt hij: "Het is als het ware of God zegt: Is hier iemand die dorst heeft? Laat hem dan komen, want hier is water voor u. Is hier iemand die Mijn woorden gelooft, dat Ik hem water zal geven om niet, kom dan en drink zoveel als gij wilt, en Ik zal uw dorst lessen." ... Dan laat hij een kleine pauze volgen om zijn woorden in te laten zinken in de harten van de schare vóór hem, terwijl hij nog steeds het glas naar voren houdt. Ja, er is iemand die dorst heeft en die de gesproken woorden gelooft, en die gevolg aan de uitnodiging gaat geven.
Dat is Fransje. En voor vader er erg in heeft of hem nog gauw bij zijn mouw kan grijpen, is Fransje al op weg naar dat uitgestoken glas water, dat het onverwachte antwoord is op zijn schreeuwende behoefte.
Hij trippelt naar de avondmaalstafel toe, stapt er heel voorzichtig langs om het witte kleed niet aan te raken, en gaat dan naar de preekstoel toe. Daar blijft hij staan en steekt zijn hand uit naar boven. Er heerst een bijna tastbare stilte in de kerk. Geen voet verschuift en geen kuchje weerklinkt. Men zou een speld kunnen horen vallen.
Ook vader wacht gespannen op de afloop van dit kleine drama. De dominee, die Fransje heeft zien aankomen, begrijpt de situatie. Met een bewogen stem zegt hij: "Wacht maar even, ventje, ik kom zo bij.]e." Hij opent het deurtje aan de zijkant van de preekstoel, daalt de trap af, en komt met het uitgestoken glas op Fransje toe. Hij legt zijn linkerhand tegen Fransjes achterhoofd en brengt met de andere het glas aan Fransjes lippen.
En Fransje drinkt en drinkt en drinkt...
Als het glas leeg is, wil Fransje teruggaan naar zijn hoekje, maar de dominee houdt hem tegen. Hij legt zijn hand nu op Fransjes hoofd en met een stem die van ontroering trilt, zegt hij tot de gemeente die dit schouwspel ademloos heeft gevolgd: "Geliefde gemeente, ik zou geen betere toepassing kunnen vinden dan wat u hier voor u ziet. Ook al begrijpt dit kind de geestelijke strekking nog niet van mijn woorden, toch heeft hij in kinderlijk geloof gedaan wat God van zijn kinderen vraagt, namelijk dat zij aan zijn uitnodiging gehoor geven en even veel vertrouwen in zijn woorden stellen als dit kind heeft gedaan in de mijne. Want we moeten immers allen worden als een kind - als dit kind."
De mensen in dit boek beleven hun geloof anders dan de meesten van ons. Soms gebeurt het dat iemand 'bepaald wordt' bij een gedeelte uit de bijbel, er komt hun een psalmvers of een tekst in gedachten en zij menen stellig dat de Here hun daarmee iets wil zeggen. Kee is erg op Fransje gesteld, maar als ze hem na een bezoek ziet vertrekken, moet ze opeens denken aan de psalm (in de berijming van Datheen): Want God gedenkt altijd genadig aan zijn verbond, 't welk blijft gestadig ...
Als geoefende christin weet ze dat de Here hier iets mee te zeggen heeft, maar het is niet duidelijk wat. Daarom zegt ze kinderlijk: "Here, wat bedoelt U daarmee?" En dan valt er opnieuw iets met kracht in haar ziel, namelijk deze woorden: Mijn ziel begeert vroeg rijpe vrucht!
Later zal duidelijk worden wat de betekenis daarvan is. Fransje wordt ziek, héél ziek, en Fransje sterft. Zijn laatste vraag is aan zijn zusje: "Maria, zing nog eens van Veilig ..." En die zingt dan: Veilig in Jezus' armen ... U zult het lied wel kennen. Zo was het einde van Fransje.
Zoals ik al zei: dit boek geeft ons een heel wat positiever beeld van de bevindelijkheid dan veel andere literatuur.
Ook hier wordt gevraagd: "Is er hoop? Zou het kind behouden zijn?"
Wij weten dat wij mogen vertrouwen op Gods verbond. En daarmee troost ook Kee. Ze is immers destijds bepaald geworden bij die psalm? En daarvan vertelt ze: Want God gedenkt altijd genadig Aan Zijn verbond, 't welk blijft gestadig; En aan dat woord, dat Hij heeft klaar Toegezeid, en wil 't houden waar In 't duizendste geslacht dat leeft, Zo Hij Abraham beloofd heeft.
En ook vader kan vertellen van zijn ervaring. Hij is er alleen op uitgetrokken in het rietland. En daar heeft hij zijn worsteling beleefd, hij heeft zijn moeite en verdriet uitgehuild. Maar tenslotte heeft God hem daar getroost met de woorden: Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Isrels Heer op ieder die Hem vreest.
En als laatste was hem te binnen gekomen:
Maar 's Heren gunst zal over die Hem vrezen In eeuwigheid altoos dezelfde wezen; Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht ...
Misschien fronst de 'nuchtere' gereformeerde lezer de wenkbrauwen? Moet u niet zo veel van al die ingevingen hebben? Maar kan het ook zijn dat onze nuchterheid ons belet zo dicht bij de Here te leven als sommige personen die in dit boek beschreven zijn?
'In zijn arm de lammeren' is een roman die ons in contact brengt met een geloofsbeleving die de meesten van ons niet kennen. Ik weet best dat we hier geen literatuur van het hoogste niveau hebben, maar ik durf ook te zeggen: het is een ontroerend en leerzaam boek. Ook scholieren kan ik het van harte aanbevelen.
(P.S. Wat er aan Zeeuws in het boek voorkomt, heb ik gemakshalve maar vertaald in Nederlands.)