Ingezonden

1992-02-28
  • Jaargang 36
  • nummer 5
Calvijn en zijn tijd
Met alle waardering voor wat me aanspreekt in het artikel "Calvijn-kritiek over de zaak Servet" van J.C. Janse in Opbouw van 17 januari jl., moge ik de volgende kanttekeningen aanbrengen.
Met Janse sta ik in heel wat opzichten dicht bij de persoon en de arbeid van Calvijn, de grote reformator. Niettemin heb ik moeite met de wijze waarop Janse omgaat met de vragen rakende de verdraagzaamheid, enz., in zijn artikel geconcentreerd op het weerzinwekkende bedrijf wanneer ketters werden veroordeeld tot de brandstapel.
Janse voert "het toenmaals geldende strafrecht" als een soort verontschuldiging aan. Zo'n benadering roept bij mij vele bedenkingen op, hoe terughoudend Calvijn hier en daar ook was.
Calvijn en diens vriend, later opvolger, Beza huldigden de dominante opvatting in de 16e eeuw, hierop neerkomende dat de overheid geroepen was de ketterij met de dood te straffen, alsmede de zienswijze dat er voor verschillende confessies in één land geen bestaansrecht zou zijn. Wie dat wel geoorloofd achtte zou volgens een duidelijke uitspraak van Beza een "duivelse leer" aanhangen.
Nu is het wel zo dat Janse laat doorklinken dat onze vaderen kinderen van hun tijd waren, maar hij laat het daar eigenlijk bij. Hij kan geen enkel begrip opbrengen voor mensen als Coornhert en diens medestanders. Nergens een waarderend woord voor het goede dat door hen is tot stand gebracht. Laten we toch reëel blijven en ons niet weerhouden om in politiek-praktische zin oog te hebben voor alle invloeden die via allerlei ontwikkelingen de samenleving in gunstige zin hebben veranderd.
Het is een lange weg geweest van de grote prins van Oranje (tegenstander van Datheen) en de edele graaf van Coligny met hun vele adviseurs naar onze dagen.
Dit jaar stond ik weer bij het standbeeld van Gaspard de Coligny, admiraal van Frankrijk, in de Rue de Rivoli te Parijs. Zijn devies was: Ik beproef alle dingen. Op een afzonderlijke steen staat vermeld: Zijn tolerantieidealen waren niet die van zijn door intolerantie gekenmerkte tijd.
Drs. A. Kamsteeg schrijft in "Conflict op conflict": "Ieder mens heeft recht op een waardige beoordeling, zeker als het gaat over de meest fundamentele mensen- en grondrechten. Het religieuze is het meest essentiële in het mensenleven. Gods Woord en Geest doen een appèl op elk schepsel.
Een overheid die zich daar met de zwaard macht tussen schuift, moet in alle duidelijkheid op het kwaad daarvan worden gewezen." Dat Calvijn in meer opzichten met gangbare meningen werkte, blijkt uit zijn commentaar op Genesis. Hij veroordeelt daarin allen die niet geloven dat de aarde het centrum van het universum is. Hij zegt uiteindelijk: "Wie zal het wagen de autoriteit van Oopernicus boven die van de Heilige Geest te stellen!".
Helaas is Janse m.i. er niet in geslaagd een loepzuiver en realistisch beeld te geven van een tijdperk en van de daarin levende wegwijzers. Ik betreur dat omdat er in de godsdienstoorlogen al zoveel werd verstikt. Daar moeten wij, mensen in het heden, niet aan meedoen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief