Mozes en Jezus Christus (1)
1992-04-10
Mozes???- Jaargang 36
- nummer 8
Mag ik u eens vragen: had u aan het slot van Johannes' inleiding déze ontknoping verwacht: "De wet is door Mozes gegeven"?
Johannes heeft - nietwaar? - een stuk spanning opgebouwd door ietwat verhuld te gaan spreken over iemand die van den beginnen was, die als licht fungeerde in de duisternis, en die door zijn eigen mensen werd miskend. Een figuur die wordt aangeduid als 'het Woord'. Dan wordt aan het eind die spanning gebroken, doordat hij namen noemt. En als we enigszins in de bijbel thuis zijn, dan bevreemdt het ons niet, dat hier de naam Jezus Christus valt.
Zeker toen we eenmaal gehoord hadden, dat Johannes de Doper van Hem getuigde (v. 15), was het ons wel duidelijk, dat het over Jezus moet gaan.
Maar die naam Mozes ...? Dié komt toch, denk ik, voor velen als een verrassing.
"In den beginne", zo was Johannes begonnen. En dan denken wij onmiddellijk aan Gen. 1, nièt aan Ex.?
"Alle dingen zijn door het Woord gemaakt"
: dat leidt onze gedachten toch naar Gods scheppend spreken, toen Hij de wereld formeerde?
"Het licht schijnt in de duisternis" : roept dat niet de herinnering op aan de eerste scheppingsdag?
Wat moet - zo vragen wij ons verbaasd af - ... wat moet in déze context de naam Mozes?
Mozes!!!
Dat die naam toch wèl op z'n plaats is, blijkt uit het vervolg van Johannes' evangelie. Voortdurend wordt daar namelijk Jezus met Mozes in verband gebracht.
AI aanstonds in dit eerste hoofdstuk zegt Philippus tegen Nathanaël: "Wij hebben Hem gevonden van wien Mozes in de wet geschreven heeft" (v. 46).
In zijn gesprek met Nicodemus - hfdst. 3 - vergelijkt Jezus zijn eigen kruisiging met het omhoogsteken van een slang door Mozes (v. 14).
Om hfst. 5 zegt Hij tegen de joodse leidslieden: "Uw aanklager is Mozes, op wien u uw hoop hebt gevestigd.
Want indien u Mozes geloofde, zou u ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven" (vv. 45.46).
En - om maar niet meer te noemen - in 7,23 horen we Jezus zeggen: "Niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware (!) brood uit de hemel. ..; en dat brood des levens ben Ik". Mozes neemt dus in dit vierde evangelie een grote plaats in. Ja, we mogen wel zeggen: het gaat in dit evangelie vooral over de verhouding tussen Mozes en Jezus.
(Her)schepping
Zouden wij dan het begin van het Johannes-evangelie misschien verkeerd hebben gelezen, dat we daarin niet Mozes hebben ontdekt, maar de schepping?
Nu, niet dadelijk verkeerd misschien, maar wel onvolledig. Wij zijn, denk ik, bij Gods eerste begin blijven steken.
Maar de Heere heeft een tweede begin gemaakt: met Israël. En dat deed Hij even zeer als zijn werk bij de schepping - door zijn Woord; en wel door zijn spreken vanaf de Horeb; door het afkondigen van zijn wet.
Zeker, er zijn in het begin van dit evangelie zinspelingen op de schepping.
Maar evenzeer op de herschepping, op de wetgeving vanaf de Sinaï. Dat was een zo fundamenteel gebeuren, dat het in het NT bij herhaling gekarakteriseerd wordt als 'de grondlegging der wereld'", Nu, ook over dát gebeuren spreekt Johannes hier, zij het aanvankelijk in bedékte termen.
Licht/leven
Als we namelijk deze inleiding lezen, dan springen twee woorden eruit: licht en leven. Wel, hoe vaak wordt niet in het OT de wet zo betiteld; als 'licht' en als 'leven'? Ik noem u een paar plaatsen.
U kent ongetwijfeld de woorden uit Ps. 119, 105 "Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad".
Even verderop in diezelfde psalm (v. 130) lees ik: "Het openen van uw woorden verspreidt licht".
Jes. 51. 4 "Een wet zal van Mij uitgaan en mijn recht zal Ik stellen tot een licht.".
In Deut. 32 beveelt Mozes den Israëlieten, dat ze hun kinderen zullen opdragen "al de woorden dezer wet nauwgezet te onderhouden. Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven (vv. 46.47).
En dan vooral Spr. 6, 23. Daar hebt u 'licht' en 'leven' bij elkaar: "Want het gebod is een lamp, en de onderwijzing een licht; de vermaningen der tucht zijn een weg ten leven".
Als Johannes van het Woord zegt (v. 4): "Daarin was leven; ja, dat was hèt leven, het licht der mensen", dan zullen we dat vooral moeten verstaan als een verwijzing naar de wet van Mozes3.
De weg vinden
Uit de teksten die ik zopas aanhaalde, wordt ook duidelijk, welke functie dat woord in zijn hoedanigheid van licht in het mensenleven had. Dat woord, die wet, geeft licht op je pad. Het laat je de weg vinden naar het leven.
Nietwaar, als je ergens heen wilt gaan, moet je de weg daarheen weten te vinden. Op klaarlichte dag lukt dat doorgaans wel. Maar als je bij avond of nacht op pad bent, heb je een lantaarn nodig. Anders dreig je te verdwalen; of zelfs te verongelukken. Zeker in bergachtig terrein, zoals de Israëlieten dat kenden. Juist als je onderweg bent, hangt je leven af van het licht dat je hebt.
Op het licht afkomen
Nu, dat het licht ook in deze proloog van het Johannes-evangelie dié functie heeft, wordt duidelijk uit v. 5. De NBG vertaalt daar: "en het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet gegrepen".
Allereerst even dit: als daar staat 'de duisternis heeft dat licht niet gegrepen', dan moet u dat zó verstaan: 'de mensen die in het donker zaten hebben het licht niet gegrepen'. Zo spreken wij ook wel. We zeggen b.V. "het hele dorp was op de been"; maar we bedoelen: 'alle ménsen uit het dorp waren op de been'.
En verder: wat dat 'gegrepen' betreft, we zouden hier nog beter kunnen vertalen 'aangegrepen' (nI. als houvast) of 'aangeklampt' (nI. om daarbij hulp te zoeken).
U hebt misschien wel eens het oratotium 'De Jaargetijden' van Josef Haydn gehoord. In het laatste deel daarvan komt een scène voor van iemand die in een winternacht verdwaald is. Hij kan zich niet meer oriënteren. De angst vliegt hem naar de keel. Maar dan opeens ontdekt hij een licht. En dan weet de man niet, hoe hard hij dáárop af moet rennen. Dat is immers een baken, met behulp waarvan hij weer op de rechte weg hoopt te komen.
Zo'n lichtbaken nu was voor Israël de wet van Mozes. Daarom is de wet ook het eerste geweest dat God aan Israël gaf, toen Hij met dit volk een nieuwe start voor de wereld maakte. Juist zoals Hij in Gen. 1 als eerste schepsel het licht schiep. En zo kan Israël niet alleen van de wereldgeschiedenis, maar ook van eigen volksgeschiedenis zeggen: "In den beginnen was het Woord. Dat Woord betekende: licht in de duisternis.
dat Woord betekende: leven". Want bij het licht van de wet kon je de rechte weg, het pad ten leven vinden.
Jezus en de Farizeeërs
Nu zegt Jezus in Mt. 23, 2, dat de Farizeeërs zich geïnstalleerd hebben op de katheder van Mozes. Door hun wetskennis achtten zij zich, zo zegt Paulus (Rom. 2, 19), "een licht voor hen die in duisternis zijn".
Maar ook Jézus zegt van zichzélf: "Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt zal nooit in het duister wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben"
(Jh.8, 12). Hij is nog wel het echte licht, zo onderstreept Johannes hier in zijn inleiding (v. 9).
En nu begrijpen we, dat Jezus met deze pretentie Mozes - om zo te zeggennaar de kroon steekt. En tevens, dat hier aanstonds het conflict tussen Hem en de Farizeeërs zich aandient.
In de opbouw van zijn evangelie laat Johannes dan ook heel scherp uitkomen, hoe dat conflict zich toespitst op Jezus' pretentie, dat hij het licht is, en dat Hij het leven is. Want let u maar eens op: in hfdst. 9 zegt Jezus, als Hij aanstalten maakt een blindgeboren man het licht in de ogen te geven: "Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld" (v. 5). En als Hij in hfdst. 11 zich opmaakt Lazarus weer levend te maken, zegt Hij tegen Martha: "Ik ben de opstanding en het leven" (v. 25).
Welnu, als Hij dan achtereenvolgens niet alleen gezégd, maar ook metterdaad getó6nd heeft, dat Hij het Licht en het Leven is, dán besluiten de joodse leidsl ieden meteen Hem te doden (11, 45-53).
De reikwijdte van het Licht
Jezus is - méér dan Mozes - een licht.
Dat is het wat Johannes te zeggen heeft. Immers: "Hij was het waarachtige Licht, zo schrijft hij in v. 9.
Daarmee is niets kwááds van de wet gezegd. Johannes suggereert daarmee niet: de wet was een vals licht. Hij bedoelt: dat was maar een zwak licht, enkel een voorlopige lamp. In Jezus Christus gaat het volle licht op. Hij kan pas echt 'het Licht' heten.
Want Jezus verlicht, zo zegt hij (v. 9) ieder mens. Niet alleen den Jood, maar ook den heiden. En daar hebben we dan hetzelfde motief als bij Paulus in Rom. 3. Een motief dat ook Simeon aanroert met een citaat uit Jesaja: "een licht tot verlichting der heidenen".
De essentie van het licht
Het licht dat in Jezus opgaat, heeft dus om te beginnen een wijder bereik dan dat van Mozes. Maar daarmee is nog niet alles gezegd van zijn verheven zijn boven Mozes. Hij is ook - zo zegt Johannes in v. 14-vol van genade en waarheid.
Daar hebben we opnieuw dat begrip 'waarheid', dat we ook in v. 9 al tegenkwamen in de uitdrukking 'het waarachtige licht'. 'Waarheid' is hier dan ook niet een apart iets náást genade. Wij zouden dat kunnen denken, omdat er staat 'genade en waarheid'. Maar dat zal niet de bedoeling zijn. Er staat ook niet - zoals NBG heeft - "de genade en de waarheid zijn (meervoud) door Jezus Christus gekomen", maar "de genade en de waarheid is (enkelvoud) door Jezus Christus gekomen". Het gaat in 'genade' en 'waarheid' om één en dezelfde zaak. Met de aanduiding 'waarheid' wil Johannes het voorafgaande 'genade' kenmerken als 'het echte': de genade, dát is 'je ware'!
Dáárin komt de heerlijheid van God, die Jezus heeft meegekregen, pas recht, pas ten volle, aan het licht. Jezus, zo wil Johannes zeggen, was vol van genade en dáármee van het ware wezen van zijn Vader. In Hém leren wij God pas kennen zoals Hij echt is: als een God van genade.
Het falen van de wet
Nee, van de wet mogen we geen kwaad spreken. Ook Paulus wordt in Rom. 7 niet moe dit te verzekeren. Zij was een goed licht, zij wees duidelijk het rechte pad. En toch heeft die wet haar doel gemist. "Het gebod dat ten leven was, bleek voor mij juist ten dode te zijn", zegt Paulus daar (v. 10). Dat God zijn Zoon liet geboren worden als mens, dat bewijst, zo zegt hij (8,3), het falen van de wet. Door ons 'vlees', d.w.z. met behulp van ons natuurlijk vermogen, kon zij niets uitrichten. Met ons, zondige mensen, kon de wet niet uit de voeten.
Nietwaar, je kunt iemand nog zo precies de weg wijzen, waarlangs hij zijn bestemming kan bereiken, als de man niet lopen kan, komt hij er niet. Nu, ons onvermogen, de goede weg te gáán, dáárop is de wet stuk gelopen.
Die wet schéén wel een beroep te doen op 's mensen eigen kracht. En zó legden de wetgeleerden van Jezus' dagen haar dan ook uit. Vandaar dat conflict tussen Jezus en de Farizeeërs. Maar dat was, zo zegt Paulus in Rom. 3 nièt Gods bedoeling met die wet. Nee, de Heere heeft die wet bedoeld, om mij tot het inzicht te brengen: "Maar dat kan ik uit mijzelf niet, want de zonde zit mij dwars". De wet, zo zegt Paulus, brengt ons besef van zonde bij. En z6 wil ze ons ertoe brengen te hopen op Gods genade.
Nu, die genade, waarnaar de wet het verlangen moest wekken, is in Jezus Christus verschenen, zegt Johannes.
Noten
1 Er is een andere, vrij sterk vertegenwoordigde lezing: "de eniggeboren God". De kwestie, wat de oorspronkelijke versie is, laat ik hier rusten.
2 Zie Opbouw, jrg. 35, blzz. 114, 115 en de daar in de noten 6 en 7 gegeven verwijzingen.
3 e.K. Barrett, The Gospel according to St John, London 1962, p. 24, merkt op, dat Johannes weliswaar in mindere mate dan de andere drie evangelisten zich beroept op bepaalde, expliciet genoemde plaatsen uit het OT; maar dat toch zijn denken zozeer doordrenkt is van oudtestamentische thema's, dat deze op vele plaatsen voor wie zorgvuldig leest onmiskenbaar doorschemeren.
4 Deze uitleg wordt bevestigd door wat volgt in 3, 19.20: "En dit is het waarop men veroordeeld wordt: dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen toch de duisternis liever hebben gehad dan het licht. Hun praktijken waren nl. slecht. Ieder immers die er kwalijke praktijken op na houdt, moet niets van het licht hebben en komt er niet op af; anders zouden zijn praktijken aan de dag komen".
(wordt vervolgd)