Kuiterts nieuwste boek (4)
1992-04-24
Wat is het nu precies dat me zo aanspreekt in het boek van Kuitert? Ik vraag mijzelf dat regelmatig ietwat verwonderd af, want ik ben toch helemaal niet zo modern van opvattingen.- Jaargang 36
- nummer 9
Ik denk, zijn nuchter recht doen aan de feiten. Het doorsnee-geluid dat uit de grote protestants-christelijke gemeenschappen in ons land opklinkt is hinderlijk pathetisch en ook monotoon. De een praat de ander na of probeert de ander in vooruitstrevendheid te overtreffen.
In heftige termen, alsof men als kleine minderheid tegen overweldigende meerderheden moet opboksen, "gaat men onder luide bijval van iedereen tegen de tijdgeest in" (deze aardige uitdrukking hoorde ik eens van Paul van Vliet). Tegen wie is al dat overdreven verbale geweld eigenlijk gericht, vraag je je af. En de werkelijkheid van het leven verdwijnt zo steeds verder uit het gezicht. Nu is het bij Kuitert zo verfrissend dat hij herhaalde malen dingen zegt die broodnuchter zijn en kloppen met de feiten zoals je die kent. Ja, denk je dan, zoals hij het zegt zo is het ook. Ik praat er misschien wel eens vroom of niet vroom omheen, maar hij heeft gelijk
En zo verscheurt hij waar je bij staat allerlei sluiers die om de dingen heengewonden zijn en stoot hij lek op lek in het gezwollen pathos van de theologische kranten- en tijdschriften-vullers.
Na de kerk-pagina van Trouw of na Hervormd Nederland mag ik graag naar Kuiterts boek grijpen om daar dan zinnen tegen te komen als: "Een kerk die bij de voortduur zichzelf beschuldigt, wekt weerzin, om niet te zeggen wantrouwen" (p. 212). Of: "Het christelijk geloof is geen vooruitgangsgeloof"
(p. 227). Of: "Wij hoeven mensen niet aan te sporen de aarde trouw te blijven" (p. 246). Of: "Er moeten in de wereld dingen gedaan worden die je als christen niet van Jezus hebt geleerd en die desondanks moeten"
(234). Wat reëel allemaal! Het is dezelfde zakelijke nuchterheid die ik in de redaktie van het Nederlands Dagblad zo waardeer. (Dat blad bedierf het trouwens onlangs, in het nummer van 13 april jl. weer aardig bij me met die leugenachtige foto bij het overigens korrekte verslag van de ontmoetingsdag in Barneveld. Stel je voor, een plaatje van een lege zaal! Ik heb toch bepaald andere herinneringen aan die dag. Dat was weer echt even terug naar de tijd van de koude oorlog tussen onze kerken toen het er het Nederlands Dagblad wel eens om leek te gaan de nederlands gereformeerden in een niet al te gunstig daglicht te stellen.' Dat hadden we toch gehad?) Maar goed, laat ik niet te onordelijk worden. Ik was bezig met mijn lijstje van onmodieuze standpunten bij Kuitert en wil dat in dit artikel afmaken.
4. Dat Kuitert voor het geheel eigene van kerk en godsdienst opkomt, wisten we al uit zijn vroegere boek over de politiek, u weet wel, 'Alles is politiek maar politiek is niet alles' (1985). Dat was ook al zo'n moedig boek, zeker een paar jaar geleden. Je kunt dan ook bepaald niet zeggen dat Kuitert nu pas begonnen is met impopulair te zijn, dat zat er al langer in. Zijn pleit toen voor het onvervangbaar speciale van de christelijke godSdienst dat zeker niet in het politieke aspekt ervan opgaat, wordt in het jongste boek voortgezet en ondergaat zelfs nog een uitbreiding, van het politieke naar het maatschappelijke toe. Onder de vraag 'Kan het nog wat worden met de kerk?' schrijft Kuitert namelijk op pagina 206/7: "Het spoor van de dienstbaarheid aan de wereld zie ik voorlopig niet als een uitweg uit de impasse.
Jammer genoeg, zeg ik erbij, want christelijke kerk en dienstbaarheid horen bij elkaar. Maar dan moet die zucht naar dienstbetoon niet uit onhelderheid over zichzelf voortkomen, onhelderheid over eigen zelfinterpretatie.
Je kunt niet met de ene hand (de denk-hand) aan een kerkbegrip vasthouden dat de kerk als heiIsnoodzakelijk voor de wereld voorstelt (...) en met de andere hand (de doe-hand) die wereld alleen maar brengen wat ze zelf ook wel in huis heeft. Zolang de christelijke kerk deze oneffenheid niet oplost door eerst te kiezen voor de heilsnoodzakelijkheid en daarna (en op grond daarvan) voor het ambt van welzijnswerker temidden van andere welzijnswerkers moet ze niet verwachten dat ze met het opschroeven van dienstbetoon, haar eigen problemen oplost. Daar is dienstbetoon niet eens voor." Inderdaad, zoals de kerk uit verlegenheid over zichzelf de wereld van het politieke in kan vluchten zo kan ze zich vanuit een identiteitskrisis ook als maatschappelijk werker opstellen.
Het is heel goed dat Kuitert daar de vinger bij legt. En leuk, zo'n zinsdeel als "de wereld alleen maar brengen wat ze zelf ook wel in huis heeft" zag er eerder bij hem wat stekeliger uit: "de wereld brengen wat ze zelf veel beter kan". Dat 'veel beter' heeft Kuitert nu laten vallen. Terecht, denk ik. Ik althans heb nooit getwijfeld aan de deskundigheid van de politiekof maatschappij-betrokkenen in de kerk. Ere wie ere toekomt. Dat vergemakkelijkt het gesprek.
5. Bezonnen en evenwichtig vind ik verder de manier waarop Kuitert over de verhouding tussen joden en christenen schrijft. Het paragraafje waaronder dat met name gebeurt heet heel ter zake 'De controverse over de WEG'. Het christelijk geloof is ontstaan uit een kontroverse over de weg naar God en zijn heil, de kontroverse met het jodendom. Van hieruit wordt - en dat is opnieuw zeer onmodieus - het algemeen gangbare spraakgebruik van 'de joods-christelijke traditie' gewogen en te licht bevonden, vooral omdat het het verschil tussen die twee, joods en christelijk, teveel bagatelliseert.
En een hiermee samenhangend bezwaar: christenen gaan door van een joods-christelijke traditie te spreken doen alsof ze ook joden zijn.
Kuitert vindt dat voor beide partijen niet goed. Is hij dan zo kontroversegezind naar de joden toe? Volstrekt niet! Hij spreekt met respekt over hen en belijdt royaal schuld over de misdragingen van christelijke zijde ten opzichte van hen, de hele geschiedenis door. Maar omdat Kuitert zo gegrepen is door de kern van de christelijke boodschap (die inderdaad totaal anders is dan die van de synagoge) kan hij om dat geschil over de WEG eenvoudig niet heen. Dat is weer zijn realiteitszin waarover ik het in het begin had. Zijn gelovige realiteitszin. Ik wil van hieruit dan ook iets waarschuwends zeggen tegen mijn orthodoxe medegelovigen. Wie Kuitert wil verstaan moet onthouden dat hij met een bewust- en diep-gelovig christen te maken heeft. Je verwondt en beschadigt hem wanneer je dat vanwege diepgaande verschillen met hem in twijfel trekt. Bestrijding is best maar mag niet in teistering ontaarden.
Waarom merk ik dat in dit verband op?
Wel, het zijn niet alleen de joden tegenover wie wij christenen ons zijn komen te misgaan, ook medechristenen hebben wel eens recht op onze verontschuldiging. Ons uitputten in exkuses naar de joden toe dient dan ook gepaard te gaan met een toenemende voorzichtigheid in de bejegening van elkaar. Anders mist dat eerste elke geloofwaardigheid. Maar ach, ik moest deze dingen maar niet enkel tegen mijn orthodoxe mede-gelovigen zeggen. We kunnen er allemaal wel wat van. Nog steeds over de verhouding tussen joden en christenen sprekende moet ik eerlijkheidshalve ook vermelden dat Kuitert de verwantschap tussen beide ook weer zo groot acht "dat de christelijke kerken terecht het begrip 'missie' of 'zending' niet (meer) op de joodse gemeenschap durven toe te passen" (p. 290). Helemaal rijmen met het voorgaande kan ik dat niet. Ik heb zelf ook zo mijn vragen bij zending onder de joden maar toch niet om deze reden. (Ik heb daarover eerder in ons blad geschreven en laat het daar nu bij.) De herkenning is er echter weer helemaal wanneer je merkt hoe fijn Kuitert het Oude Testament bij de christelijke boodschap betrekt (bijvoorbeeld met het lange citaat van Jesaja 53 op p. 145/6) en bepaald niet van zins is om ten gerieve van een joodsgezinde theologie van dit eerste deel van de Schrift afstand te doen. Zonder het gemeenschappelijke bezit ervan zou er trouwens van een kontroverse tussen kerk en synagoge niet eens sprake (kunnen) zijn.
6. Mooi en essentieel is ook wat Kuitert op p. 118 schrijft. We zitten daar in het paragraafje 'Het Christendom als genade religie' en lezen: "Ik denk dat de bijdrage van het Christendom aan de cultuur primair ligt in datgene wat ik hier bespreek, dus in wat het juist zijn slechte naam heeft bezorgd: het zou met zonde en genade de vitale vreugde van het bestaan hebben bedorven.
Daar is iets van waar, althans in zoverre de vitale vreugde van ritsloze nummers droomt en van een leven dat niet gehinderd wordt door verantwoordelijkheden, wetten en bezwaren. Maar dat leven bestaat niet en heeft nooit bestaan. De christelijke visie op mens en cultuur bederft de levenslust dan ook niet, maar scheept ons op met een gezonde argwaan tegenover alle gratis geleverde blauwdrukken van een geheelde wereld". En even verder zegt hij van de genade: "Wie daar blij mee zijn, zijn de mensen die eraan toe zijn. De anderen - dat lijkt mij niet zo vreemdblijven er hun leven lang tegen aan hikken. Dat zegt niets over waar of onwaar van dit stuk van de traditie, het zegt alleen dat de traditie' (waartoe Kuitert ook de bijbel rekent) ook weerbarstige elementen heeft die zich soms voor niets anders lenen dan voor overdenking".
Duidelijk blijkt hier Kuiterts vermogen om zich in de buitenstaander te verplaatsen. Een woord als 'opschepen' en een zinnetje als "dat lijkt me niet zo vreemd" wijzen daarop. Ook het "daar is iets van waar" getuigt van een tegemoetkomende houding. Maar deze buitenstaander spreekt hij dan toch niet naar de mond, integendeel, hij slijt hem onverkort zijn christelijke waar. Wel vraag ik me af of je de mensen, als het over de kern van het evangelie gaat, afdoende kunt verdelen in blijen en aanhikkers. Zijn er daarnaast toch ook niet degenen die juist tegen de genade in een venijnig verzet gaan? Iemand als Maarten 't Hart van wie bekend is dat hij de boodschap van het verzoenend sterven van Christus afdoet als 'flauwe kul', gun ik het eigenlijk niet dat hij de enige keer dat hij in Kuiterts boek genoemd wordt het predikaat van een 'goede Gereformeerde jongen' meekrijgt - al wil ik dat voor het verband waarin het gezegd wordt (p. 294) niet eens ontkennen. Is dit niet tè vriendelijk?
Jezus wordt toch ook gehaat, en dat zonder oorzaak, zoals we volgens Johannes 15:25 zelfs tot in het Oude Testament toe al kunnen lezen? Door het verwaarlozen van dit aspekt (niet alleen hier) is mij Kuiterts boek wel eens wat te mak. Het is goed te proberen het christelijk geloof aannemelijk te maken en het goed recht ervan te verdedigen.
Dat is Kuitert wel toevertrouwd.
Het is zijn kracht, maar is het niet tegelijk hier en daar zijn zwakheid?
7. In de paragraaf 'Het gericht als afrekening', bij het hoofdstuk over het Laatste Oordeel (lezen!), slaat Kuitert even een interessant zijpad in dat hem brengt op het terrein van de aardse rechtspraak.
Hij schrijft: "Retributie (= vergelding) is een term uit het strafrecht. Ik gebruik haar met opzet. Ons rechtvaardigheidsgevoel kan er niet zonder, ook dat zit er diep bij ons in. Daarom is de discussie over vergelding in het strafrecht ook nooit afgelopen. Er pleit veel voor vergeven in plaats van vergelden, zeker als de idee van vergelding geïnspireerd wordt door gevoelens van wraak. Maar zonder vergelding, hetzij hier hetzij in het hiernamaals, kunnen wij niet leven" (p. 174). Voor wie weet dat Kuitert met Luther de leer van de twee rijken verdedigt (p. 233, maar ook in zijn boek over de politiek al) verrast dit standpunt niet. Ik val het van harte bij. Ik meen wel eens iets van de rechtsfilosofische studies van de hoogleraar Bianci van de VU gelezen te hebben en als ik dat toen goed begrepen heb worden diens opvattingen hier bestreden. En wel heel gelukkig vanuit de samenhang tussen het goddelijke en het menselijke gericht.
Ik hoop dat Kuitert er navolging mee vindt. Dat zou op de duur aan het gevaarlijke gevoel van ontevredenheid over de rechtspraak in ons land (er wordt te licht gestraft) een einde kunnen maken. We zouden immers nog wat gaan beleven wanneer alle door de rechter verongelijkte slachtoffers van de misdaad zich eens in een 'vakbond' gingen verenigen om samen een vuist te maken tegen de balie ...
Laten we het niet hopen - voor die balie.
We stoppen nu met ons rijtje al zou er nog wel meer te noemen zijn. Tevens leg ik nu even de draad van deze serie uit handen omdat ik wanneer u dit leest al lang en breed in Bangui aan de evenaar hoop te zitten voor een maand theologisch onderwijs aan de evangelische fakulteit aldaar. Ds.
Smouter uit Rijswijk neemt voor drie nummers voor mij waar. Daarna denk ik nog met een of twee artikelen in te gaan op het laatste hoofdstuk van het boek dat over de Schrift handelt.