Mozes en Jezus Christus (2)

1992-04-24
  • Jaargang 36
  • nummer 9
'Mijn Geliefde'
En dan voegt hij aan die uitspraak "De wet is door Mozes gegeven, de genade - en daarmee het ware - is door Jezus Christus gekomen" nog een tweede toe: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die vlak naast den Vader aanligt, die heeft ons tot Hem geleid".
Als we hier lezen "die vlak naast den Vader aanligt", dan kiest Johannes een aanduiding, ontleend aan de tafelgebruiken van die tijd. Aan een maaItijd zat men toen niet aan, maar lag men aan. En de voornaamste plaats was die naast den gastheer. Johannes kende uit eigen ervaring deze plek.
Hijzelf was namelijk Jezus' lieveling, zo lezen we bij herhaling in dit vierde evangelie. Aan de Paasmaaltijd had hij dan ook déze plaats gekregen (13,23). Nu, zo was Jezus op zijn beurt de lieveling van zijn Vader. En dát wil Johannes hier met deze beeldende uitdrukking zeggen.

God niet zien: Ex. 33
Ik zei dus: aan zijn eerste uitspraak voegt Johannes nog een tweede toe.
En het is duidelijk, dat deze parallel loopt met de eerste. Ook hierin zegt hij eerst iets over Mozes; en daarna iets over Jezus Christus.
"Niemand heeft ooit God gezien": wij zullen wel niet mistasten, als we aannemen, dat Johannes hier gedacht heeft aan de geschiedenis uit het slot van Ex. 33. 5 Voordat Mozes voor de tweede maal de.wet ontving, begeerde hij Gods heerlijkheid te zien, om zeker te zijn, dat God zelf weer mee zou gaan met het volk. Maar, hoewel de Heere een heel eind aan zijn wens tegemoet kwam, kreeg Mozes toch te horen: "Je zult mijn aangezicht niet kunnen zien; want geen mens zal Mij zien en leven"; Niemand zou de aanblik van God overleven. Van God, die N.B. de bron van alle leven is.
Er ligt in deze woorden iets absurds.
lets even ongerijmds als in wat we Paulus horen zeggen in Rom. 7: "de wet die ten leven moest leiden, bleek voor mij ten dode te zijn". Zo ook hier: de aanblik van den God die het Leven is, zou onze dood worden: "in levenden lijve zou 'k in Gods vuur vergaan".
En die twee ongerijmdheden hangen ook inderdaad ten nauwste samen: van beide is onze zonde de oorzaak. Dié deed Gods vriendelijkheid omslaan in toorn; en dié sloeg ons met onmacht de weg tot God te gaan die de wet wees.
Als Mozes vlak voor het ontvangen van de wet hier van den Heere te horen krijgt: "Geen mens zal Mij te zien krijgen", dan is daarmee eigenlijk bij voorbaat het fiasco van die wet bezegeld.
God geeft a.h.W. te kennen: in die wet ligt wel een goede weg uitgestippeld, maar jullie, zondige mensen, zullen dáárlangs Mij toch nooit bereiken.
Tussen jullie en Mij ligt de onoverbrugbare kloof van de zonde.

De Gids ten leven
Onoverbrugbaar? Voor ménsen, ja; maar voor den Heere niet. Hij slaat vanuit de hemel een brug: zijn Zoon.
Zo baant God zélf ons een nieuwe weg, om weer tot Hem te komen.
Daar eindigt Johannes dan ook mee: de eniggeboren Zoon, de lieveling van den Vader, Hij heeft ons tot God geleid.
U leest hier in de NBG: "die heeft (Hem ons) verklaard". Het woord dat Johannes hier gebruikt, kàn inderdaad 'uitleggen' betekenen. Ons woord 'exegese' is ermee verwant. Maar het heeft meer betekenissen, o.a. 'leiden, aanvoeren, gids zijn'. En dat het hier zó bedoeld is, maak ik op uit de samenhang met het vooratqaande. Daar ging het immers over Jezus Christus als het licht; en wel als het licht dat de weg wijst. Nu, op het begrip 'licht' in de functie van 'wegwijzer' sluit het begrip 'gids' voortreffelijk aan. Denkt u maar aan Israëls tocht door de woestijn.
Daar ging de Heere voorop in een vuurkolom. Hij was tegelijk het licht dat de weg wees en degene die de troep aanvoerde.

Ik breng u ook nog eens in herinnering - en nu voluit - de uitspraak van Paulus in Rom. 2, die ik al eerder noemde: door hun wetskennis beschouwen Israëls Schriftgeleerden zich als "een gids voor blinden, een licht voor wie in het donker zitten". Daar hebt u ook die twee begrippen samen: 'licht' en 'gids'.
Als dus Johannes in deze voorrede Jezus eerst als het Licht aan ons heeft voorgesteld, dan blijft hij in de beeldspraak, wanneer hij Hem aan het slot als Leidsman presenteert.

De weg weten en den Vader zien
En het overtuigend bewijs van de juistheid van deze opvatting meen ik in het vervolg van dit evangelie te vinden.
Zopas bij de figuur van Mozes is ons al gebleken, hoe Johannes pas verderop uit de doeken doet, wat hij in zijn voorrede verhuld had aangeduid.
Johannes is ogenschijnlijk moeilijk.
Maar wij moeten vooral d66rlezen; dan worden heel wat dingen duidelijk.
Nu, dan wijs ik u allereerst op hfdst. 14. Jezus is daar bezig aan zijn afscheidsrede tot de discipelen, en zegt dan: "En waar Ik heenga, daarheen weten.jullie de weg" (v. 4). Dan zegt Thomas: "Heer, wij weten nièt, waar U heengaat. Hoe zouden we dan de weg weten?" Waarop Jezus antwoordt: "Ik ben de weg, de echte; ja, het leven.
Niemand komt bij den Vader dan via Mij. Als jullie dus Mij kennen, zul je ook mijn Vader kennen. Heus, jullie kennen Hem van nu af, en hebben Hem gezien". Ook daar wordt dus het zien van God in verband gebracht met Jezus als degene die ons leidt langs de weg tot den Vader.

Licht en Leidsman
En dan kom ik ook nog eens terug op hfdst. 9. We zagen, hoe Jezus, als Hij zich opmaakt een blinde het licht in de ogen te geven, zich uitdrukkelijk aandient als 'het Licht der wereld'. Na die genezing ontspint zich een felle discussie met de Farizeeërs, die tegen den genezen man hebben gezegd: "Wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft. Maar waar die Jezus vandaan komt, dat weten we niet" (vv. 28.29).
De discussie gaat over geestelijke blindheid, over gemis aan geestelijk licht bij de Farizeeërs, die nu juist door hun wetskennis dat licht in pacht meenden te hebben (vv. 40.41). En wat zien we dan gebeuren? Zonder enige onderbreking zet Jezus déze discussie voort (in hfdst. 10) met erop te wijzen, dat Hij - in tegenstelling tot de Farizeeërs - de goede Herder is, die zijn schapen naar het leven leidt. Naadloos laat Hij zijn pretentie, dat Hij de Herder, de Leidsman ten leven is, aansluiten op zijn pretentie, dat Hij het Licht der wereld is.

Herder/Deur en Gids/Weg
En juist zoals Hij zich in hfdst. 10 behalve Herder, die de schapen leidt, ook de Deur noemt, waar de schapen door naar binnen moeten (v. 7), zo noemt Hij zich behalve Gids, die ons de weg wijst, ook de Weg, waar wij overheen moeten. Want Hij dempt de kloof van de zonde met zichzelf. Wij komen - met eerbied gesproken - niet anders dan over zijn lijk weer bij God.

Worden als een kind
Mozes wees ons een weg tot God, tot den God van het leven. Een goede weg; maar een die wij niet konden gaan.
Jezus neemt ons bij de hand, en zegt: "Ik breng je er wei". Hij duwt ons geen zaklantaarn in de hand; en niet een gedétailleerde stafkaart, zoals de Farizeeërs deden, een uitgewerkt patroon van geboden. Nee, Hij gaat zelf mee, een levende Gids. Ja, Hij zegt: "En als je dan niet lopen kunt, dan draag Ik je". De goede Herder brengt het verdwaalde schaap in zijn armen naar de veilige kooi.
Zo kinderlijk simpel is dit diepzinnig evangelie.

Noot: 5 Ik wijs hier opnieuw op wat ik in de voorvorige noot aanhaalde van Barrelt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief