Kerk en Israël

1992-05-08
  • Jaargang 36
  • nummer 10
Over de verhouding tussen Kerk en Israël is in de loop van de tijd zeer veel te doen geweest.
Wie kijkt naar de nog steeds voortdurende stroom publikaties zal tot de konklusie komen dat de vragen rond dit thema kennelijk nog niet naar ieders tevredenheid definitief zijn opgelost.
Ook in 'Opbouw' is een en andermaal over dit thema geschreven. Het zal de aandachtige lezer(es) gebleken zijn dat ook in onze kerkelijke kring op dit punt niet eenduidig geoordeeld wordt. De vraag, die voor menig lezer speelt is de vraag: Maar hoe komt men nu tot deze standpunten? Als men eenmaal goed in het onderwerp ingevoerd is, kan men vaak snel de diverse 'frontlijnen' in de diskussie herkennen. De vraagis alleen: waar zitten de poorten, die toegang geven tot het hele diskussie-terrein aangaande Kerk en Israël?
En ook: waar vinden de diverse opvattingen hun vertrekpunt?
Bij die vraag aangekomen heb ik zelf - al geruime tijd geleden - de mederedakteuren van 'Opbouw' willen overhalen om eens de verschillendestandpunten 'aan het woord te laten komen'. Om die reden ben ik naar twee predikanten die nog in aktieve dienst zijn gegaan en heb ik ook twee emeriti aangaande hun Israël-beschouwing geïnterviewd. Een weergave van die vier gesprekken treft u hieronder aan. Een paar dingen moet ik daar echter nog over vertellen.

Allereerst had elk gesprek zijn eigen toonzetting en eigen kleur. Ik heb zoveel mogelijk de persoon in kwestie aan het woord gelaten, maar wel eens wat al te gewone 'spreektaal' in 'schrijftaal' omgezet.
Waar Bijbelteksten (soms losjes) werden geciteerd, heb ik die meestal precies geciteerd en van tekstverwijzing voorzien.
Ten tweede moet worden vermeld dat menig gesprek langer was dan hier is aangegeven. Er was dus 'meer', dat om des tijds wille hier onvermeld is gebleven.
Ik heb zoveel mogelijk geprobeerd ieder min-of-meer dezelfde vragen te stellen; dat moest echter geen ijzeren wet of een juk worden. Iedere geïnterviewde was als een hond aan een lange lijn! Bij ieder probeerde ik ook even kritisch te zijn, zonder de gedachtengangen af te willen kappen, overigens.
In de derde plaats waren allen het erover eens dat het een belangrijk thema was, dat voor allen van 'existentieel' belang was. Tegelijk was men het er over en weer mee eens dat hier niet de grenzen liggen van wie Christen mag heten en wie geen kind van God is ...

De volgorde van de gedeelten is willekeurig.
Ik zal de lezer niet het onrecht doen precies te vertellen wat hij/zij precies eruit moet oppikken. Dat kunt·u voor uzelf bekijken. Wel is het goed te zeggen dat - op hoofdlijnen - er twee hoofdstandpunten zijn, die beide (en zo was het ook bedoeld) twee aanhangers hebben. Tussen de aan elkaar verwante standpunten bestaan echter verschillen, soms ondergeschikt, soms toch wel wat meer dan dat. Het is aan u om de hoofdlijnen en de andere punten voor uzelf op een rij te zetten.

Tenslotte, 't is de bedoeling van deze serie om 'licht te verspreiden' en niet om 'hitte te genereren'. Het is erg ambitieus om te menen dat dit de serie is die verdere gesprekken volledig overbodig zal maken! Dat zal stellig niet het geval zijn. Toch zou ik me voor mijn inspanningen (die meer waren dan ik had voorzien!) beloond voelen, als er jonge mensen of oudere mensen zouden zijn, die zeggen: 'He, nu begint het me een beetje te dagen!' Ik hoop dat er dezulken zullen zijn. Mijn dank aan de betrokkenen en aan dhr. Van Vondel uit Veenendaal.

Ds. W.G.Visser

U bent altijd erg betrokken geweest bij het onderwerp 'Kerk en Israël'. Kunt u zeggen waardoor dat komt?
Mijn specifieke interesse is feitelijk begonnen, toen ik zo'n dertig jaar geleden een uitnodiging kreeg van de gemeente van Alphen aan de Rijn om over dit onderwerp te spreken; dat heeft me toen zeer geboeid en die interesse is daarna nooit meer weggegaan, temeer toen ik merkte dat ideeën de overhand kregen dat Israël toch nog wel een heel bijzondere positie heeft in het heilsplan van God, met alle konsekwenties, die daaraan verbonden zijn, Barthiaanse invloeden, 'Kerk en Wereld', Judaïstische tendenzen. Ik vind die hele ontwikkeling bedenkelijk! Die invloed vinden we stellig in onze kerken ook, maar daarbuiten in nog veel sterkere mate.

Hoe ziet u de relatie tussen Israël en Kerk?
Ik zie de Kerk als 'Israël' en wat men tegenwoordig 'Israël' noemt als het Jodendom. Naar mijn opvatting staan die twee begrippen in de Schrift lijnrecht tegenover elkaar. In de Schrift is 'Israël' de nieuwtestamentische Gemeente.
Het is 'het zaad van Abraham'; in de nieuwtestamentische periode bestaat nog een overgangspositie; daarin bestaat het volk nog als een zelfstandige grootheid, tot het jaar 70.
Dat wordt ook nog steeds 'Israël' genoemd; tegelijkertijd wordt erbij gezegd dat 'het ware Israël' nu bestaat in degenen die de Here Jezus als Messias hebben aanvaard. Persoonlijk spreek ik liever niet over 'Israël' als het 'nageslacht' van Abraham, want het gaat niet om Abrahams nageslacht, maar om het zaad van Abraham en dat is heel iets anders! De term 'Zaad van Abraham' verwijst niet naar lichamelijke, biologische verwantschap met Abraham, maar naar een geloofsgemeenschap met hem. Uit Abraham is, lichamelijk gezien, een aantal gemeenschappen voortgekomen; er is een Ezau-gemeenschap en er is een Israël- gemeenschap, maar die zijn geen 'zaad' van Abraham. Anderzijds zijn er tal van mensen, die geen nakomelingen van Abraham zijn, maar die wel 'zaad' van Abraham zijn. Dat 'zaad' is het Volk van de Belofte. Dat onderscheid tussen 'zaad' en 'nageslacht' kan men in de hele Bijbel aantreffen, direkt al in Genesis drie: 'Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad.' Dat 'uw zaad' verwijst uiteraard niet naar nakomelingschap, jonge slangetjes of iets dergelijks; het is de gemeenschap die partij kiest. Als het in de Bijbel over 'het menselijk zaad' gaat, is dat de geloofsgemeenschap. Heel sterk komt dat uit in Galaten drie: Uit Abraham zijn heel wat gemeenschappen voortgekomen, maar er is slechts een 'zaad' uit hem voortgekomen. Niet 'zaden' in het meervoud. Dat ene zaad is 'Christus' en dat betekent daar de 'gemeenschap van Christus', want, staat er aan het eind van dat hoofdstuk 'Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham en krachtens de belofte erfgenamen.' (vs.29)

Kan men zeggen dat vanaf het begin van de Bijbel het woord 'Israël' in die zin wordt gebruikt, als de gemeenschap van hen die God toebehoren? Of heeft die naam Israël in de Bijbel zelf al heel verschillende betekenissen?
Het is in de Bijbel heel gewoon dat de naam van een persoon de naam van een volk wordt. 'Moab' en 'Ammon' zijn ook de Moabieten en de Am-monieten.
In de Bijbel worden de namen 'Jakob' en 'Israël' vaak door elkaar gebruikt. .
Bij ons is dat meestal niet; als we de naam 'Israël' horen, denken wij meestal niet aan de persoon, maar aan het volk. En als wij over 'Jakob' horen, denken we niet aan het volk, maar aan de persoon. In de Bijbel is dat onderscheid helemaal niet zo aan de orde.
Dat gebruik van de naam moet je daarom op elke plaats opnieuw goed bekijken: wat wordt er hier precies mee bedoeld?

In de Bijbel is er toch wel een verschuiving zichtbaar, dat 'Israël' al typisch gaat betekenen 'het gelovige Israël', terwijl 'Jakob' aanduidt de man die het zelf wil doen. 'Israël', het gelovige volk, wordt ook wel Sion genoemd. Professor Noortzij, die hier al lange tijd geleden over schreef, in de Korte Verklaring, wijst op een vers in 2 Kronieken 24, waar Joas boden uitstuurt 'naar de steden van Juda' om 'uit geheel Israël' geld in te zamelen om het huis van God te herstellen. (vers 5) Dat is dus tweeeriei lijn: 'gans Israël' is te vinden in de steden van Juda, maar ook gaat het daarbij kennelijk niet om allen die daar woonden, maar om het gedeelte, dat graag wil bijdragen.
Dat is 'Israël'! Dat komt vooral in de chronologisch latere boeken van het Oude Testament, zoals Kronieken, Ezra en Nehemia, steeds duidelijker aan het licht.
Even nog terug naar definities. De term 'Joden' betekent in de Bijbel ook niet altijd hetzelfde, meen ik. Wat verstaat u onder die term?
De naam 'Joden' komt pas op na de Babylonische Ballingschap. Voor die tijd horen we over de diverse stammen.
Als we na de Ballingschap het woord 'Joden' zien opduiken, zijn dat de Judeeers.
Na de Ballingschap vormt het volk van de stam Juda de hoofdmoot van hen die naar het Land terugkeren.
Dan komt de naam 'Joden' langzamerhand in gebruik. Het typeert dus het overblijfsel van het volk dat na de Ballingschap is te-ruggekeerd.
Vooral in het Evangelie van Johannes komt het woord echter ook heel sterk voor in de zin van 'de leiders van het Joodse volk'.

In de Brief aan de Thessalonicenzen wordt gesproken over 'de Joden', die Gods toorn volmaken tot het einde.
Gaat het daar om het volk of om de leiders of om nog een andere aanduiding?
Die tekst heeft een nogal belangrijke rol gespeeld in de Christelijke visie op het Joodse volk.
Naar mijn mening doelt Paulus in die Brief op het Joodse volk en heeft hij de aanstaande ondergang van Jeruzalem en het hele volk op het oog.
De toorn van God die 'tot het einde komt' wil zeggen 'tot het einde van Israëls bestaan als zelfstandig volk'.

Maar nu heeft in deze eeuw dat zelfstandige bestaan als volk weer een herstel gekregen. Heeft de stichting van de Staat Israël voor uw be-schouwing van dit alles een grote rol gespeeld?
Nee, helemaal niet. Ik zie steeds sterker dat hier mensen een poging doen om de profetie te realiseren. Dat zou dus meer een aktiviteit van 'Jakob' zijn dan van 'Israël' ... Jakob is een man die meent dat hij er zelf voor moet zorgen dat alles op zijn pootjes terecht komt, terwijl Israël de man is die zich hopeloos voelt en zich daarom aan Gods genade overgeeft: 'Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.' Hoe langer hoe meer ga ik bij de Staat Israël echter zien dat het hier gaat om de aktiviteit van mensen! Herhaaldelijk wordt gezegd:' God is bezig zijn verstrooide Volk bijeen te zamelen.' Daar zie ik echter persoonlijk niets van! Ik geloof dat het precies het tegenovergetelde is ... Als er bij de profeten gesproken wordt over de 'verzameling' van Israël uit alle streken van het land en de terugkeer naar het Land, is dat nooit een ethnologische gebeuren. Het is ook niet zo dat het land Kanaan zo bijzonder belangrijk is. Het gaat om de gemeenschap met God! Terugkeer naar het Land wil zeggen: terugkeer naar het Land waar de Here nog altijd wil wonen. Daar draait het om. En dat is momenteel totaal niet aan de orde! Tegenwoordig wordt steeds gedaan, alsof dat Land zo verschrikkelijk belangrijk is. Als de Here in de woestijn tegen Mozes zegt'lk zal een Engel voor uw aangezicht zenden', maar Zelf niet meer mee wil gaan, is Mozes' antwoord:'lndien Gij Zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken.'(Exodus 33:3,14)

Toch staat er dat Gods genadegaven 'onberouwelijk' zijn en dat Israël het Land zal bezitten van de Beek van Egypte tot de Grote Rivier, de Eufraat.
Vindt u dat u daar zomaar aan voorbij kan gaan?
Ik vind dat mensen van die belofte misbruik maken. Het Land Kanaan is de afschaduwing van het bezit van de hele aarde. Voor Israël geldt de belofte van het landbezit, voor de nieuwtestamentische tijd geldt het bezit van de hele aarde; de zachtmoedigen zullen de hele aard beerven.
Heel de geschiedenis van Israël is voorafschaduwend. De verovering van Kanaan en de 'ban' die over de volkeren uitgesproken wordt is het voorbeeld van het jongste gericht, als de ongelovigen van de aarde zullen worden verdreven. De kinderen van God zullen de aarde in bezit nemen. Dan is het hele doen van God radikaal het tegenovergestelde van wat nu gebeurt.
God zegt altijd weer: Denk erom, jullie mogen niet op wapens vertrouwen. Hij laat Jericho verwoest liggen, want je moet niet op een sterke vestingsstad vertrouwen, je moet je vertrouwen stellen op de Here! Wat er op het ogenblik gebeurt kan zo een typering van Jesaja 30 vers 15zijn:'Want zo zegt de HERE, de Heilige Israëls: Door bekering en rust zoudt gij verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn - maar gij hebt niet gewild. Gij hebt gezegd: Neen, op paarden zullen wij voortvliegen; daarom zult gij vlieden; en: Op snelle rossen zullen wij rijden; daarom zullen uw achtervolgers snel zijn.' Dat is helemaal de houding van de huidige Staat Israël: Wij moeten het hebben van de paarden, van de oorlogsmacht.
Dat zullen wij doen en niemand krijgt ons hier vandaan. 'Massada valt geen tweede keer!'

Uw visie op de Staat Israël komt verrassend dicht in de buurt van die van een aantal Chassidische Joden, die ook zeggen: Alleen de Messias kan het doen! Is dat juist gezien?
Ik voel me inderdaad meer verbonden aan die Joden, die zeggen: de Staat Israël is mensenwerk. Op een bijeenkomst over Kerk en Israël, waar ik dat een keer zo stelde, merkte mijn (Christelijke) gesprekspartner prompt verontwaardigd op:'Het is goddeloos om dat te zeggen!' Ik kan het daarom. ook volstrekt niet eens zijn met een groot deel van de Evangelischen, die zo op 'Israël' gespitst zijn. In de Profeten komt steeds de teneur voor:'God zal zich bewaren een hulpeloos volk.' Het moet leren op Hem te vertrouwen. De terugkeer naar het Land is een terugkeer naar de Here. Dat staat altijd samen!

Het is heel curieus dat u enerzijds zeer geinteresseerd bent in het Hebreeuws, Joodse exegese en de Joodse cultuur, etc. en anderzijds zo principieel zegt: Daar verwacht ik het heil niet van. Hebt u altijd interesse in Hebreeuws en Judaica gehad?
Mijn interesse is niet zozeer naar de Joodse cultuur uitgegaan, maar wel naar het Hebreeuws, omdat dat Gods Woord is. We kunnen het Nieuwe Verbond niet verstaan zonder een grondige kennis van het Oude Verbond.
Voorzover Joodse literatuur helpen kan om het Oude Verbond te verstaan ben ik daar dus ook in geinteresseerd. Mijn interesse in de Joodse cultuur als zodanig is minder aanwezig.

Vindt u dat Joodse exegese ons veel kan helpen? Er wordt nogal eens gezegd: Wil je de boodschap van het Oude Testament begrijpen, dan moet je de Joodse exegese raadplegen. Ik denk dat u het daarmee niets eens bent.
Nee, volstrekt niet! Wat is trouwens 'Joodse exegese'? Ik heb een paar jaar geleden een Joodse rabbi horen spreken over 'Joodse Bijbelverta-ling', niet over 'exegese' dus. Hij zei:'We moeten het Hebreeuws zo vertalen dat het voor de mensen van tegenwoordig direkt verstaanbaar is. Dat betekent dat we een tekst als 'Je zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder' moeten vertalen als:'Je mag geen melk- en vleesspijzen vermengen". Dat was dus geen exegese, maar vertaling!
Dat element vind ik bij de Joodse exegese heel sterk aanwezig. (hierna volgde een uiterst boeiende uiteenzetting van Ds.V's eigen lezen van die teksten.)

Hebt u altijd uw huidige visie op 'Kerk en Israël' gehad of zit er in uw denken een bepaalde 'knik'?
Nee, ik heb altijd deze opvatting over Kerk en Israël gehuldigd, behalve mijn visie op Romeinen 11. Daarin heb ik vroeger kritieklozer dan nu de visie van professor Greydanus gevolgd, dat aan het einde der dagen er nog een massabekering van Joden zou plaatsvinden.
Dat heeft niets te maken met de terugkeer naar het Land en ook niet met een 'volksbekering' , overigens. Greydanus zegt Alle eeuwen door zullen Joden zich tot Christus bekeren, maar tegen het einde der dagen zal dat een grote massa worden. (Greydanus. Kommentaar op het Nieuwe Tes-tament. VUl.
Romeinen 9-16.) Daarbij had ik me wel aangesloten, maar dat hield, zoals gezegd, niets in met betreking tot een terugkeer van het volk Israël, of de positie van Israël als zodanig, etc. Het zegt alleen maar iets over de ontferming van God, die rijker zal blijven dan wij denken. Op dat punt ben ik echter, sinds dertig jaar, anders gaan denken.

Kun je zeggen dat uw standpunt zo'n dertig jaar geleden gemeengoed was in praktisch de hele Gereformeerde wereld?
In ieder geval was dat tot de oorlog het geval. Naar ik meen, is mijn opvatting minder aangetast dan sommige andere op het gereformeerde erf.

Waar ligt bij u nu de diepste reden om deze visie aan te hangen? Op welke uitleg van welke teksten, welke kerngedachte of wat ook stoelt die opvatting uiteindelijk? Zijn er 'cruciale teksten of overwegingen?
Als we bekijken hoe de beloften uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament worden opgevat, dan blijkt dat het altijd gaat om een belofte voor een veel verder gebied: Israël plus de toegevoegde andere volkeren. Dat vinden we zo bij Jesaja:'Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volkeren.' (Jesaja 49:6) Vooral ook een tekst in Handelingen 15 vind ik in dit verband heel be-Iangrijk:het herstel van 'de vervallen hut van David' (vers 16) bestaat daarin dat Israël veel groter wordt dan het vroeger ooit geweest is!
'Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet.'(vs.16 en 17) AI die volkeren komen er nu bij en kijk eens, hoe groot nu die 'hut van David' wordt; dat wordt een machtig paleis. Dat zegt nota bene Jakobus, die onder de apostelen geldt als de meest 'joodsgeorienteerde' !

Dus Handelingen 15 is voor u doorslaggevend?
Het gaat me niet zozeer om de inhoud van Handelingen 15 alleen, maar veeleer om de hele wijze waarop de b910ften die in het Oude Testament aan Israël gegeven worden, altijd in het Nieuwe Testament boven een gewone, aardse, werkelijkheid worden uitgetild.
Als er gesproken wordt over een terugkeer van Israël, gaat het nooit alleen om de terugkeer naar het Land. Dan is daarin een perspektief van ontzaglijke wijdte!
Laten we kijken naar de profetieen van Hosea:'Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt Gij zijt mijn volk niet - zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God.'(1:10) Zie wat Paulus, dit citerend, zegt'Gij, die vroeger heidenen waart naar het vleesO,uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld (zijt) thans in Christus Jezus 0 dichtbij gekomen door het bloed van Christus.' (Efeziers 2:12,13)"Mijn volk' omvat dus die volkeren! De hele heilshistorie heeft de vorm van een zandloper. Het begint wereldwijd: Aan Adam wordt een talrijk nageslacht en een landbezit beloofd.
Dat wordt totaal verzondigd, maar na Noach maakt God een nieuw begin en komt precies diezelfde belofte weer terug: landbezit en talrijk nageslacht.
Maar dat wordt ook weer verzondigd en dan gaat God een heel andere methode toepassen: dan gaat hij aan een groepje mensen al zijn aandacht besteden en dan komt Abraham en die krijgt weer precies diezelfde belofte, die Adamitisch is en Noachitisch! Maar dat komt tenslotte allemaal uit in Christus en die zandloper, die wereld-wijd begint en dan bij Christus uitkomt, waar de tegenbeweging start: Van Christus gaat nu alles uit en komt weer het talrijke nageslacht -de 'schare die niemand tellen kan' en het landbezit- 'ze zullen de aarde beërven' - in het vizier!

U zegt met zoveel woorden: deze opvatting tref ik overal aan; er is geen plekje in de Bijbel waar ik die niet zie!
Maar soms hebben mensen erg veel moeite om zich hoe dan ook een 'Israëlbeschouwing' eigen te maken. Kunt u dan zeggen: begin eens bij die of die tekst? Wellicht is dat een deur die toegang geeft tot het landschap, dat ik schets. Alle beloften zijn gesproken met het oog op Christus! In Jesaja blijkt dat heel duidelijk: uit de 'afgehouwen tronk van Isai zal een rijsje voortkomen', de geboorte van Immanuel. Bij Ezechiel lees je:'mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden'.
(vgl.34:23,24; 37:24,25) Het gaat steeds om de komende Christus!
We zien dat al bij Abraham. In de belofte wordt niet slechts gezegd:'ln u zullen alle geslachten gezegend worden' (Genesis 12:3), maar ook 'in uw zaad zullen alle geslachten gezegend worden'(Genesis 22:18)! Dat wordt ook gezegd ten aanzien van Izaak (Genesis 26:4) en Jakob (Genesis 28:14). Het gaat dus om Christus. We lezen niet over David als heilsbrenger, maar 'uw zoon, die op uw troon zal zitten, die zal ik bevestigen tot in lengte van dagen.' Jezus krijgt de troon van zijn vader David en alle beloften zijn gesproken over Christus. Israël is een eenheid in Hem! Daarom kan men ook allerlei teksten, zonder meer op Hem toepassen, waarvan wij ons Wellicht afvragen: hebben de profeten of de psalmisten nu met het oog op Christus gesproken?
Dat hebben ze vermoedetijk niet, maar het is de eenheid! Israël denkt niet individualistisch; het is een volk en dat volk heeft een kern; het is aanvankelijk het zaad van Abraham en dat plant zich voort, niet via Ismael, maar via Izaak.
En later plant het zich voort via Jakob en niet via Ezau. In de naam is al opgesloten dat dat volk een eenheid is in een persoon. En die persoon is de Christus; alle beloften van het Oude Testament vinden hun vervulling in Christus.

Als u uw visie op Israël vergelijkt met die van Evangelischen c.q. Chiliasten, ligt het verschil dan op het vlak van de exegese of dat van de hermeneutiek of nog ergens anders? I Het ligt op het vlak van een totaalbeschouwing.
Ik meen dat deze visie de Bijbel als een eenheid beziet; Chiliastische visies ervaar ik toch als 'een greep hier en een greep daar' van losse teksten, die nog vaak zeer eenzijdig zijn uitgelegd ook ...Vaak ook op een onmogelijke manier uitgelegd, zelfs.
Onlangs hoorde ik iemand op de E.O.
spreken over het herstel van de Tempel in Jeruzalem, met inbegrip van alle offerdiensten, waarbij hij - wijselijkhet schuld- en zondoffer erbuiten liet.
Maar bij Ezechiel worden die in een -adern genoemd met alle andere offers; daar komen net zo goed het schuld- en het zondoffer weer te voorschijn. Dan denk ik: dat kan gewoon niet waar zijn!

Uw visie op Israël en Kerk hangt bijna zeker samen met een bepaalde opvatting betreffende de Eindtijd. Hoe definieert u het begrip 'Eindtijd'?
De 'eindtijd' is de tijd waarin we nu leven. In de Chiliastische opvatting kan men nooit reeel verwachten:'Christus komt vandaag' of het moet dan een onzichtbare komst inhouden, waarbij eerst alle gelovigen weggenomen worden en alleen Israël met de heidenen op aarde achterblijft. We moeten echter elke dag leven met de verwachting dat Hij komen kan! We horen niet te zeggen: eerst moet dit nog gebeuren of: eerst verwachten we nog die gebeurtenis!

Maar wordt in Mattheus 24 of Markus 13 niet heel duidelijk gezegd dat veel van de daar genoemde dingen nog moeten gebeuren?
Tot voor kort meende ik dat in Mattheus 24 de Val van Jeruzalem in het jaar 70 en de Jongste Dag min-of-meer in elkaar werden geschoven; het ene moment spreekt Christus over de Jongste Dag en dan weer over de Val van Jeruzalem.
In 'Opbouw' heeft dr.Holwerda echter uitvoerig betoogd dat de hele passage over de Val van Jeruzalem gaat. De uitspraken over 'de Eindtijd' komen dan al tot hun vervulling in het jaar 70 van onze jaartelling! Het is wat ingewikkeld om het hele argument hier kort weer te geven, maar als ik wat zaken noemen mag: Als het anders is, lijkt Jezus in de rede over de laatste dingen 'van de hak op de tak te springen!
Hij heeft Jeruzalem verlaten en de discipelen hebben gemerkt dat dat een definitief afscheid is. Ze vragen Hem: Ziet U niet al deze gebouwen? Hij antwoordt hun:'Er zal geen steen op de andere gelaten worden.' Dan vragen ze: 'Wanneer zal dat zijn en wat is het teken van Uw komst?' Gaat dan over het einde van de wereld. De verwoesting staat voorop, maar deze gebeurtenissen worden opeens verbonden met het eind van de wereld. (Nu moeten we met dat woord 'wereld' heel voorzichtig zijn; in Mattheus worden in het Grieks drie verschillende woorden aangetroffen.
De discipelen vragen naar de verwoesting van de Tempel; wanneer zal dat gebeuren? Ze zien dat dat een werk van Jezus is: als de ondergang over Jeruzalem komt, komt Hij met zijn verbondsoordeel.
Waaraan kunnen we nu zeker weten dat U dat doet en dat het niet maar een kwestie van mensenwerk is, de aktiviteit van Romeinen? Daarom vragen ze naar 'het' teken van uw komst? Daarvan is later vaak gemaakt dat het zou gaan om 'de tekenen der tijden', die allemaal moeten gebeuren voordat Hij zal komen. De discipelen vragen echter niet naar tekenender tijden, maar naar het teken (enkelvoud!) Daarover wordt in de rest van Mattheus 24 ook uitdrukkelijk gesproken.
Dan zal 'het teken van de Zoon des Mensen gezien worden'.

Maar staat er niet dat dan de Zoon des Mensen zal terugkomen? En dat is in het jaar 70 niet gebeurd ...
Maar een of twee keer wordt in de Bijbel gesproken over 'terugkomen'; het gaat altijd over het 'komen'! Dat is een belangrijk verschil, want dat 'komen' is een permanente handeling. Het gasat niet om een ogenblik aan het eind der tijden; nee, Hij is de Komende. 'Hij die is en Die was en Die komt!' Hoevaak lezen we niet in de brieven in het boek Openbaring:'Als je je niet bekeert, dan kom Ik. Dat wil niet zeggen dat Christus dan terugkomt, maar dat Hij dan ingrijpt.
'Als je je niet bekeert, kom Ik en neem Ik de kandelaar weg:, zegt Hij tegen de gemeente in Efeze. Dat is geen uitspraak over de Eindtijd, dat is een bedreiging die heel reeel is in die tijd.
Tegen de gemeente van Filadelfia zegt Hij:'lk kom spoedig. Houdt vast wat ge hebt.' Er komt een oordeel over de aarde en iedere keer gaat het over het ingrijpen van Jezus, in de historie.

Als u dat heel Mattheus 24 toegespitst ziet op de Val van Jeruzalem, zit u niet met het hete hangijzer, dat Christus zegt dat 'dit geslacht niet zal zijn voorbijgegaan' voordat deze dingen geschieden.
Als dat immers een uitspraak over het Einde zou zijn, is dat gewoon niet gebeurd ... Ook uitspraken over 'de zwangeren en zogenden ' passen dan in dat verband. Maar de vraag is: Wat .
blijft er dan nog te verwachten?
Wat is de relevantie van dat hoofdstuk voor ons die leven na AD 70?
De realiteit van het verbondsoordeel.
Als wij niet gehoorzaam zijn, zal de Here Jezus ons bezoeken. Dat blijkt zo duidelijk in die brieven in Openbaring.
'Ik heb ingegrepen, daar in Jeruzalem, maar als jullie je niet bekeren, grijp Ik ook bij jullie in.' En wat is er van die zeven gemeenten in Klein-Azie overgebleven?
We moeten voortdurend voor ogen hebben: Als wij niet naar de Here Jezus leven, dan komt Hij en brengt Hij verwoesting over Zijn gemeente.
Om op 'tekenen' die nog zouden uitstaan terug te komen, ik zie niet welke tekenen dat zouden moeten zijn. We moeten de tijd van Christus' terugkomst volstrekt openlaten. Christus zegt het heel duidelijk in Handelingen 1 vers 8: Jullie hebben niets te maken met tijden en gelegenheden. Jullie moeten het Evangelie prediken. Wie de prediking van het Evangelie als 'teken' van de Eindtijd ziet, moet beseffen dat in Paulus' dagen dat doel al bereikt was.
Zowel aan de Kolossenzen als aan de Romeinen schrijft hij erover dat het Evangelie gekomen is tot het eind van de wereld. Er staat ook:'Het Evangelie moet gepredikt worden tot het einde van de 'oikoumene'. Dat was het gebied rond de Middellandse Zee. Paulus' verblijf in Spanje is al een 'vervuiling'!
Afsluitend zou ik willen zeggen: Het spreken over 'tekenen der tijden' in verband met de komst van Christus berust m.i. op een misverstand.
Hij komt als een dief in de nacht.


Ds. L.W.G. Blokhuis

Voor zover ik kan nagaan, hebt u een vrij geprononceerde visie op Kerk en Israël. Hoe definieert u het begrip 'Israël'?
Er zijn immers diverse definities denkbaar ...
Met die vraaq zitten we meteen in het probleem. Er is een etnisch en een religieus begrip 'Israël'. In dat laatste geval spreekt men ook van het Jodendom.
Naar mijn mening mag je de woorden 'Israël' en 'Jodendom' best door elkaar gebruiken. De apostel Paulus deed dat ook. 'Israël' is een entiteit als volk, uit Abraham, Izaak en Jakob gesproten. In de Bijbeltijd heeft dat een heel grote plaats ingenomen. Dat volk is evenwel niet verdwenen na de nieuwtestamentische periode! Ik meen dat je bij Israël altijd te maken hebt met een merkwaardige combinatie van religieuze en etnische betekenissen.
Wel kan men stellen dat, ondanks gemengde huwelijken en hier en daar wat assimilatie, het volk Israël zijn identiteit op een wondere wijze heeft weten te bewaren; ik meen ook dat dat Gods hand is, die ervoor gezorgd heeft dat dat volk, tot de dag van vandaag, afgezonderd is gebleven.

Maar is er, als u de termen 'Jodendom' en 'Israël' zo door elkaar gebruikt, niet het probleem dat er ook veel niet-religieuze Joden zijn? Rekent u die ook onder 'Israël'?
Jazeker, alles is 'Israël'! Vaak heb ik gesprekken gevoerd met mevrouw Rebecca de Graaf-van Gelder, spreekbuis van Messiasbelijdende Joden in Nederland. Die heeft mijn aandacht ervoor gevraagd dat in de oorlog de atheistische Joden een ster moesten dragen, de liberale Joden en de zeer orthodoxe Joden en ook, zei zij heel tekenend, 'mijn soort Joden' die in de Here Jezus geloven. We kregen allemaal een ster op, want we waren allemaal Joden! Dus zij is op dit punt dezelfde mening toegedaan als de vijanden van het Joodse volk ...

Een ander woord dat een nadere definitie nodig heeft is het woord 'Eindtijd'.
Hoe zou u 'Eindtijd' omschrijven?
Van deze 'eeuw', zoals de Bijbel die noemt, weten we het eindstation. Dat is de Wederkomst van de Here Jezus; dat staat vast. Daarover is de Schrift ondubbelzinnig duidelijk. We weten niet op welke dag en welk uur wij dat station zullen bereiken, maar de Bijbel geeft wel een aantal haltes aan, die aan dat station voorafgaan, zoals de wereldwijde Evangelieverkondiging, het toenemen van liefdeloosheid en geloofsafval en, naar mijn visie, ook het uitlopen van de 'vijgeboom', die ik opvat als een symbool van Israël. (Mattheus 24) Die stations geven aan dat we, als we al niet in de Eindtijd zitten, we in elk geval met de ouverture van de Eindtijd te maken hebben. Het woord 'Eindtijd' als zodanig is een heel vaag begrip. We komen het alleen tegen in het boek Daniel.

Als dat 'het einde' van 'de Eindtijd' door de Terugkomst van Christus wordt gemarkeerd, wanneer dateert u dan het begin ervan?
Dat kun je niet fixeren! Ik ben daarin heel voorzichtig; er zijn in de loop van de geschiedenis zoveel berekeningen geweest. Wel denk ik dat de Stichting van de Staat Israël (1948) en het eind van vreemd heerschappij over Jeruzalem (1967) in dit opzicht veel te zeggen hebben.

En wat bedoelt u met 'de Gemeente'?
De Gemeente is het geheimenis dat aan de apostel Paulus is geopenbaard Je kunt natuurlijk - praktisch - met Zondag 21 uitspreken dat Christus 'Zich een gemeente vergadert van het begin der wereld tot het einde'; ik heb daar ook niet zoveel moeite mee. Als je de 'Gemeente' echter exakt definieert, klopt deze uitspraak mijns inziens niet.
Naar mijn mening schrijft de apostel Paulus, hierover bij voorbeeld in Efeziers 3, dat hem door openbaring 'het geheimenis van Christus' is bekend gemaakt, 'dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen ():Dit geheimenis, dat de heidenen medeerfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Jezus Christus door het evangelie ...' (3:5,6) Ik breek hier die lange zin maar even af. De hele prediking in bv. Efeze wijst mijns inziens op het geheim dat tevoren verborgen was. Het is bekend dat het Nieuwe Testament aan dat woord 'musterion', 'geheimenis', niet altijd precies dezelfde inhoud geeft; we moeten er echter goed op letten dat dat geheimenis dan altijd geopenbaard is! Het is geen ondoorgrondelijk mysterie waarover niets te zeggen valt, het is een geopenbaard geheim. Dat is dus 'de Gemeente'; die is in het Oude Testament niet bekend geweest.

Heeft de 'Gemeente' dus wel een beginpunt?
Wanneer stelt u dat?
Ik fixeer dat op het (mij overigens niet precies bekende) moment waarop de Here God dat geheimeniS aan Paulus heeft bekend gemaakt. Paulus is begonnen bij de Jood, maar de Griek kwam er bij. Door de afwending van de Joden heeft hij een gemeente, onder Gods leiding en toezicht, een gemeente mogen stichten die vrij was van de Wet, van sabbatten, de besnijdenis, etc. Dat is echt iets nieuws geweest! Dat wil ik nog niet eens laten beginnen op de Eerste Pinksterdag; op die dag kwam immers een messias-belijdende Joodse gemeenschap bijeen, die kerk van Jeruzalem.
Heeft de Gemeente ook een einde?
Dat is een moeilijke vraag. Het laatste woord daarover, dat ik in de Bijbel kan vinden staat in 1 Korintiers 15: God zal alles zijn in allen. Is er dan nog een Gemeente? Ik meen dat er dan een Gemeenschap is, tussen God en al Zijn kinderen. Of je dat dan nog 'Gemeente' moet noemen? Wij denken bij Gemeente zo snel aan een struktuur, die keurig geordend is met voorgangers, ouderlingen, diakenen en leden van het lichaam. Op die vraag kan ik feitelijkgeen antwoord geven; ik weet dat niet.

Belangrijk is wat u niet zegt. Ik ken mensen, die zeggen: de Gemeente houdt op, als de volheid der heidenen is binnen gegaan. In het denken van sommigen wordt dat gekoppeld aan dat gedeelte in 1 Thessalonicenzen 4, waar wordt gesproken over de 'rapture', de opname van alle gelovigen. Dat zegt u niet? In die visie zou de Gemeente en Israël ook in de tijd kunnen onderscheiden.
Over die 'rapture' zou veel te zeggen zijn. In de Gereformeerde traditie is 1 Thessalonicenzen 4, de passage over 'de opname', wel eens veronachtzaamd.
Laat ik me voorzichtig uitdrukken!
Als de Gemeente opgenomen is en in de hemelse gewesten vertoeft, blijft ze wel de Gemeente! Als we dat meemaken, gaan we niet dood! De gelovigen die de Messias Jezus en Zijn verschijning hebben liefgehad zullen delen in de eerste opstanding. Dat zegt 1 Thessalonicenzen 4 heel duidelijk: ze zullen eerst opstaan. U voelt wel dat ik hier ook Openbaring 20, het hoofdstuk over het Duizendjarig Rijk, een beetje raak. De gelovigen staan op en ze zijn weg; ze zijn niet dood! De Gemeente heeft een geweldige toekomst; alleen zal ze kenelijk in een andere vorm bestaan dan in deze eeuw. De toekomende eeuw is anders dan deze eeuw.

We hebben het terrein met die definities wat afgebakend. Nu zou ik, met uw goedvinden, dat terrein wat meer gaan omspitten. De visie die u hier weergeeft, hebt u in uw Gereformeerde verleden vast niet altijd zo gehoord.
Vermoedelijk hebt u zich dit standpunt zelf moeten verwerven. Is dat juist?
Dat is zeker juist. Ik heb eens een verhaal over mijn visie gehouden onder de speelse en niet-originele titel: 'Mijn weg naar het Licht'. Laat ik echter eerst dit zeggen. Calvinisten, Gereformeerden, kenmerken zich door hun liefde voor het Oude Testament, b.v. het Boek van de Psalmen. Daardoor hebben ze meer affiniteit met de Joden dan bv. Rooms Katholieken. In de Gereformeerde traditie is vroeger ook wel aandacht voor Israël geweest. Er is heel veel geschreven over de Nadere Reformatie en de zgn. 'Schotse en Engelse Puriteinen'. Die waren zeer intens bezig met de vragen rondom Israël.
Dat is in de Gereformeerde wereld ook zo geweest, tot de Doleantie. Bij dr.Abraham Kuyper en dr.Herman Bavinck zie ik toch een verschuiving. In de kring van Dolerenden is die aandacht voor Israël verdwenen en is eenvoudigweg gesteld: de Kerk is in plaats van Israël gekomen. De Oudtestamentische beloften gelden uitsluitend de Gemeente of Kerk.
Mijn weg is deze geweest. Mijn ouders waren eenvoudige gelovige mensen; mijn vader was onderwijzer aan een lagere school. Zij hebben in de oorlog de geloofsmoed gehad om twee Joodse kinderen als onderduiker op te nemen.
Een van de twee is later uit ons gezichtsveld verdwenen. De andere is tot de dag van vandaag een dierbare pleegbroer. En ik heb me bovendien altijd zeer geinteresseerd voor Geschiedenis en Aardrijks kunde, voor de konkrete zaken die zich op aarde afspelen.
Na de oorlog brak bij mij het verlangen door om predikant te worden.
Tot die keuze ben ik destijds niet gemotiveerd door de Vrijmaking en de kerkstrijd, maar ik ben gefascineerd geweest door het wereldgebeuren. We hebben in de oorlog de Slag om Arnhem meegemaakt, we zijn geevacueerd en berooid na een jaar weer thuis gekomen, met onze Joodse pleegbroer. Toen ik over de oorlog ging nadenken, meende ik: dat heeft alles te maken met de Joden. Er was een fanatieke haat, bij Hitier en de zijnen, tegen Israël. Hoe komt dat? Ik ben over die vraag gaan nadenken en in mijn studententijd merkte ik dat Professor Greydanus, in zijn commentaar op Romeinen 11, een massale bekering van Israël in het vooruitzicht stelde. Ik greep naar de kanttekeningen bij de Statenvertaling; die zijn heel verschillend. Daar vind je bij Romeinen 11 vermeld, dat een grote menigte Joden zich zal bekeren. De Kanttekeningen op het Oude Testament laten haast alle beloften slaan op de kerk, maar die van het Nieuwe Testament zijn anders. Er komt een tijd vol van heil en zegen voor Israël, lees je bij Romeinen 11 vers 25 en 26. Greydanus denkt dus ook die kant op en ook Professor Jager, in zijn commentaar op Romeinen. Wat mij wel eens verbaast is dat deze zaken onder ons niet zoveel bijval hebben gevonden. Toen kreeg ik de meermalen herdrukte brochure van Johannes de Heer in handen, Israël's Herstel en Terugkeer naar Palestina heette die toen nog. Ik was daar weg van en vond: Die man zegt wat ik denk!
Ik heb daarover vragen gesteld aan Professor K.Schilder en die zei:'Moet je nu eens horen, amice, Mattheus 1 spreekt over zeven geslachten, 3 maal veertien, zes maar zeven; dat is tot Christus. Toen is het Jubeljaar begonnen, zeven maal zeven en nu is Israël uitgespeeld.' Toen ik het over Johannes de Heer had, zei hij:'Diens werk is te dilletantistisch; het houdt geen steek.' Daar kon ik het mee doen. Mijn medestudenten zeiden: 'Je moet er eens over ophouden, want wat jijzegt kan niet.' Men heeft toen wel gezegd:'Als Johannes de Heer eenmaal zijn hoofd neerlegt, zal dat 'Zoeklicht' wel op de fles gaan.' 'Het Zoeklicht' heeft echter nooit meer abonnees gehad als tegenwoordig!
Wel, toen werd ik predikant en dan ben je met ontzettend veel dingen bezig.
Tot ik het niet kon laten eens over Romeinen 11 te preken, in eigen en andere gemeenten. Ik deed dat overeenkomstig Greydanus en de Kanttekeningen.
Ik zag toen minder dan vandaag, maar ik zag wel iets. Ik ben toen wel vermaand door oudere predikanten, broeders met een geweldige staat van dienst. Ik heb daar ook wel naar geluisterd en heb deze boodschap niet op de preekstoel gebracht. Ik ben er dus al heel lang mee bezig en mijn visie is grotendeels gevormd door alleen maar de Bijbel te lezen, in de grondtekst, met goede woordenboeken. Ik heb al die jaren bewust geen chiliastische boeken gelezen, ik las 'Het Zoeklicht' niet; ik wilde het zelf vinden. Ik vind zelf, terugziende, dat ik wel eens ben vermaand, maar mijn visie is nooit sterk weerlegd.

Zijn er, naast Romeinen 11, nog andere Bijbelteksten, die voor u van doorslaggevend belang zijn (geweest) voor uw kijk op Kerk en Israël?
Om te beginnen boeide mij al vroeg de Lofzang van Simeon. 'Licht tot verlichting der heidenen' (ja natuurlijk, denk aan Kerst!) en 'heerlijkheid voor Gods volk Israël'.(Lukas 2:32) En de woorden van Jakobus in Handelingen 15, bij de vergadering in Jeruzalem:' Dan zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen.' (16) AI eerder wordt gezegd dat God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen.' In Openbaring 7 staan de honderdvierenveertigduizend uit de stammen van Israël naast de schare, die niemand tellen kan uit alle volkeren. Dat zijn indikaties uit het Nieuwe Testament. Daarna en daardoorheen is me gebleken dat je in het Oude Testament, bij de profeten, gedeelten vindt waar de gangbare exegese, b.v. de Korte Verklaring, altijd probeert beloften voor Israël, Jakob, Juda, Jeruzalem, Sion, helemaal en uitsluitend toe te passen op de Christelijke gemeente. Vooral in m'n Schiedamse periode ben ik tot de overtuiging gekomen dat je daarmee de profeten niet recht doet. Er is een rest van beloften van profetieen die betrekking hebben op Israël als natie. Onze visie op Israël is geen zaak van de periferie.
Het hele Oude Testament is tot ons gekomen via Israël en spreekt over Israël; in het Nieuwe Testament heeft Israël eveneens ene heel bijzondere plaats, al is het niet zo - dat zeg ik erbij - dat Israël meer, hoger, belangrijker is dan de Gemeente van Christus.

Begrijp ik het goed dat u over tweeërlei soort Gereformeerden spreekt nl. de meer 'bevindelijken', die een Israëlvisie hebben die dichter staat bij wat u zelf gelooft, en een Gereformeerde visie, die vooral sinds Abraham Kuyper en de Doleantie een andere opvatting zijn toegedaan? Afgezien van het bevindelijke element hebben de Puriteinse en Pietistische schrijvers - en overigens ook de schrijvers uit de kring van het Reveil - veel meer aandacht aan Israëls toekomst geschonken dan de huidige generatie Orthodox-Gereformeerden doet.


Drs.H.de Jong

Hoe komt het dat er zoveel verwarring is ontstaan rond het volk 'Israël'? Hoe is het mogelijk dat er zoveel verschillende konklusies worden getrokken?
Het gaat steeds over namen, het Bijbelse Israël en het Israël van nu, die overeenkomen. Dat nodigt ertoe uit om gebeurtenissen van nu terug te vinden in de profetische boeken van het Oude Testament, waarin die zelfde namen steeds terugkeren. Dat lijkt me een belangrijke reden waarom er tegenwoordig zoveel over Israël wordt gesproken.
Er is een oud volk Israël en er is een nieuw volk Israël, dus het nodigt ertoe de Bijbel erop na te slaan wat er over dit Israël misschien gezegd zou kunnen zijn.

Hoe zou u het 'bijbelse Israël' definieren?
Het Volk van God in een oudere fase dan vandaag.

En wat is uw definitie van het begrip 'Eindtijd'?
Naar de verwachting, zoals de Bijbel die voedt, komt de geschiedenis tot een voltooiing. Dat geldt voor de geschiedenis in het algemeen en voor die van het Volk van God in het bijzonder. Dat Volk van God heeft een tijd 'Israël' geheten.
Dat is nog een naam die in de Gemeente in ere is, maar ik zou nu het Volk van God niet als 'Israël' willen benoemen. Het heeft een samengesteld karakter gekregen: Israël en de volken.
Daar de naam 'Israël' aan te verbinden is niet fout, maar het wekt verwarring.

Het thema 'Israël' is, naar mijn inschatting, wel een heel existentieel onderwerp voor u. Is dat juist?
Ja, dat klopt en dat is ook wel verklaarbaar; ik heb destijds in mijn studie als specialisatie het Oude Testament gekozen en dan kom je na-tuurlijk wel zeer gemakkelijk tot de vraag: in hoeverre gelden de beloften van het Oude Testament nog voor het Israël van heden? In mijn studiejaren heb ik me al veel met het Jodendom beziggehouden, synagoges bezocht, synagogediensten bijgewoond, Joodse gebedenboeken en andere geSChriften gekocht en gelezen.
Er is dus zonder meer interesse, maar uiteindelijk ook afwijzing! Dat laatste woord moet je wel uitleggen; het zou erop kunnen lijken dat je dan je interesse laat omslaan in antipathie. Dat is bij mij niet het geval. Ik lig eigenlijk meer met Christenen in de clinch over Israël dan met Israël zelf! Wat Israël zelf betreft, het Joodse volk heeft van onze kant recht op rust. Wanneer echter Christenen het verschil tussen Christelijk geloof en Joods geloof lijken uit te wissen, omdat we immers al het grootste deel van de Bijbel gemeenschappelijk hebben, dan zeg ik: 'Ho, dat is niet zo! Het gaat om een ander geloof!' Voor mijn oesef zit er een 'knik' tussen het Oude Testament en de geschriften van het Jodendom. Van hun kant beweren Joden natuurlijk dat er bij ons een 'knik' zit, van Oude naar Nieuwe Testament.
Ik persoonlijk vind echter dat de lijn van Oude naar Nieuwe Testament minder gestoord doorloopt dan die van het Oude Testament naar de Joodse geschriften. Ik proef in dat laatste geval een wereld van verschil. Het Jodendom kent in de Schrift geen heilsgeschiedenis, waar toch beide Oud en Nieuw Testament vol van zijn.

Je kunt dus het Jodendom van nu ook niet zonder meer identificeren met het Israël van het Oude Testament?
Het Jodendom van nu kan natuurlijk maar in beperkte zin 'Israël' heten. Het op de voorgrond treden van de twee stammen, met name Juda, dateert pas van latere tijd. Pas sinds de Babylonische Ballingschap kun je van 'Jodendom' spreken. Dat er een 'bewust Jodendom' gekomen is heeft ook wel te maken met het optreden van onze Here Jezus. Toen is men eigenlijk toch de rekening gaan opmaken. Je kunt die situatie een beetje vergelijken met wat er tijdens het Concilie van Trente gebeurd is, als reaktie op de Reformatie.
De Roomse boedel is toen weer eens bij elkaar gezet en doordracht. Iets vergelijkbaars heeft er ook in het Jodendom na Jezus plaatsgevonden. Ik zal de Joodse Schriftgeleerdheid niet verachten, want er zijn inderdaad prachtige dingen gezegd! Wijze dingen ook, over de uitleg van de tekst van het Oude Testament. Maar op zichzelf vind ik de redenering niet deugen, die je nog wel eens hoort, dat je voor je verstaan van het Oude Testament te rade moet gaan bij het huidige Jodendom.
Waarom zou je een Engelsman moeten zijn om Shakespeare uit te kunnen leggen? Dat hoeft toch niet? De oudtestamentische boeken zijn ook niet uitsluitend voor Joden geschreven; zij zijn voor de mensheid geschreven! Om ze uit te kunnen leggen is alleen maar vereist dat je mens bent!
Het Jodendom en het Christelijk geloof zijn beide commentaren op het Oude Testament. Je kunt niet zeggen dat het Jodendom daarin oudere papieren heeft, dichter bij de Bron zit, dan het nieutestamentische geloof.

U zegt dat u veel belangstelling voor 'de Synagoge' hebt gehad. Hebt u altijd de visie op Christelijk geloof en Israël aangehangen die u nu hebt? Of is er een duidelijke omslag of crisis gekomen in de wijze waarop u het Joodse geloof bent gaan zien? Zo ja, op wat voor punten heeft die crisis zich ingezet?
Ik herinner me dat ik op de 'ringkring' vergadering van de jeugdvereniging, rond 1950, in Dordrecht, een onderwerp over Romeinen 11 heb geleverd, waarin ik de bekerings- en heilsverwachting t.a.v. het Joodse volk verdedigde, tegen de meerderheid van de vergadering in! Dus: in de toekomst zal Israël behouden worden. Er is inderdaad bij mij wel een verandering gekomen!
Het is niet zo gemakkelijk te zeggen waardoor, maar in elk geval heeft het veel te maken met mijn bemoeienis met het Jodendom, waarbij ik de diepe verschillen heb leren zien tussen Christelijk geloof en Joods geloof. Dat verklaart natuurlijk nog niet de omslag ten aanzien van Romeinen 11. Ik ben echter kritischer geworden en ben de Bijbel op dit punt ook kritischer gaan lezen: Is het wel juist dat wij, op grond van Romeinen 11, zo'n positieve verwachting van het hele volk Israël kunnen hebben? Zegt de tekst dat echt?

Wat zijn voor uw visie, op de discontinuiteit tussen het Oudtestamentisch Israël en het huidige volk der Joden, de doorslaggevende teksten of overwegingen?
Mag ik voor ik daarop antwoord eerst iets anders zeggen? Het feit dat ik zelf en ook anderen op dit punt wendingen in ons denken hebben meegemaakt verplicht ons wel tot bescheidenheid!
We dienen begrip te hebben voor het verwarrende van deze materie voor de mensen. Het gaat om een moeilijk onderwerp, vind ik; je moet niet te gauw zeggen: 'Die mening mag niet bestaan of kan niet geduld worden!' We moeten, ook op dit punt, geduld met elkaar hebben.
Ook zelf hebben we vaak anders gedacht, zijn we anders gestart, dan waar we nu staan. Dat even voorop. Op uw vraag ingaand, het is toch wel het Evangelie geweest, dat me deed zien dat de Christelijke Kerk als het ware uit het konflikt met het Jodendom ontstaan is. Dat is ook mijn bezwaar, als men spreekt over de 'Joods-Christelijke Traditie'; die term verdoezelt het konflikt!
Het hele Nieuwe Testament door zie je dat er een teruggrijpen is op het Oude Testament, maar in een andere zin dan het Jodendom deed en ook is gaan doen. Er is altijd, vanaf het begin, onenigheid over geweest. ..
Je kunt ook niet zeggen: Dat is pas in en door de Christelijke Kerk gekomen.
Ik vind dat Jezus' problemen met de Schriftgeleerden authentiek zijn. Ze zijn niet met terugwerkende kracht in zijn optreden in gelezen. Hij kwam Zelf toenemend in aanvaring met de synagoge.

Zegt u dan ook: 'Die en die tekst is doorslaggevend geweest voor mijn huidige visie'?
Ik kan niet zeggen dat mijn uitleg van b.V. Romeinen 11 nu op een bepaalde tekst stoelt. Mijn lezen van het Oude Testament heeft me echter wel lijnen en wegen laten ontdekken, die me voorbij voerden aan een massale bekering van het Joodse Volk, omdat ik dat eigenlijk een terugdraaien van de klok acht. Alsof de Geest aan het eind van de geschiedenis alsnog weer naar een bloedgroep zou terugkeren ... Het meest voor de hand liggend Schriftgegeven daarbij is dat de profe-tie toch ook de volkeren langzamerhand begint te betrekken in het per-spektief van het Evangelie, van de boodschap van Gods bemoeienis met de mensen. Dat voorop. De Bijbel begint ook niet met Abraham, maar met Adam, met de mensheid! 't is dan ook niet zo vreemd dat de Bijbel bij zijn uitloop de hele mensheid bestrijkt en niet alleen een bepaald volk.
Ik zie een soort 'zandlopermodel' door de hele Bijbel lopen: het begint 'breed', bij Adam, mensheid en aarde. Dan 'versmalt' het: via Abraham en het Beloofde land Kanaan, via Juda en het stamgebied Juda naar David en de stad Jeruzalem. Dus 'aarde', 'land', 'stamgebied', 'stad' naar de Sionsheuvel; dat is de lijn van plaats. Wat de mensen betreft, eerst heb je de 'mensheid', dan 'Israël', 'stam Juda', 'geslacht van David', Zoon van David. Vanaf Adam op de adama (aarde) zie je een convergerende beweging in het Oude Testament.
Maar in het Nieuwe Testament zie je dat weer 'uitwaaieren': van Jeru-zalem, via Samaria tot de uiterste einden der aarde, zegt het boek Handelingen. Dan zie je beweging teruggaan; eerst gaat het in het Oude Testament dus versmald worden, maar daarna komt weer de volle breedte. Dat vind ik een heel goede 'leeswijzer' voor het geheel van de Bijbel en juist op dat punt aangekomen, zou een terugkeer naar het speciale Volk Israël voor mij een soort 'onhistorische zet' van de Heilige Geest zijn ...

Maar stel u voor dat de Heilige Geest dat toch zou blijken te doen, zou dat u in verwarring brengen? Zijn er motieven denkbaar waaardoor u toch weer zou gaan aarzelen m.b.t. uw Israël-visie?
De mogelijkheid van zo'n verandering moet je natuurlijk altijd inbouwen. Hoe ik daarop zou reageren? Ja, hoe reageeer ik op het verliezen van een schaakspel? Ik zou hopen dat een beetje flink te doen.

Een andere 'hoofdlijn' m.b.t.Israël dan u hebt vind je hetzij in meer oecumenische of progressieve kring, maar ook in 'chiliastische' kring.
Dan gaat het hetzij om een 'Twee Wegen-leer' of een 'bedelingen 'visie.
In beide kringen is overigens de konklusie dat men Israël (nog) een aparte plaats geeft. Hoe komt het nu dat er zo grote verschillen zijn, juist op het punt van de plaats van Israël? Wat zijn daarvan de diepere redenen?
Dan moet je natuurlijk wijzen op de Tweede Wereldoorlog met alwat er met het Joodse volk gebeurd is. Wij hebben in onze westerse cultuur een 'Israëltrauma', heel duidelijk! En of je dat nu 'links' verwerkt of 'rechts' verwerkt, in beide gevallen is het een soort traumatische verwerking van het falen van onze westerse cultuur t.a.v. Israël. Dan zou je als het ware willen goedmaken aan het joodse volk wat het heeft gemist, waarin wij te kort geschoten zijn.
Zelfs voorbewust kun je daarmee bezig zijn ...
Als het erom gaat waar ik in de discussie met de Twee Wegen-leer zou 'inzetten', zou ik zeggen:'Je bent natuurlijk toch Christgelovige!' Dat is het helemaal voor je! Om dan ruimte te maken voor een ander geloof -want dat is het!. .. Mag je dat van een gelovige vragen en kan een gelovige dat feitelijk wel opbrengen? Het gaat hier over Israël, maar er komt straks ook een konfrontatie met de Islam in onze cultuur.
Is dat dan een Derde Weg? Komt het allemaal op hetzelfde neer? De Heiland is cruciaal voor ons geloven!
Daar kunnen we toch niet aan voorbijgaan?
Ik zou dus gewoon beginnen bij ons geloof in onze Here Jezus Christus.
Dat sluit een Twee Wegen leer simpelweg uit.

Als u met Chiliastisch denkende broeders en zusters praat, hebt u dan ook een punt, waar u zegt: daar zet ik in?
Ik vind het Chiliasme een 'slokop'; het zuigt de geschiedenis leeg en het zuigt de eeuwigheid leeg! Wat nu is wordt er onbelangrijk door!
En ik weet ook niet wat de eeuwigheid nog brengen moet na het Duizend-jarig Rijk. Het is, naar mijn besef, een vooruit staren, terwijl je nu leeft en er genoeg aan de hand is. Ik acht het een onhistorische leer.
Het is vaak moeilijk om samen met de Chiliasten op te trekken en samen Kerk te zijn en samen de zondagse prediking aan te horen. Ik wil hen per se de naam"
'Christen' niet ontzeggen, maar ik kan eigenlijk niet met ze overweg. Het gaat om een ingrijpend punt en ze houden niet op erover te spreken.

Een heel andere vraag. Er staat in de Bijbel aet Gods genadegaven 'onberouwelijk' zijn. Hoe kun je dan aan Israël voorbijgaan?
Maar dat is ook niet mijn bedoeling!
Israël behoort immers ook tot de ganse mensheid, tot alle volken tot wie het Evangelie is uitgegaan.
Er zijn ook in de hele tijd van het Nieuwe Verbond kinderen Israëls, Kinderen van het Verbond in de letterlijke zin van het woord, tot het geloof toegetreden.

Maar zou deze visie, dat er ook leden van het volk Israël tot geloof komen, voldoende zijn om Paulus aan het einde van Romeinen 11 tot een 'Lofprijzing' te laten komen?
Ja, dat denk ik wel. 'Doe hun rug voorgoed zich krommen', citeert Paulus de profeet. En dan gaat hij daarna toch zeggen dat het om een partiele verharding gaat. Dat is een hele 'vermildering' van het vonnis. God denkt blijkbaar, naar het woord .van Habakuk, in zijn toorn, (die over hen gekomen is tot het einde; 1 Thessalonicenzen 2:16) aan zijn ontfermen.
Je kunt je voorstellen dat er mensen in die tijd waren die zeiden: Het is met Israël gebeurd! Zij zijn gevallen door hun ongeloof! Als nu op dat standpunt korrektie komt en men te horen krijgt: 'Het is niet geheel uit!', dan geeft dat toch reden tot vreugde en Godsverheerlijking?

Wat verstaat u onder die 'tijdelijke verharding' waarover Paulus spreekt in Romeinen 11 vers 25?
Het zal welorn vemardlnp-qaan tegen het Evangelie van Jezus Christus.
Er staat overigens niet 'tijdelijk', maar 'gedeeltelijk'! Dat wordt wel altijd als 'tijdelijk' opgevat, zoals ook 'alzo' wordt opgevat als 'alsdan' (vers 26). Er zijn wel plaatsen waar je dat laatste zo vertalen kan, maar het lijkt me onjuist om die bekende tekst helemaal in een tijdscategorie om te zetten. Er is een 'gedeeltelijke' verharding over Israël gekomen totdat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan en alzo zal heel Israël behouden worden. juist zoals de 'volheid' der Joden (vs.12) opgebouwd is uit 'enigen van hen' (vs.14) in elke tijd. 't Gaat dus bij 'heel Israël' en 'de volheid van Israël' om dat Israël, zoals God dat in zijn verkiezing voor zich ziet.

Maar zet de tekst dit alles niet 'op tijd'?
Het gaat natuurlijk ook om een tijdscategorie, 'totdat'. De vraag is echter of het gaat om een aan te wijzen punt in de geschiedenis dan wel of je moet denken aan de eindfase, aan de Einddag.
Het 'binnen gegaanzijn' verwijst m.i. naar het einde van de gechiedenis.

In hoeverre valt Paulus zijn volk aan?
Er zijn in de Brieven een paar heel negatieve uitspraken, b.v. 1 Thessalonicenzen 2:13-16, maar ik lees ook, in Handelingen 28:19; 'Niet dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen'. Moet je zeggen: Er zij twee Paulussen?
Ik heb de indruk dat Paulus met zijn opmerking in Rome, 'Niet dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen', dat in politieke zin bedoelt.
Hij heeft bij de stadhouder geen aanklacht ingediend tegen zijn volk. Dat klopt helemaal met zijn opstelling; hij hield in die zin kerk en staat wel gescheiden.
Ik zie die uitspraak hier dan ook niet op gespannen voet staan met kritische uitspraken van Paulus over zijn volksgenoten op andere plaatsen.

In 1 Thessalonicenzen 2 wordt gesproken over 'de Joden', 'die God niet behagen' en de toorn laten komen 'tot het einde'. Zijn die 'Joden 'het joodse volk?
Of zijn dat specifiek de Joodse leiders?
Hoeveel schuld kent Paulus aan het Joodse volk als zodanig toe?
Hij heeft het in die context over Judea.
Het gaat dus over 'Joden' in de volstrekt letterlijke zin. Het verschil tussen 'de leiders' en 'het volk' spreekt in onze tijd meer aan dan in die tijd, naar ik meen. Wij kunnen volk en leiding nog wel eens tegenover elkaar zetten, maar het valt mij op dat in het Oude Testament 'volk' en 'koninkrijk' bijna synonieme begrippen zijn, waarbij het volk en zijn organisatie ongeveer samengenomen worden. Het lijkt me daarom een modern onderscheid.
Ik zou er echter wel op willen wijzen dat het hier om een beperkt oordeel lijkt te gaan. Is de uitspraak over 'de Joden' van toen een uitspraak voor alle eeuwen? Wij beschuldigen de Thessalonicenzen van nu toch ook niet meer van wat ze toen hun volksgenoten hebben aangedaan? De uitspraak dat de Kretenzers 'leugenaars' zijn kleurt toch ook onze visie op de huidige bevolking van Kreta niet meer? Dat zou discriminatie van die eilandbewoners betekenen!
Het slaat daarom nergens op dat zo'n uitspraak van toen nu nog antigevoelens zou voeden. Wel laat Paulus zien:'Dit is niet de eerste keer!' In zijn werk heeft hij van de Joden veel tegenwerking gehad. Ik breng opnieuw in herinnering dat de Christelijke Kerk uit een konflikt met de synagoge ontstaan is. Een zekere animositeit en diep verschil is er altijd en onvermijdelijk geweest.
De Christelijke Kerk en het Jodendom hebben elkaar veel bestreden.
Daarbij is de Kerk veel te ver gegaan, door zich ook aan de persoon van Joden te vergrijpen. Dat betekent schuld; dat moeten we toegeven. Voor God en voor de mensen. Maar wat mijwel eens stoort, in de boeken van Hans Jansen bij voorbeeld, is dat de geschiedenis van de verhouding tussen Joden en Christenen als een 'chronique scandaleuse' van enkel de Kerk beschreven wordt. Alsof de Joden niets anders dan onschuldige lammeren geweest zijn.
De hoogmoed van de synagoge heeft de Kerk enorm geprikkeld. Om op de uitspraken van Paulus in zijn Brief aan de Thessalonicenzen terug te komen, er zit onmiskenbaar iets in van: Gods geduld raakt op, of: is op, mijns inziens.
Maar dat geeft ons nooit of te nimmer het recht ons als uitvoerders van dat goddelijke ongeduld op te werpen.
Voor ons geldt kort en goed: handen af van de Joden!


Ds. J. Houtman
U hebt een specifieke visie op Israël, heb ik begrepen. Kunnen we dit gesprek beginnen met een aantal definities?
Hoe omschrijft u het begrip 'Israël"?
'Israël' is in het Oude Testament het volk van God, dat Hij uit genade heeft uitverkoren. Niet. omdat het zo'n groot en geweldig volk was, maar omdat Hij het liefhad en die liefde was zijn Welbehagen.
Nu is uiteraard de vraag: Is Israël nog Gods volk? Dan zeg ik persoonlijk: ja.
Er moeten dan daarbij wel een paar kanttekeningen worden gemaakt. 'Israël' wordt in het nieuwe verbond met en na Pinksteren uitgebreid tot 'Israël uit alle volkeren'. Wij. die eertijds heidenen waren, mogen er ook bij behoren.
Ik denk aan die tekst uit Ef. 2, waar Paulus zegt: "gij. die vroeger heidenen waart naar het vlees, maar thans nabij gekomen door het bloed van Christus'.
Ook denk ik aan die tekst uit Hosea 2:23, waar 'niet-mijn-volk' weer 'mijn volk' wordt. In eerste instantie heeft die belofte betrekking op Israël en vandaag nog, maar later wordt deze tekst ook toegepast op degenen, die eertijds heidenen waren. Zie Rom. 9:25 en 1 Petr. 2:10.

Hebben wij het bij 'Israël' dus over het volk, de lijfelijke afstammelingen van Abraham?
In de eerste plaats is het zo, dat 'Israël' lijfelijk afstamt van Abraham, via de lijn van Izaäk. Gen. 18:10, Gen. 21:1 v.v.
Maar dan gaat het ook en vooral om het verbond, dat de HERE met Abraham in de lijn van Izaäk en Jacob gesloten heeft, dat verbond dat uitloopt op de schenking van de grote zoon van Abraham, Jezus Christus. Het volk Israël is het verbondsvolk en drager van de beloften Gods.
Maar heeft Israël dan niet dat verbond verbroken en is het dan niet zo, dat het nu Gods volk niet meer is? Maar dat verbreken van het verbond met God geldt niet van heel Israël, er is altijd nog een 'rest' gebleven. Dat is Israël, waarover het gaat. Het gaat niet aan te poneren, dat de Christelijke Kerk (uit de heidenen) Israël als het volk van God heeft vervangen. Het is nog steeds zo, dat Israël Gods volk blijft, in degenen die zich bekeerd hebben en de beloften Gods hebben aangenomen. Ook echter voor de anderen, die ongehoorzaam zijn geworden, gelden nog het verbond en de beloften van de HERE God. Zeker vallen zij onder het oordeel, zoals de Oudtestamentische profeten zeggen: "Ik zal ze slaan" en "Ik zal ze dit of dat 'doen", dat liegt er niet om. Lees maar eens wat er in de profetieën van Jeremia en Ezechiël over de straffen wordt gezegd. Jer. 14 en 15, Ez. 9 en passim.
Maar oordeel is nooit het laatste woord van de HERE, altijd het voorlaatste. Dan zegt de HERE altijd: Maar ... en dan komt onverwacht als een verrassing zijn heilsbelofte: "Ik zal een nieuw verbond maken", Jer. 31:31 v.v. en "Ik zal mijn Geest uitgieten" (Joël 2:28) enz.

Zijn dat beloften ook voor ongelovige Joden? Of zijn dat uitsluitend beloften voor de gelovigen, omdat u de ongelovige Joden niet tot Israël rekent?
Je kunt op dit punt zo moeilijk (onder-) scheiden. Laten we eens een parallel trekken met ons 'heidenen'. Er zijn ook ongelovigen onder hen die behoren tot het volk Gods uit de heidenen. Ze zijn ongehoorzaam geworden en hebben straf verdiend. Maar je kunt toch altijd weer appeleren op het verbond en de beloften, ook op hun gedoopt zijn. Ongehoorzame kinderen, bekeer jullie!
Ook bij Israël geldt dat: Keer weder, gij afkerige kinderen. Ook tegen de Joden, van wie Petrus op de Pinksterdag zegt: Julie hebben Jezus de Christus gekruisigd heet het: Bekeer u, want u komt de belofte toe en uw kinderen. Dat verbond en het hebben van de beloften, is een sterk appèl op hen, om anders over Jezus te gaan denken!
God wil dat ook, dat zij zich bekeren en leven! Hij heeft ook een belofte voor hen in de toekomst en die blijft gelden.
U zegt dus: het verbond met Israël staat nog. 'Israël' is dan het volk van God en niet alleen de gelovigen in dat volk.
Hoe verhoudt zich 'Israël' tot 'het Jodendom '? Is dat voor u hetzelfde?
Om te beginnen over de staat Israël; zou de terugkeer van de Joden naar het beloofde land niet onder de beloften van God kunnen vallen? Dat is immers een geheimzinnig verschijnsel.
Andere volken zijn opgegaan in de smeltkroes der volken en verdwenen, maar 'Israël' is na tweeduizend jaar omzwervingen gebleven en naar 'huis' teruggekeerd.
2. De gereformeerden zeiden vóór de laatste wereldoorlog: "Het is fini met het Joodse volk".
Ze hebben de Here Jezus gekruisigd en in het jaar 70 na Chr. is het oordeel van de verstrooiing gekomen en die verstrooiing blijft tot het einde van de wereldgeschiedenis. Nooit meer komen zij terug in hun land! Dat bestaat niet.
Er waren echter ook enkelen, zoals prof.dr. S. Grijdanus en G. Doekes en al eerder Wilh. à Brakel, een figuur uit de 'Nadere Reformatie', die voorzichtig waren. Zij zeiden: Er ligt wel degelijk nog een belofte voor Israël. En dat heb ik in navolging van hen ook aangenomen.
Israël blijft Gods oude liefde en zijn keuze blijft onberouwelijk. In de Oudtestamentische profetieën staan immers telkens uitspraken als: "Dan zal ik een nieuw verbond maken. Ik zal ze verzamelen uit alle volken der aarde, dan zullen zij weer terugkeren", enz.
Dat geeft toch te denken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief