De vrouw zwijge in de gemeente!? (1)
1992-05-22
Een persoonlijke ervaring: in het agrarische milieu waarin ik ruim twintig jaar geleden opgroeide, was het gebruikelijk dat de oudste zoon de boerderij van vader overnam. Voor de tweede of derde zoon was op de boerderij geen plaats en dus mocht deze gaan studeren. - Jaargang 36
- nummer 11
Een studie theologie verdiende de voorkeur.
Wat was er mooier dan als zonen een opvolger van het boerenbedrijf en een predikant te hebben? In mijn tienerjaren heb ik aldus diverse mannelijke generatie- en dorpsgenoten zien afreizen om theologie te gaan studeren. En ikzelf, als tweede dochter in een boerengezin? Doorleren trok me. Dus ook theologie studeren? Er was echter een beletsel: wat moest ik met theologie als ik als meisje in onze kerk toch geen predikant kon worden? Deze vraag deed mijn aanvankelijke interesse voor theologie sterk afnemen.
Als 'ze' me in de kerk niet hoefden, dan stopte ik mijn energie liever ergens anders in. Dus ging ik wel studeren; geen theologie maar geschiedenis.
Later vernam ik van andere vrouwen vergelijkbare ervaringen. Wat moesten we in kerkgenootschappen waarin we niet in aanmerking kwamen voor het ambt van predikant, ouderling of diaken, maar genoegen moesten nemen met een speciaal voor ons ingestelde en als tweederangs ervaren taak van ontmoetingszuster of zendingscontactvrouw? Hoe kwam het eigenlijk dat wij als vrouwen verstoken waren van een gelijkwaardige deelname aan het gemeenteleven?
Deze laatste vraag is momenteel in onze kerk volop actueel, nu wij met elkaar in gesprek zijn over de openstelling van het diakenambt voor de zusters der gemeente. Als bijdrage aan de meningsvorming over dit thema wil ik in dit artikel de vraag naar de deelname van vrouwen in het gemeenteleven belichten: nu echter eens niet vanuit de theologie of de kerk bezien, maar vanuit de geschiedenis.
Deze invalshoek kan een waardevolle bijdrage aan de meningsvorming leveren. De geschiedenis komt in het studierapport over het diakenambt voor zusters slechts summier aan de orde. De samenvatting van het rapport die onlangs in Opbouw te lezen was laat de geschiedenis zelfs geheel buiten beschouwing. De ontwikkeling van de positie van de vrouw in de kerk is " ...interessant voor historici, maar ...
niet van wezenlijk belang voor de meningsvorming en eventuele discussie", schrijven de opstellers van de samenvatting. Ik deel deze.opvatting niet. In een discussie als nu aan de orde moeten wij ons rekenschap geven van onze historische achtergrond.
Deze achtergrond is het referentiekader vanwaaruit we de onderhavige materie thans een plaats geven. We kunnen niet doen alsof we met een onbevangen gemoed het licht van de Bijbel over het diakenambt voor zusters laten schijnen. We staan in een lange traditie van een verbod op het ambt voor zusters. Openstelling van het diakenambt zou een regelrechte breuk met die traditie betekenen. Dit is een van de redenen die het bepalen van een kerkelijke richting thans zo moeilijk maakt. Je eigen geschiedenis zet je immers niet zomaar opzij. daarvoor moet je goede argumenten hebben.
Het studierapport ontleent zijn argumentatie onder andere aan enkele rapporten van de Orthodox Presbyterian Church en de Christian Reformed Churches in Canada en de Verenigde Staten. Het zoekt daarmee een referentiepunt bij onze kerkelijke familieleden ver weg aan de andere kant van de oceaan. Het komt mij voor dat de commissie daardoor andere, dichtbij huis gelegen voorbeelden uit onze eigen kerkgeschiedenis enigszins stiefmoederlijk behandelt. De Nederlands Hervormde en de Gereformeerde 'synodale' Kerken, waar de Nederlands Gereformeerde Kerk aan ontsproten is, hebben met dezelfde vraag geworsteld als wij. Dit is nog niet eens zolang geleden. Waarom zouden wij niet kennis nemen van de manier waarop deze kerken het probleem van de openstelling van de ambten voor zusters hebben bewerkt?
Zij zijn historisch en cultureel nauwer aan ons kerkgenootschap verwant dan onze oecumenische contacten overzee.
Een blik in het nabije verleden kan helpen onze eigen richting bewuster te bepalen.
De geschiedenis kan ons dus twee dingen laten zien. Ten eerste in welke eeuwenlange traditie wij als kerkgenootschap staan wat de ambtsbekleding van vrouwen betreft en ten tweede hoe geestverwante Nederlandse kerken voor ons zijn omgegaan met de vraag naar de ambten voor zusters. Daarvoor is het nodig terug te gaan tot in de tijd van Christus' optreden en het ontstaan van de eerste christengemeenten. Stapsgewijs zal ik daarna een aantal momenten uit de geschiedenis naar voren halen, toegespitst op de ambtsbekleding van vrouwen.
Afgesloten wordt met de heroriëntatie die in de 20e eeuw in de Nederlandse protestantse kerken op dit punt plaatsvindt.
De eerste gemeenten
Vrouwen waren ér in de beweging van Jezus Christus van meet af aan bij.
Drie van de vier evangelies in het Nieuwe Testament maken daar melding van. Behalvè de twaalf mannelijke leerlingen trokken ook vrouwen in Jezus' gezelschap mee. Ze volgden hem tot onder het kruis en waren na zijn begrafenis de eersten die naar het graf gingen en ontdekten dat hij daar niet was. Pas na het bericht van de vrouwen dat Christus niet dood was maar door God opgewekt, ging een aantal apostelen naar het graf om te kijken wat er gebeurd was. Dat Jezus geen afwijzende houding aannam tegenover vrouwen wordt eveneens door de evangelisten vermeld. Hij spreekt met ze en geneest hen. In Lucas 7 lezen we over een zondige vrouw die Jezus' voeten zalft. Lucas schetst Jezus hier als iemand die zich niet van deze vrouw afkeert, tot ontsteltenis van de gastheer bij wij hij op bezoek is. Ondanks deze voor zijn tijd wellicht ongebruikelijke houding tegenover vrouwen moeten we er voor waken Jezus vrouwvriendelijker voor te stellen dan hij was. Hij was geen emancipatiemedewerker. Jezus leefde in een cultuur waarin nog geen bewustwording van de vrouw als gelijkberechtigde partner van de man was gegroeid zoals dat in de westerse samenleving van de twintigste eeuw het geval is. De samenstelling van het twaalftal discipelen vormt daarvan een teken. De apostelen waren allen mannen.
Zij vertegenwoordigen het nieuwe volk van God. In de in onze ogen masculiene samenleving van toen was het een vanzelfsprekendheid dat mannen als representanten het geheel vertegenwoordigden. Dit is een historisch vaststaand gegeven, maar wil nog niet zeggen dat het een norm is die eeuwigheidswaarde heeft, zoals latere kerkelijke leiders wel gedacht hebben. De christenen in de eerste eeuw waren kinderen van hun tijd. Zij hebben vele in de toenmalige Romeinse en Joodse culturen heersende normen niet ingrijpend gewijzigd. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop de lezers in de nieuwtestamentische brieven worden aangesproken.
'Broeders' worden zij genoemd.
Het is een joods woordgebruik, waarin zusters mede-bedoeld zijn, maar niet zelf worden genoemd.
Ondanks dit enigszins verhullende taalgebruik zijn in de samenkomsten van de vroege gemeenten duidelijke sporen te ontdekken van de betrokkenheid van vrouwen. Sommigen speelden een belangrijke rol in het gemeenteleven.
Paulus noemt een aantal van hen in de brief aan de Romeinen: Febe, Maria, Junia, Tryfena en Tryfosa.
Het zijn allen vrouwen die zich inzetten voor het geloof. De eerste gemeenten begonnen waarschijnlijk als een soort huiskerken. Dat vrouwen in deze huiselijke samenkomsten voorgingen bij het breken van het brood was in de joodse traditie gewoon.
Vrouwen waren het hoofd van de liturgie!" huis en mannen van de liturgie in de tempel. Op termijn groeiden de christelijke huiskerken uit tot plaatselijke gemeentes. Uit de nieuwtestamentische brieven valt geen duidelijkheid te verkrijgen over wie er in deze gemeentes voorging. Of een voorganger man of vrouw was, gehuwd of ongehuwd en al of geen wijding had ontvangen was in de begintijd van het christendom waarschijnlijk geen punt van discussie. Paulus tekent bijvoorbeeld geen bezwaar aan tegen het profeteren van vrouwen. Ook als het gaat om de verscheidenheid aan begaafdheden en de opbouw van de gemeente (1 Cor. 12: 4-11 en 28-31) benadrukt Paulus niet dat er verschil zou zijn tussen mannen en vrouwen.
Integendeel, zouden we lettend op de tussenliggende verzen kunnen constateren: allen zijn even waardevolle leden van een lichaam.
Aanpassing aan de Romeins- Joodse omgeving
Er zijn echter paulinische teksten die doen vermoeden dat de aanvankelijke houding tegenover de deelname van vrouwen aan het gemeenteleven veranderde.
Teksten als 1 Cor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11-12 benadrukken dat een vrouw in de gemeente moet zwijgen en dat zij geen gezag over de man heeft. Het zijn teksten waarvan in de kerkgeschiedenis dankbaar gebruik is gemaakt om vrouwen uit kerkelijke ambten te weren. Sommige tekstcritici in onze eeuw echter hebben zelfs vraagtekens bij de echtheid van deze verzen geplaatst. Andere wetenschappers hebben erop gewezen dat Paulus het evangelie niet nog meer in opspraak wilde brengen door vrouwen een positie toe te kennen die tegen de heersende cultuur van het Romeinse Rijk inging. De theoloog Tigcheler laat zien dat de christelijke gemeentes aan het einde van de eerste eeuw onder grote druk van buiten kwamen te staan, tot vervolgingen toe. Zij konden de praktijk van een gemeenteleven waarin geen onderscheid bestond tussen mannelijke en vrouwelijke taken niet volhouden, maar pasten zich aan de toen en daar gebruikelijke rolverdeling tussen man en vrouw aan. Tigcheler, maar ook Bolkestein en andere theologen en (kerk)historici concluderen dat wij in Paulus' pastorale raadgevingen van toen geen norm voor nu meer moeten lezen. Inzicht in de feitelijke historische ontwikkeling kan ons bevrijden van de beperkende en onevangelische lijn waarin de latere kerken wat betreft de positie van vrouwen verzand zijn geraakt. Het is zinvol ons te realiseren dat er ook bijbelplaatsen zijn die een actieve bijdrage van vrouwen in de gemeente vermelden. De ondergeschikte positie van vrouwen in de kerk is geen vanzelfsprekendheid.
Het enige kerkelijke ambt dat vrouwen rond de eerste eeuwwisseling restte, was dat van weduwe. Dit ambt omvatte de zielzorg onder vrouwen, de dienst van het gebed en charitatieve werkzaamheden.
Na enige tijd werd het ambt met een beroep op het gezag van de apostelen in tweeën gesplitst: enerzijds in dat van ascete, gericht op het aan huis gebonden verrichten van de gebedsdienst, anderzijds in dat van diakones, gericht op de zieken- en zielzorg. De diakones kreeg aanvankelijk nog wel een wijding, waarmee zij een plaats had in de ambtelijke kerkorde.
Toch werd het ambt herkenbaar afgegrensd van de mannelijke ambten.
In de loop van de vierde eeuw verdween de openbare dienst van de diakones in de gemeente. De bisschoppen besloten de diakones de weg te laten volgen die de ascete ook reeds gegaan was, namelijk haar een plaats toebedelen in het recent ontwikkelde kloosterleven. Daar konden vrouwelijke religieuzen zich in afzondering en ascese aan God wijden. De synode van Nimes in 394 bezegelde het lót van vrouwen in de westerse kerk voor eeuwen. De synode besliste dat vrouwen werden uitgesloten van het verrichten van diaconaal werk.
De Middeleeuwen: moeder of maagd
De houding van de kerkvaders tegenover vrouwen was tweeslachtig: enerzijds lieten zij zich waarderend uit, anderzijds minachtend. Zo is de kerkvader Clemens (t 220) bekend om zijn uitspraak dat iedere vrouw zich alleen al bij de gedachte vrouw te zijn door schaamte moest laten overweldigen.
Met hetzelfde gemak kan hier echter een lovende Uitlating over vrouwen naast worden gezet. De kerkvaders koppelden hun interesse voor het hemelse en geestelijke veelal direct met een afwijzing van het aardse en lichamelijke.
De onderwaardering van het lichamelijke impliceerde een negatieve houding tegenover sexualiteiten dus tegenover de vrouw, want deze werd gezien als het symbool en de zetel van de sexualiteit. Vrouwelijkheid en sexualiteit waren op een aardse en op een hemelse manier te verenigen en wel door de verheerlijking van het moederschap en door de aan God gewijde maagdelijkheid.
Naarmate het christendom zich tot een staatsgodsdienst ontwikkelde en de invloed van de kerkvaders en de bisschoppen toenam stonden vrouwen naar kerkelijke opvatting dan ook twee wegen open. Ten eerste het aardse huwelijk en moederschap, waarbij vro.uwen aan hun man gehoorzaamheid verplicht waren en in de tweede plaats de positie van aan God gewijde kloosterlinge: zich van sexualiteit onthoudend, teruggetrokken levend, armen en zieken verzorgend en de Bijbel bestuderend. Oe Middeleeuwen brachten een bloeiend vrouwelijk kloosterleven voort, waarin sommige vrouwen tot grote wetenschappelijke of artistieke prestaties kwamen. In de late Middeleeuwen ontstond in de begijnbeweging een .aanvulling op het kloosterwezen. De b~gijnen leefden ongehuwd en volgens zelf te bepalen regels in stedelijke begijnhoven. Zij voorzagen in hun eigen levensonderhoud door onder meer textielarbeid of het brouwen van bier. De bloeitijd van de begijnbeweging lag in de veertiende en vijftiende eeuw. Een stad als Straatsburg kende toen maar liefst 85 begijnhoven. Deze tijd vormde overigens een bloeiperiode van de religieuze vrouwenbewegingen in zijn geheel. Naast kloosters en begijnhoven ontstonden ook bewegingen van rondtrekkende vrouwen. In de loop van de vijftiende eeuw werden de begijnen en de rondtrekkende vrouwengroepen vanwege vermeende ketterse praktijken door vervolgingen getroffen. De vervolgingen vonden een voortzetting in de heksenprocessen, die in de 16e en 17e eeuw een hoogtepunt bereikten en tot in de 18e eeuw voortduurden.
De nog bestaande begijnhoven verdwenen met de Reformatie, met uitzondering van België en Nederland.
Hier zijn de hofjes tot in onze eeuw blijven bestaan.
Los van de groei van het vrouwelijke kloosterwezen vond binnen de kerk in de Middeleeuwen een sterke ontwikkeling plaats van het kerkelijke gezag.
Vooral aan de bijbeluitleg van de kerkvaders werd toenemende waarde gehecht. Hun uitspraken verkregen de status van met pauselijke verordeningen te vergelijken gerechtelijke getuigenissen.
Gratianus maakte rond 1140 bij het opstellen van zijn decreten boek bijvoorbeeld van hun uitspraken gebruik om de aan de vrouw toegewezen 'staat van slaafse onderworpenheid, op grond waarvan zij aan de man in alles ondergeschikt moet zijn' te funderen.
De kerkordelijk invloedrijke Decretum Gratiani kende voor vrouwen vrijwel uitsluitend verboden, die hun de uitoefening van kerkelijke ambten ontzegden. Documenten als deze werkten door in latere kerkelijke verordeningen.
Hun invloed is tot op vandaag in de Rooms-Katholieke Kerk merkbaar, met name in het verbod vrouwen tot priester, diaken of bisschop te wijden.
Wordt vervolgd
Dit artikel is een bewerking van een bijdrage die de schrijfster leverde aan Op haar plaats? 13 vrouwen over hun positie in kerk en maatschappij, uitgegeven door het Christelijk Studiecentrum ICS, Amsterdam, 1992 (123 blz., f 12,50). Behalve de schrijfster leverden nog enkele andere Nederlands Gereformeerde vrouwen een bijdrage aan dit ICSCahier, o.a. M. Vrijmoeth-de Jong over vrouw en gezin en L. Janssens-Jansen over de bijbel over de man-vrouw verhouding. In het kader van de meningsvorming over vrouwelijke diakenen is het Wellicht raadzaam van dit onlangs verschenen boekje kennis te nemen.