Recht zoeken buiten de kerk
1992-05-22
De laatste tijd horen we steeds vaker over kerkelijke geschillen die voor de burgerlijke rechter gebracht worden. Niet alleen leggen steeds meer verschillende kerkgenootschappen hun interne of onderlinge twisten voor aan de rechter, maar ook gemeenteleden onderling, of individuen tegen een kerkeraad. Dit verschijnsel beperkt zich niet tot onze gereformeerde kerken alleen, maar is in alle gezindten waarneembaar. Ook komt het steeds vaker voor dat (groepen) christenen door justitie strafrechtelijk vervolgd worden; denk aan mevr. Goeree met haar 'Evan' acties. Aangezien dit laatste niet echt zaken betreft die tussen christenen onderling spelen, laat ik ze in dit artikel verder buiten beschouwing.- Jaargang 36
- nummer 11
Middeleeuwen
Uit de gang naar de burgerlijke rechter blijkt dat de kerkrechtelijke weg om een geschil op te lossen niet als toereikend of niet als bevredigend ervaren wordt.
In vroegere tijden was dit wel anders.
In de middeleeuwen was het in de Westeuropese landen gewoon dat het canonieke recht (kerkelijke recht) een geheel eigen (en gewaardeerde!) plaats had binnen de rangorde van geldend recht. Op het gebied van personen- en familierecht was de competentie van de Kerk als rechterlijke macht onaantastbaar. Men kon met geschillen op dit gebied zowel naar de kerkelijke als naar de wereldlijke rechters.
De wereldlijke rechtbanken hanteerden hierbij het door de kerk uitgevaardigde recht.
Ook had de kerk het voorrecht dat zij alle zaken waarbij een geestelijke betrokken was, aan haar eigen rechtbank kon onderwerpen. Daarnaast was er op civielrechtelijk gebied de mogelijkheid tot 'prorogatie'. Hierbij kwamen twee burgers overeen een tussen hen bestaand geschil met voorbijgaan aan de bevoegde wereldlijke rechtbank ter beslissing voor te leggen aan een kerkelijke rechtbank. Hier werd dan het kerkelijke recht van toepassing geacht.
Deze prorogatie kwam veelvuldig voor.
Het kerkelijk recht werd door middeleeuwers als veel billijker en redelijker ervaren dan het wereldse recht.
In de tijd van de reformatie werd er aan (rooms) kerkgezag ingeboet. Ook onder invloed van Montesquieu's leer over de machtenscheiding, de 'Trias Politica', werd het minder noodzakelijk eerst bij de kerk aan te kloppen. De rechtsprekende wereldse hoven werden zelf steeds billijker en als zodanig meer aanvaardbaar. Ook christenen konden hun zaken hieraan voorleggen. Immers, de overheid, aan wie men ingevolge Romeinen 13 eerbied verschuldigd was, had een rechtsprekend orgaan ingesteld, waaraan men dus ook eerbied en onderworpenheid verschuldigd was.
Maar, het inroepen van die 'rechtsprekende wereldlijke macht' werd door ons calvinistische Hollanders toch met grote terughoudendheid betracht. Hierbij hielden we elkaar de vermaningen uit de 1e Corinthe brief voor; waar immers geschreven is dat het beter is onrecht te lijden, dan recht te zoeken bij ongelovigen. (1 Cor. 6:7)
Het direct toepassen van deze vermaning op onze situatie in de 20e eeuw, lijkt discutabel. Immers, de christenen in Corinthe leefden in een heidense wereld. (die overigens juridisch weldoordacht in elkaar stak.) De rechtsgang die de christenen in Corinthe ten dienste stond was niet met zulke waarborgen omkleed als die bij ons. Zo konden enkel Romeinen een beroep doen op het romeinse recht en de (voordelige) burgerrechten die daaraan verbonden waren. We zien Paulus daarop. inspelen in Handelingen 22:25, waar hij refereert aan zijn (verkregen) Romeinse burgerrechten voordat hij gegeseld zou worden.
Het voert in het kader van dit artikel te ver de verschijnselen van het recht in de dagen van Paulus verder uit te diepen.
Dat er grote verschillen zijn met onze rechtsmogelijkheden moge duidelijkzijn.
Vraagstukken voor de rechter
Veel kerkzaken die de laatste tijd voor de rechter verschenen, zijn nogal complex van aard. Bijvoorbeeld bij die zaken waar de leer van de kerk, of de toepassing van de tucht in het geding is. Als broeders en zusters dergelijke geschillen aan de rechter voorleggen, ontstaan er schrijnende en m.i. genante vertoningen. Zo moest in 1989 de kerkeraad van de Chr. Gereformeerde Kerk in Ede een, tijdens de kerstviering uitgesproken, gebed rectificeren in het kerkblad. Er was (vurig) gebeden om wijsheid voor een lid dat zich onttrok aan God en Zijn gebod.
De betrokken broeder voelde zich door dit gebed in zijn goede naam en eer aangetast en was derhalve naar de rechter gestapt.
Zo zien we dat de macht van de burgerlijk rechter tot in de eredienst reikt. Een ander schrijnend geval betreft een geschil dat voorgelegd werd aan de Zwolse rechter. Een docente aan een vrijgemaakt gereformeerde school werd geschorst; omdat zij zich aangesloten had bij de vrijgemaakt gereformeerde kerk in Grootegast. Deze plaatselijke kerk volgt de belijdenisartikelen over de kerk (art. 27-30 NGB) zo nauw dat er onenigheid over bestaat met de vrijgemaakte kerken in Nederland. Ds Hoorn, de plaatselijke predikant, werd hierom zelfs geschorst en afgezet.
Aangezien de docente nu niet meer voldeed aan een van de vereisten om les te mogen geven, nl. 'verbonden te zijn aan een der Gereformeerde kerken (vrijgemaakt)' werd zij ontslagen. De burgerlijke rechter werd gevraagd te toetsen of dit ontslag rechtmatig was. In feite betreft dit geschil de leer van de kerk, een probleem waar gelovigen in alle facetten van het gereformeerde spectrum mee worstelen; met name de vrijgemaakten.
Nu worden de trieste gevolgen voorgelegd aan een wereldse rechter. Deze zal de inhoudelijke leerstellige discussie niet aangaan, maar hij zal slechts marginaal toetsen. Het is ook een moeilijke zaak, van een rechter te verwachten dat hij inhoudelijk uitspraak zal doen.
Een rechter gaat immers vaak akkoord met 'huisregels' van een kerk, of een andere vereniging, zolang deze niet in strijd zijn met de (grond)wet. Dit gebeurt ook met interne regels van andere publiekrechtelijke lichamen. Zo heeft bv de KNVB als voetbalbond eigen tuchtmaatregelen; Een rechter zal pas ingrijpen bij onwettige regels, of bij het ontbreken van toepasbare regels.
Wlize mannen en vrouwen
Nu kom ik tot de kern van mijn betoog;
In onze tijd is een stap naar de burgerlijke rechter vaak een laatste stap in een slepend en schrijnend conflict.
Deze stap is veelal een noodsprong om 'recht' te halen.
Het lijkt mij goed met Paulus te vragen; "Is er dan geen enkel wijs man onder u, die uitspraak tussen broeders kan doen?" Het lijkt mij in onze kerken geen probleem opplaatsetllk dan wel landelijk niveau een groep van wijze mannen en vrouwen in te stellen die voldoen aan de oproep van de apostel.
Veel juridisch geschoolde broeders en zusters in onze eigen kring zouden de kern van een dergelijk college kunnen vormen. Het geeft blijk van het goed verstaan van de gedachtegang van de apostel, onze eigen geschillen, binnen onze eigen kring van gelovigen op te lossen. Het Nederlandse rechtsstelsel biedt hiertoe mogelijkheden. In veel maatschappelijke betrekkingen zijn tegenwoordig arbitragecommissies ingesteld. (bv. de Huurcommissie) Ook wij als kerk kunnen onze eigen arbitragecommissie instellen, en wel zodanig dat zij als eerste bevoegd is kennis te nemen van zaken betreffende kerkrechtelijke geschillen.
Hiermee bereiken we een tweeledig doel nl., ten eerste dat wij de oproep aan de Corinthiërs goed verstaan, en ten tweede dat wij onze 'vuile was' niet buiten hangen ten overstaan van het Nederlandse volk.