Persschouw
1992-05-22
De vlag en het zaad- Jaargang 36
- nummer 11
Onder deze titel schreef enige tijd geleden de Hoogeveense ziekenhuispredikant Drs. P. Torenbeek in zijn rubriek HERKENNING in het 'Gereformeerd Kerkblad voor Drenthe en Overijssel' een artikel waarin hij vermeldt hoe hij regelmatig door buitenkerkelijke families wordt benaderd met het verzoek een begrafenis te leiden. De vraag komt op of je dan niet moet weigeren.
Als je op zo'n verzoek ingaat laat je je dan niet gebruiken als een vlag op een modderschuit? Ds. Toren beek geeft dan aan waarom hij meent aan dergelijke verzoeken te moeten voldoen. Hij schrijft o.a.:
Aansluiting bij hun leven
Ik zou behoorlijk wereldvreemd zijn, wanneer ik al deze uitnodigingen uitlegde als honger naar het evangelie.
Meestal gaat het om heel andere zaken, zoals traditie, dekorum, plichtsgevoel, behoefte aan steun, onzekerheid.
Maar wel gaat het altijd om een uiterste situatie, om rouw, verdriet, verlegenheid.
Bij de vraag om een huwelijksbevestiging of doopsbediening ligt het heel anders en kan het voor de hand liggen om vriendelijk, maar beslist nee te zeggen (hoewel je daar niet te vlug mee moet zijn). In een toestand van ontreddering is dat niet mogelijk.
Daar is ook niet beslissend, waarom men naar de predikant heeft gevraagd.
Waar mensen in de knel gekomen zijn, hoort het evangelie door te komen.
Daarbij is de uitdaging om het zó te laten klinken, dat het aansluiting vindt bij wat de mensen op dat moment beleven. Dat hun verdriet wordt onderstreept en hun waardering voor de overledene en ook de vaak grote dapperheid waarmee men aan het sterfbed heeft meegevochten.
En binnen dat kader, binnen de wereld van hun beleving, probeer ik wat goeds van de Here Jezus te zeggen. Ik zoek naar iets waarbij de liefde van Jezus hun liefde voor de gestorvene als het ware omsluit. Wat ik zorgvuldig vermijd, is de nabestaanden op te roepen hun leven te veranderen. Ik ben niet bang mensen aan te spreken op hun manier van Ijwen, maar dan wil ik dat doen op hun sterke momenten.
Iemand in zijn zwakke ogenblikken aangrijpen, is onzindelijk, zelfs als je met het wapen van het Woord komt. En mensen die met trouwen verdriet tobben, hebben er een evangelisch recht op niet aangevallen te worden, maar getroost en bemoedigd.
De laatste vijand
Daar komt nog iets bij. Ons geloof in Jezus Christus is in de allereerste plaats geloof in Zijn opstanding. Het is een goed antwoord op de dood. Volgens Paulus is die 'de laatste vijand' (1 Cor. 15:26) en zo wordt zij in de praktijk meestal ook beleefd. Bij het sterven overheerst in het algemeen het zwijgen. Men heeft niet veel meer te vertellen. Het brok zit terecht in de keel. En elk woord teveel is goedkoop.
Dat maakt ons wel voorzichtig, niet uit overmatige christelijke bescheidenheid, maar uit respekt voor hen die door deze 'laatste vijand' bezocht geworden zijn.
Dat betekent dat ik proberen moet hen tegen 'de laatste vijand' in bescherming te nemen; dat kan alleen door hen naar Jezus te verwijzen. Zij zijn net zó met de dood gekonfronteerd dat ik hen niet ook nog eens met zichzelf wil konfronteren - zij moeten nu eerst op de een of andere manier Jezus ontmoeten en iets proeven van wat Hij met de dood heeft gedaan.
Daarna gaan ze allemaal weer hun eigen weg. Welke, dat weet ik in het algemeen niet. Eerlijk gezegd vraag ik daar ook niet naar. Ik ben voor hen meestal niet meer dan een voorbijganger en dat geldt ook andersom. Maar voor mijn eigen gevoel ben ik niet zomaar een voorbijganger en ook dát geldt andersom!
Want ik ben in de gelegenheid geweest iets van goed zaad te zaaien.
Misschien dat ooit iemand anders het nog eens weet te begieten. En de mensen waarom het gaat, zij zijn de akker en daarop geeft - naar de gedachte van de apostel Paulus - God de groei (1 Cor. 3:7).
Verwachting
Dat vraagt van mij een bepaalde verwachting.
Als je blij bent iets te kunnen zaaien en rekent op God die de . groei geeft, moet je het proces van rijping en oogst uit handen willen geven.
Wannéér er wat kiemt, wat er groeit en wat het eventueel oplevert, dat alles heb ik over te laten aan de Heer van de kerk.
En zo gebeur:! het dat ik steeds weer mij met werkelijk genoegen aan zo'n bezigheid zet en het na gedane arbeid met veel verwachting achter mij laat.
En als ik de mensen later al of niet toevallig nog eens ontmoet en ze erop terugkomen, vragen ze soms de weg naar een kerk, naar een gemeente, waarin men met warmte en waardering met elkaar omgaat. Dan bén ik heel gelukkig. Dit is werkelijk één van de aardigste kanten van mijn werk.
Ik kan mij in dit verhaal goed vinden.
Alleen verschil ik met de schrijver van mening als hij het heeft over de oproep aan het adres van de nabestaanden om hun leven te veranderen. Ik geloof, dat het evangelisatorische element in dat kader uiteraard niet moet worden overtrokken, maar wel een duidelijke plaats moet hebben in het geheel van de orde van de beg rafenisdienst.
Je hebt op dat moment de kans de mensen te laten zien waar werkelijk houdbare troost te vinden is.
Maar ze zullen dan wél moeten worden aangespoord de weg naar die unieke troost te gaan! Het gaat er alleen om hoe je dat doet en welke woorden je daarvoor kiest en of het samenhangt met de Schrifttekst, die centraal staat in de rouwdienst. We mogen de mensen, die van God vervreemd zijn, lokken naar de bron waaruit wij zelf drinken.
Enschede O. Mooiweer