De ijsbreker van het Koninkrijk
1992-06-05
Jezus had het al gezegd: "Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden" (Joh.- Jaargang 36
- nummer 12
16:7). Christus heeft zijn discipelen na de hemelvaart niet als wezen achtergelaten, maar Hij is het, die zijn Geest heeft uitgestort op de gemeente om altijd bij hen te zijn. Dat is de betekenis van Pinksteren, eens en voor altijd.
Het meest sprekende teken was wel het teken van de vurige tongen, die op ieders hoofd zichtbaar werden. Daarmee wees God van dit moment af iedere christen aan als een tong voor de Heer. Naar de profetie van Joël, dat allen zouden profeteren, zonen en dochters, ouderen en jongeren, tot dienstknechten en dienstmaagden toe.
Ook Rh6de, het meisje dat later de deur zo traag opendeed, zal er bij geweest zijn. En toen de woorden van de discipelen in alle talen te verstaan waren, claimde de Geest op sprekende wijze alle talen als talen voor het evangelie. Nu wordt er terecht op gewezen, dat het éénmaal Pinksteren is geweest. In die zin, dat we niet moeten verlangen naar een herhaling van Jezus' geboorte of zijn opstanding en zo ook niet naar een herhaling van de uitstorting van de Heilige Geest. Wat God op die dag gaf, geldt voor eens en voor altijd. De tekenen lenen zich niet voor herhaling, maar de betekende zaak is des te sterker geldig tot het eind der tijden. Aan de ene kant: het eerste wonder in de gemeente was een talenwonder, maar het eerste probleem was ook een talenprobleem.
Die kwestie immers van de Hebreeuws sprekende en de Grieks sprekende weduwen. Aan de andere kant: de volle betekenis van het talenwonder is pas geleidelijk aan tot de discipelen doorgedrongen. Op de Pinksterdag waren het immers wel hoorders die vele talen spraken, maar het waren wel allemaal Joden. En God heeft nog heel wat moeten investeren om Petrus en de anderen ervan te overtuigen, dat ook heidenen met al hun talen erbij mochten horen, Het is de Heilige Geest, die deze deuren opengebroken heeft.
De Geest opent deuren
Dat is ook de hoofdlijn in het doorgaande werk van de Heilige Geest: dat Hij deuren voor het evangelie opent.
Op de Pinksterdag brak Hij de besloten samenkomst van de discipelen open naar Jeruzalem toe. Niet door een geplande evangelisatie-actie, maar omdat Gods Geest ging waaien zijn de discipelen genoodzaakt om te getuigen van hun Heer. Zo ook zijn de deuren naar Judea en Samaria en uiteindelijk zelfs naar de volkeren opengegaan. Door vastgeraakte situaties heen heeft de Geest gewerkt als ijsbreker van het Koninkrijk Gods. Zo doet Hij dat ook in het klein, in ons persoonlijk leven. "Hij opent het gesloten, Hij vermurwt het verharde, en besnijdt het onbesneden hart. Hij schenkt de wil nieuwe hoedanigheden en de dode wil maakt Hij levend, de verkeerde goed, de onwillige gewillig, de weerspannige gehoorzaam" (D.L. lil/IV, 11). Toch moeten we over de uitstorting van de Heilige Geest niet al te privé spreken. In Hand. 2 komt deze gebeurtenis niet allereerst naar voren als een gave voor de discipelen, laat staan voor ons. Petrus spreekt veeleer over de belofte aan Christus, die op deze dag werd ingelost. "Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort" (Hand. 2:33). Bij zijn leven had Jezus gebeden om de Geest (Joh. 14:16), bij zijn hemelvaart droeg Hij de discipelen op om te wachten op deze belofte van de Vader (Hand. 1:4) en nu had God de belofte waargemaakt: door zijn lijden en strijden had Christus de Geest verdiend voor allen die in het geloof met Hem verbonden zijn.
Voor Christus en de gemeente
Het belang hiervan is, dat we bij de uitstorting van de Heilige Geest niet allereerst moeten vragen: wat heb ik eraan?, maar: wat betekent dit voor het werk van Christus en voor de gemeente die zijn lichaam is? Nu Christus de beloofde Heilige Geest verdiend heeft en nu Hij vanuit de hemel de gaven van de Geest uitstort over de gemeente, nu is het voor ons een opdracht om die gaven op te merken en ze te gebruiken - niet in de eerste plaats als een privé-genoegen of als zelfontplooiing (hoewel dat heus vanzelf wel mee komt), maar voor de dienst van Christus en zijn gemeente.
Hier zit een persoonlijke en een gemeentelijke kant aan. Als leden van de gemeente moeten we niet in een afwachtende houding leven en ons niet als consumenten van geestelijk voer opstellen. We moeten er integendeel zelf op attent zijn, waar we onze gaven gewillig en met vreugde kunnen inzetten.
Voor de gemeente, maar ook voor de wereld waar we in wonen. In de Bijbel vinden we beschrijvingen van de geestelijke gaven, het meest bekend zijn 1 Cor. 12 en Rom. 12. Maar vaak worden die teksten veel te star gebruikt alsof het de voorraadlijsten van de Heilige Geest zijn. Rond de bijzondere gaven van 1 Cor. 12 (tongentaal, krachten en genezing) heb je . dan ook nog aan de ene kant mensen die vinden, dat de Geest deze gaven nu niet meer kan geven en aan de kant mensen die vinden, dat je pas een echte gemeente bent als juist deze gaven voorkomen. We moesten de Geest niet zoveel willen voorschrij.ven, maar veeleer open staan voor wat Hij vandaag wil geven. Ik hoorde daarover eens de verstandige opmerking: misschien wil de Geest nu wel de gave van brutaliteit geven, om toch nog met het evangelie aan te komen. Sommigen hebben de gave om te onderwijzen, anderen om hulp te bieden bij huwelijksproblemen, anderen om scherp de geesten te onderscheiden.
En wie weet wat de Geest nog méér wil geven!
Gaven een plaats geven
Er zit ook een gemeentelijke kant aan.
Het is de taak van de gemeente om de gaven van de leden ook een plaats te geven in het geheel van Christus' lichaam. In het bijzonder ambtsdragers mogen het als hun taak zien om gaven op te merken, aan te moedigen en te leiden. Want het werkt heel negatief als de gemeente zegt (of uitstraalt...): wij hebben u niet nodig.
Mensen kunnen daardoor beschadigd worden, en Gods Geest wordt erdoor bedroefd. Een concreet voorbeeld daarvan is evangelisatie-werk. Weinig dingen kun je zo moeilijk organiseren als juist dit werk. Het is zaak om te wachten op openingen, die de Geest geeft. Maar àls er zowel gaven als mogelijkheden zijn, moeten we dat niet als een rariteit van sommigen beschouwen, maar als een gave van Christus. In onze gemeente hebben we moeten leren om gaven die er zijn ook te waarderen en te eren als gaven van boven. Niet door het in te kapselen in een commissie, maar door mee te leven en te geven, en door waar mogelijk te helpen.
In het vorig nummer van ons blad .
stond een roep om aandacht voor een bepaalde vorm van evangelisatie. De toon was een beetje alsof die aandacht ontbreekt. Of dat zo is kan ik niet beoordelen, maar het moest zo niet zijn.
Een ander voorbeeld: onlangs begon ds. W.L. Kurpershoek in de Kerkbode die Buijten & Schipperheijn uitgeeft een serie artikelen naar aanleiding van een opmerking op de Landelijke Vergadering, dat er toch méér zending is dan alleen die in Zuid Afrika. Gedacht werd aan allerlei mensen, die op individuele basis worden uitgezonden.
Wel, wanneer overwogen zou worden om het bestaande werk maar te laten vallen, kan ik de reactie begrijpen.
Maar overigens mogen we alleen maar heel dankbaar zijn voor al die nieuwe vormen van zending en hulpverlening, die de Here op ons pad brengt. Wat fijn, dat God méér pijlen op zijn boog heeft!
Zo komen er in ons eigen land, ongedacht, ook andere mogelijkheden tevoorschijn.
Ik weet van verschillende gemeenten, waar goede contacten zijn ontstaan met asielzoekers ter plaatse.
Als we ooit iets voor de vreemdeling in onze poorten kunnen betekenen, dan hier wel! Gemeenteleden hoeven niet af te wachten of daar een commissie voor komt, maar ze kunnen z6 aan de slag. En de gemeente op haar beurt kan stimulerend werken.
Structuren in de kerk
Helaas zijn de structuren in de kerk soms een belemmering om de gaven die de Geest aan de gemeente geeft te voeden en te eren. Een voorbeeld daarvan is de structuur van de drie ambten, die wij kennen. In het vorige nummer schreef ik daarover naar aanleiding van 'de vrouw in het diakenambt’. Na het schrijven daarvan kwam mij een artikel van dr. J.P. van Bruggen onder ogen, getiteld Kerkleden (MIV) of mannen en vrouwen in de kerk?, De Reformatie van 7 maart 1992. Hij schrijft over het woord 'ambt': "Vanuit het verleden ligt op dit woord een zware hypotheek. Het zweeft als iets bijzonders boven de gemeenten en de personen. En het daalt neer op hen die 'ambtsdrager' worden. Het lijkt iets te zijn dat hoger is dan de concrete ambten die mensen uitoefenen.
Alsof de door personen uitgeoefende ambten afgeleide vormen zijn van het bovenpersoonlijke ambt. (...) Mijn stelling is dat de invoering van de paraplu van de overkoepelende ambtsgedachte ertoe heeft geleid dat de diaken (bij opname in de kerkeraad) ook onder die paraplu moest en daarbij de collega-diakones wel in de regen moest laten staan. Ik zou echter die hele paraplu willen inklappen, ook boven de dominees en de ouderlingen".
Hij vindt het dan aan te bevelen om het woord 'ambt' nu maar eens dertig jaar niet meer te gebruiken ...
Hoe men hier ook over denkt, het lijkt mij uiterst nuttig om te bedenken dat het woord ambt niet in de Bijbel voorkomt en dat het dus wel heel zot zou zijn, als dàt de bottle-neck moet worden in de discussie over vrouwelijke diakenen. Het belang van dit besef is trouwens breder: zolang we denken dat alleen ambtsdragers het echte werk doen, staan er veel méér mensen in de regen!
Liturgie
Nu we toch bezig zijn, nóg zo'n structuur die belemmerend kan gaan werken.
Ook de liturgie, hoe mooi en verantwoord ook, kan knellend worden als er daardoor voor gaven en mogelijkheden in de gemeente geen ruimte is. In eigen gemeente heb ik eens verteld, dat ik er wel eens van droom om een gemeente te dienen, die maximaal trouw is aan de Bijbelse leer én maximaal vrij in de liturgische vormgeving.
"Wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte" (Efeze 5:18v) - telkens als je daarvan iets beleeft (en heus, dat gebeurt!), is dat hartverwarmend.
Kortom: toen Christus de Heilige Geest met zijn kostbaar bloed had verdiend en die uitstortte op de gemeente, toen schonk Hij daarmee een rijke schat. Sinds die dag is Christus niet opgehouden, zijn gemeente gaven te geven. Het mooiste in de gemeente is als je daar de gevolgen van ziet. Te wensen is, dat we er steeds méér oog voor gaan krijgen. Niet alleen wij winnen daarbij, maar vooral Christus en zijn werk.